De Late Oudheid (2)

Laatantiek mozaïek ter gelegenheid van een stadsstichting (Beiteddin)

[Tweede stukje over de presentatie van het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA). Het eerste was hier.]

Optativus

Een van de leuke dingen van de taalkunde is dat de “great divide” die de Romeinse literatuur teistert, hier niet bestaat. Er is geen of weinig verschil tussen het Grieks van de heidense auteur Libanios en zijn christelijke tijdgenoot Gregorios van Nazianze. Ambrosius begreep prima wat Symmachus schreef.

Ezra la Roi behandelde de ontwikkeling van het postklassieke Grieks. Daarin zou, zegt iedereen, de optativus zijn verdwenen: een werkwoordsvorm waarmee een wens wordt aangegeven (“moge de beste winnen”). Zo’n conclusie was lange tijd gebaseerd op het enorme taalgevoel van generaties goede classici, en dat moet je niet onderschatten, maar inmiddels kunnen we dankzij digitale databanken veel meer teksten tegelijk onderzoeken en dan ontstaat een ander beeld.

Eén verklaring voor het toch voortbestaan van deze werkwoordsvorm is dat auteurs in de Late Oudheid graag zuiver Grieks schreven (“atticisme”), maar dat is toch een beetje de omkering van de bewijslast. Anders gezegd, het is een hypothese die niet zou zijn geopperd als het niet was om vast te houden aan een geliefde maar door de feiten weerlegde conclusie.

Koninginnen

Na de archeologie, de literatuurwetenschap en de taalkunde was het de beurt aan de geschiedwetenschap en de eerste spreker was Jeroen Wijnendaele. Hij is de auteur van een goed boek over de desintegratie van het Romeinse bestuursapparaat in West-Europa van de vijfde eeuw. Wijnendaele zocht naar vermeldingen van koninginnen uit die tijd. De bekende kronieken, zoals Prosper Tiro, vermelden echter nauwelijks vrouwen en zelfs de echtgenotes van de machthebbers blijven onvermeld.

Dat verandert na het midden van de vijfde eeuw. Sidonius Apollinaris duidt de echtgenote van koning Eurik, Ragnagild, aan als regina en vermeldt ook nog een tweede koningin, namelijk de naamloze vrouw van de Bourgondische koning Chilperik. De verklaring is dat de macht steeds meer overging van de keizer naar militaire machthebbers die weliswaar Romeinse generaalstitels voerden maar ook golden als rex. Dat persoonlijke gezag werd steeds belangrijker en hun echtgenotes kregen een overeenkomstige titel. Koninginnen zijn voor West-Europa dus een uitvinding uit de Late Oudheid.

Aramees

Tot slot Mara Nicosia en Giorgia Nicosia. Ze vertelden over de wereld vol culturele kruisbestuivingen van het antieke Syrië/Mesopotamië. Een plaatje dat ik niet snel zal vergeten toonde vier mozaïeken met Griekse mythologische scènes waarin de personages Iraanse kleding droegen en de teksten in het Aramees waren gesteld. Een soldaat die deze mozaïeken zou hebben gezien, zou dan weer zijn instructies hebben gehad in het Latijn. En het is niet uit te sluiten dat hij zelf een Arabische naam had.

In deze wereld bloeide het Syrische christendom op, waarin teksten werden geschreven die andersdenkenden moesten overtuigen zich te laten dopen. Daarbij werd gebruik gemaakt van het argument dat wijze Griekse filosofen eigenlijk ook al hadden geweten van de christelijke waarheid. Zo kon een christen heidenen als heidenen aanspreken en overtuigen. (In het westerse christendom werden de Sibillen wel opgevoerd als heidense getuigen van het christelijke geloof.) Deze argumentatiewijze werd vereenvoudigd door flexibel te vertalen. Bij het omzetten van Hermes Trismegistos vanuit het Grieks naar het Aramees was het bijvoorbeeld mogelijk enkele sleuteltermen zó weer te geven dat hij een proto-christen was.

Dit type argumentatie (dat ons niet hoeft te overtuigen) bleef bestaan, ook toen het christendom allang de voornaamste godsdienst van het Nabije Oosten was geworden. Zo konden Syrische christenen later reageren op de islam door te vragen of het nieuwe geloof, net zoals het christendom, eveneens was voorspeld door heidense auteurs.

Kortom

Summa summarum: het was een ontspannen dag vol informatie over de Late Oudheid. Peter Heather sprak ook nog, maar ik moest eerder weg omdat ik een video-vergadering had en me rustig wilde voorbereiden. Het was echter leuk om mee te maken. Vooral omdat de sprekers zo aanstekelijk enthousiast waren.

Tot slot: ik turfde één keer het woord “crossdisiplinary”, maar niemand verlaagde zich tot het wezelwoord “interdisciplinair”. En daar ben ik blij mee. Een goede oudheidkundige negeert geen enkele categorie bewijsmateriaal. Je hoeft zo iemand dus niet aan te sporen interdisciplinair te zijn, want hij is een allrounder. De vanzelfsprekendheid waarmee de veelal jonge onderzoekers gisteren informatie haalden uit alle bewijscategorieën, toont dat een integrale Altertumswissenschaft geen utopie is.

De Late Oudheid (1)

Portret van een Romein, pakweg 425 na Chr. (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De Late Oudheid is in de mode. Waarom dat zo is, ik heb geen idee, maar onlogisch is het niet. Ooit stond de Klassieke Periode centraal en toen men daarop was uitgekeken, ging men kijken naar de Archaïsche Tijd. Die stond in de tweede helft van de twintigste eeuw meer in de belangstelling dan daarvoor. Toen daar het nieuwe vanaf was, verschoof de belangstelling als vanzelf naar de Late Oudheid. Zoiets zal het zijn geweest. Denk ik. Wat misschien ook speelt: de Late Oudheid is de tijd waarin West-Europa is geboren. Het Romeinse Keizerrijk maakte plaats voor koninkrijken die lijken op het latere Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland. Het christendom brak door. De romaanse en germaanse talen worden herkenbaar. En aan het eind van de periode was er zelfs een gezamenlijke Saraceense vijand. In een tijd van Europese eenwording ligt belangstelling voor de Late Oudheid voor de hand.

De Gentse universiteit vindt het tijdperk zo belangrijk dat ze het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA) geeft opgericht. Er is daar tussen Leie en Schelde namelijk behoorlijk wat expertise aanwezig: vijftig, zestig archeologen, historici, taalkundigen en letterkundigen, en bij laatstgenoemden mag u denken aan Latijn, Grieks en Aramees. Men presenteerde zich gisteren en omdat ik vandaag in Gent moest zijn – ik spreek vanavond – besloot ik een dagje eerder te gaan om te luisteren. Ik ga geen verslag doen, maar bied wel een paar losse observaties. Niks bijzonders, gewoon wat dingen die me troffen.

Lees verder “De Late Oudheid (1)”