De Late Oudheid (1)

Portret van een Romein, pakweg 425 na Chr. (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De Late Oudheid is in de mode. Waarom dat zo is, ik heb geen idee, maar onlogisch is het niet. Ooit stond de Klassieke Periode centraal en toen men daarop was uitgekeken, ging men kijken naar de Archaïsche Tijd. Die stond in de tweede helft van de twintigste eeuw meer in de belangstelling dan daarvoor. Toen daar het nieuwe vanaf was, verschoof de belangstelling als vanzelf naar de Late Oudheid. Zoiets zal het zijn geweest. Denk ik. Wat misschien ook speelt: de Late Oudheid is de tijd waarin West-Europa is geboren. Het Romeinse Keizerrijk maakte plaats voor koninkrijken die lijken op het latere Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland. Het christendom brak door. De romaanse en germaanse talen worden herkenbaar. En aan het eind van de periode was er zelfs een gezamenlijke Saraceense vijand. In een tijd van Europese eenwording ligt belangstelling voor de Late Oudheid voor de hand.

De Gentse universiteit vindt het tijdperk zo belangrijk dat ze het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA) geeft opgericht. Er is daar tussen Leie en Schelde namelijk behoorlijk wat expertise aanwezig: vijftig, zestig archeologen, historici, taalkundigen en letterkundigen, en bij laatstgenoemden mag u denken aan Latijn, Grieks en Aramees. Men presenteerde zich gisteren en omdat ik vandaag in Gent moest zijn – ik spreek vanavond – besloot ik een dagje eerder te gaan om te luisteren. Ik ga geen verslag doen, maar bied wel een paar losse observaties. Niks bijzonders, gewoon wat dingen die me troffen.

Badcultuur

Sadi Maréchal vertelde over de badcultuur van de Late Oudheid. Dat is een interessant thema. Badhuizen zijn geen tempels of basilica’s die er representatief uit moesten zien en tjokvol krullendraaierij waren, maar zijn utiliteitsgebouwen. Hier volgt vorm de functie. Tegelijk zijn badhuizen kostbaar en veronderstellen ze patronage. Ook beschouwde men ze als symbolen van beschaving: geen baden bij de barbaren. We hebben bovendien allerlei soorten bewijs: de opgegraven badhuizen natuurlijk, maar ook inscripties, papyri en literaire teksten. Badhuizen zijn tof – zie anders dit boek over Heerlen.

Maréchal had er veel leuks over te vertellen, zoals dat de Romeinse badcultuur pas in de Late Oudheid doorbrak in de Cyrenaica omdat er al een Griekse badcultuur was.

De Griekse baden in Kyrene

Maar wat me het meest trof was een terloopse opmerking dat er bewijs was voor de sponsoring van de badhuizen door de kerk. Ik wist van badende geestelijken, maar dit had ik even niet zien aankomen. Ik had wat willen horen over de teksten die duiden op houtschaarste, zoals Filostratos’ derde-eeuwse Leven van Apollonios en de vierde-eeuwse Historia Augusta, maar wellicht horen we daar later nog eens over.

Ecologie

Waarmee we in feite al zijn aangekomen bij een ander onderwerp dat momenteel in de mode is: ecologie. Bij de bestudering van literaire teksten bestaat een stroming die ecokritiek heet, waarbij “kritiek” geen maatschappijkritiek is, maar een synoniem voor onderzoek. (Vergelijk tekstkritiek en bronkritiek, die ook niets met activisme van doen hebben.) Voor wie er snel meer over wil lezen, is er nu het laatste nummer van Met Andere Woorden, dat ingaat op de wijze waarop de auteurs van de Bijbel schrijven over de natuur. (Hier is een voorproefje.)

Ik keek erg uit naar wat Marco Formisano en Leila Williamson zouden vertellen over De schaking van Proserpina van Claudianus en De rivier de Gers van Venantius Fortunatus. Het zijn auteurs waar ik niet heel vertrouwd mee ben en ecokritiek is ook iets waar ik nog weinig van weet. Formisano toonde hoe Claudianus de schrik wist op te roepen die de eerste mensen ervoeren die besloten te gaan varen – en dus een menselijke ingreep deden in de natuur. Williamson toonde de bevreemding die de dichter opriep bij vissen die, bij droogte, in de modder lagen terwijl oogsten bij hoog water in de golven stonden. Een omgekeerde wereld. Ik hoop dat ik het heb begrepen want ik had, gezeten op de achterste rij met achter mij een rumoerige keuken, wat moeite beide sprekers te verstaan.

