De hunebedden van Drouwen staan ook bekend als de “Steenhopen”: een weinig verrassende naam voor twee verrassend mooie grafmonumenten. Ze liggen even ten westen van het dorp, tegen de bosrand, vlakbij een tunneltje onder de N34 Emmen–Eelde.
Tussen de hunebedden en Drouwen ligt, als een open plek in het bos, een oud meertje. Dat zien we wel vaker bij zo’n prehistorisch graf.
Even ten noordoosten van het oeroude kerkje van Rolde liggen twee hunebed D17 en hunebed D18. Heel toepasselijk ligt er tussen deze twee monumenten en het kerkje een recenter grafveld. Ik zou er niet van opkijken als iemand nog eens ontdekte dat er ook in de Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen mensen begraven zijn geweest. Het staat immers van veel hunebedden vast dat ze ook na de tijd van de hunebedbouwers, zoals dat heet, funeraire activiteiten aantrokken. Die strekt zich meestal niet uit tot in de christelijke tijd, maar op die regel kan best een uitzondering bestaan.
Herman Clerinx wijst er in Een paleis voor de doden op dat “in de christelijke Middeleeuwen grafheuvels en hunebedden een slechte reputatie hadden en als duivels werden beschouwd, en daarom moesten verdwijnen”. In Rolde lijken de priesters toch anders gedacht te hebben over het op achttien en negentien na noordelijkste hunebed van Nederland. Misschien is het wel omdat dit tweetal, dat blijkens een landkaart uit 1642 bekendstond als de Reuzenstien bekendstond, “gewoon” werd toegeschreven aan de hunen (giganten). Dat waren niet per se duivels.
Toen ik onlangs een gewaardeerde collega vertelde over deze reeks, zei ze me dat ze die hunebedden een beetje saai vond. Ik kon me daar eigenlijk wel iets bij voorstellen. Het lukt me wel om over elk van die prehistorische grafmonumenten iets te vertellen, maar de eigenlijke informatie is zo spectaculair niet. Neem hunebed D16, tussen Assen en Balloo, het op zeventien na noordelijkste hunebed van Nederland. Het is 15½ meter lang en bijna vier meter breed. Aan de lange kant, maar geen ongebruikelijke afmetingen. Het is gebouwd langs een oost-west-as, zoals de meeste hunebedden. Er liggen nog negen dekstenen, er is een portaal en er liggen nog wat stenen in een krans omheen. Kortom: een goed bewaard hunebed zonder noemenswaardige bijzonderheden.
Het bordje met uitleg dat bij elk hunebed staat, vertelt dat de Deense archeoloog Petersen in 1987 in een van de dekstenen van hunebed D16 zes “cup marks” heeft ontdekt die blijkbaar nog niet eerder waren gezien. Cup marks zijn die onbegrepen kuiltjes die ik ook noemde bij hunebed D12 op de Eexteres. Op een andere deksteen zijn er nog eens drie. Misschien dateren ze uit de Bronstijd en dan is het de zoveelste aanwijzing voor wat u inmiddels al weet: dat de hunebedden ook na de tijd van de hunebedbouwers nog werden bezocht en gebruikt.
Tot 1975 leidde een spoorlijntje van Assen via de hunebedden bij Rolde (D17 en D18) en het hunebed D14, met een kronkel over Gasselte naar Stadskanaal. Eext lag niet aan die spoorlijn, maar had wel een stationnetje, een half uurtje wandelen bezuiden het dorp. Er liggen nog altijd wat rails en de Eexterhalte bestaat nog als hoofdgebouw van een camping. En even verderop ligt ’s Neêrlands op zestien na noordelijkste hunebed.
Hunebed D14 is enigszins te dateren: het oudste aardewerk stamt uit 3250-3125 v.Chr. Het is een opvallend groot grafmonument, want het is achttien meter lang en 4½ meter breed. Bovendien is het redelijk intact, compleet met kransstenen. Al met al een reden is om er eens langs te gaan. D14 schijnt ooit bekend te zijn geweest als de “dikke stenen”. Een begrijpelijke bijnaam.
Hunebed D13, het op vijftien na noordelijkste hunebed in Nederland, is ook een van de meest merkwaardige. Het is erg klein: het meet slechts 4¼ bij 3¼ meter en dan rond ik nog naar boven af ook. Het bijzondere is dat het nog in de heuvel ligt die erover is opgetrokken. Een flinke heuvel trouwens, met een doorsnede van een meter of dertig.