[Wordt vervolgd]

Deel dit:

9 gedachtes over “De Late Oudheid (1)

  1. Hans

    Goedemorgen Jona,

    Het is me toch gelukt om mij aan te melden. Ik stuurde je zo juist een email om je te vragen mij een nieuwe link te sturen. Maar nu zag ik dat dit automatisch al gebeurd was.
    Ik ken Gent goed van vele excursies en ik ben blij met dit initiatief voor een centrum van de Late Oudheid.
    Ik speel zelf met de hypothese dat de Late Oudheid voltrokken is door het concilie van Chalcedon van oktober/ november 451 AD. In de conciliebesluiten staat namelijk dat het patriarchaat van Alexandrië uitgesloten wordt/ niet meer mee mag beslissen in de leiding van de Kerk.
    In Jeruzalem, toen nog een patriarchaat, breken rellen uit bij het bekend worden van de conciliebesluiten van Chalcedon. Dus blijven er twee spelers over in het centrum van de macht in de Kerk.
    En de bisschop van Rome ontwikkelt zijn positie in dit machtsspel met het direct formuleren van de Twee zwaardenleer. Dit is mijn stokpaardje.
    Ik denk dat het buitenspel zetten van de patriarch van Alexandrië door de “episcopi conscripti” de banden met de culturele en politieke en economische grootmacht Egypte definitief verbreekt. En dat noem ik de einddatum van de Late Oudheid.
    De begindatum voor de banden met Egypte liggen dan voor mij in de wereld van het Gilgamesj-epos. Ik ben een trouwe fan van het boek uit 1951, tweede druk, van M.A.Beek, aan Babylons stromen.
    Dus de oudheid is de relatie en de band tussen Egypte en de rest van de wereld van de Middellandse Zee.
    En die band wordt door de verzamelde bisschoppen in Chalcedon bewust doorgesneden.

    Goede tijd in Gent,
    Hans van den Hogen.

  2. Dank voor de verwijzing naar Met andere woorden, en het indrukwekkende voorbeeld van Matthijs de Jong. Zo krijgt een mens weer hoop.
    Nog een kleinigheid. “..de schrik wist op te roepen die de eerste mensen ervoeren die besloten te gaan varen…’ Dat is zeker 100.000 jaar geleden en misschien waren die eerste mensen wel Neanderthalers. Wij kunnen absoluut niets weten van de omstandigheden waaronder dit gebeurde en de eventuele gevoelens van deze varensgasten.

  3. Huibert Schijf

    Tof verslag over dat congres. Zelf heb ik regelmatig de Universiteit van Gent bezocht, maar dat was bij andere disciplines. Ik zal wel niets origineels beweren maar je zou de Late oudheid ook als de vroege middeleeuwen kunnen zien. Dan heb je een mooie continuïteit, zoals in het Allard Pierson. Badhuizen zijn interessant, ook in het gedrag van de bezoekers. Hoeveel is daar over bekend?

  4. Italië mag in het rijtje van landen dat in de eerste alinea genoemd wordt wel achterwege gelaten worden. Het zou nog heel lang duren alvorens in die contreien iets ontstond dat op een ‘koninkrijk’ (een natie?) leek. Volgens sommigen is dat punt nog steeds niet bereikt.

    1. Dat geldt voor elke proto-staat, ook die van de Vandalen, Visigoten en Franken. En feitelijk ook het Romeinse Rijk: het zou onzin zijn het zomaar een staat te noemen. Toch kun je verdedigen dat Italië al een soort eenheid was onder Ostrogotische hegemonie.

  5. Dirk Zwysen

    Mooie gedachte dat de Late Oudheid belangstelling geniet in ons tijdsgewricht van Europese eenmaking. Misschien is er ook een meer sombere aanleiding: het gevoel dat een gouden periode ten einde loopt en een toekomst van onzekerheid, achteruitgang en instabiliteit wacht.

Reacties zijn gesloten.