Het graf is rond 1735 ontdekt door een Eexter boer die een hol geluid hoorde. Om die reden zou de heuvel ook Klankenberg en Stemberg genoemd zijn geweest, al kan die laatste naam ook een verbastering zijn van Steenberg (vgl. hunebed D1, dat deze naam gaf aan het nabijgelegen dorp Steenbergen). Later is het grafmonument ontdaan van enkele stenen. Zwerfkeien waren immers nuttig voor de versterking van de beschoeiing van de diverse waterwerken. Eén steen was in Eext nog tot 1976 in gebruik als bruggetje. De website Hunebedden.nl voegt toe dat er geruchten gaan over een soortgelijke grote steen bij de kerk van Eext.
Hunebed D12 is nog geen zeven meter lang en nog geen drie meter breed. Het op veertien na noordelijkste hunebed in Nederland is bovendien aan de kleine kant. En het is nog incompleet ook.
De oriëntatie van dit hunebed, dat staat onder een mooie oude boom op de es ten westen van Eext, is echter opvallend. Meestal richtten de hunebedbouwers hun monumenten ruwweg langs een oost-west-as, maar D12 is gericht op het zuidzuidoosten. Waarom? We weten het weer eens niet. Zoals zo vaak.
Ik voelde me een beetje een indringer, daar bij hunebed D15, dat even ten noorden van Loon op de es ligt. Op een lentedag was ik aan komen rijden vanuit Groningen en had bij Tynaarlo de smaak van hunebedden te pakken gekregen, dus ik was van de weg af gegaan om ook het op dertien na noordelijkste hunebed van Nederland te bekijken. Ik maakte wat foto’s toen een jongen van een jaar of zestien, zeventien kwam aanlopen. Hij groette me maar leek zich onhandig te voelen met mijn gezelschap. Toen even later een meisje van dezelfde leeftijd aan kwam, begreep ik dat ze een afspraakje hadden. Het was beter verder te fietsen.
Later zou Herman Clerinx, de auteur van Een paleis voor de doden, me een soortgelijke ervaring noemen. Het zijn ook eigenlijk wel romantische plekken, die hunebedden. Zeker omdat er ook hier weer een meertje in de buurt is: een pingoruïne die de mensen in Loon aanduiden als het Taarlose Veentje.
Toen ik het had over hunebed D8 vermeldde ik dat het lag bij de kruising van de oeroude oost-west-weg van D7 naar D9 met de zuid-noord-weg van Anloo naar Zuidlaren. Aan die tweede weg lagen enkele verdwenen hunebedden en voorbij Anloo vinden we hunebed D11. Het op twaalf na noordelijkste hunebed in Nederland is aan de smalle kant: terwijl de hunebedbouwers meestal iets neerzetten van een meter of vier breed, meet dit monument een goede 3½ meter. Het is 9½ meter lang.
De website Hunebeddeninfo.nl noemt het een tamelijk gewoon hunebed, niet erg groot, niet erg klein, zonder speciale kenmerken maar gelukkig ook niet erg beschadigd. ’t Is krek zo. Hunebedden.nl is iets romantischer en adviseert hier in stilte vijftig eeuwen geschiedenis op je te laten inwerken. Het is niet moeilijk die goede raad op te volgen, want je bent hier vrijwel alleen.
Je kunt het op elf na noordelijkste hunebed in Nederland natuurlijk gewoon aanduiden als hunebed D10. Dat zou niet de verkeerde aanduiding zijn voor het bij Gasteren gelegen monument. De bijnaam van het hunebed spreekt echter iets te veel tot de verbeelding om haar onvermeld te laten. Het heet namelijk ook de Duivelskut (eigenlijk Duvels kutte). En dat betekent helaas inderdaad wat u denkt dat het betekent.
Het ligt niet aan mij. Ik heb nog gekeken of het mogelijk was dat het ging om een kot, dus een kamer of een stal. Niet alleen is dat wat keuriger, maar een hunebed lijkt ook wat meer op een schaapskooi dan op een geslachtsdeel. Denk ik althans. Ik beken namelijk dat ik nog nooit het geslacht van een duivelin heb gezien. Dus misschien vergis ik me.
Er gaan natuurlijk dagen voorbij zonder dat u denkt aan hunebed D2, maar het is werkelijk het op tien na noordelijkste hunebed in Nederland. Het is acht meter lang en drie meter breed, dus niet opvallend groot. Ik heb er weinig over te vertellen, want de kelder van het monument is nooit wetenschappelijk onderzocht. En maar de helft van dit hunebed is over, want men heeft geprobeerd het te slopen (net als D14 en D44).
Net als hunebed G1, dat bij een doodijsgat lag, ligt ook hunebed D2 bij een meertje. Meer precies: het ligt bij een pingoruïne. Dat wil zeggen dat hier in een van de ijstijden een heuvel met een kern van ijs heeft gelegen. Toen het ijs smolt, bleef het gesmolten water achter en ontstond een ronde krater. Ook hunebed D35 ligt naast een pingoruïne. Blijkbaar hadden de hunebedbouwers een voorliefde voor dit soort meertjes.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.