De slag bij Flevum/Velsen

velsen_port_gs
De Romeinse vlootbasis van Velsen (Graham Sumner)

Je kunt het je maar moeilijk voorstellen als je bij Velsen door de Wijkertunnel rijdt, maar hier ligt het oudst bekende slagveld van Nederland: het is de plaats waar de Romeinen in de zomer van 28 de Friezen versloegen. En andersom, want de Romeinse tactische zege zou uitpakken als een strategische nederlaag.

Ooit waren de relaties tussen de Romeinen en Friezen – dat wil zeggen: de bewoners van wat nu Noord-Holland en Friesland heet – buitengewoon hartelijk geweest. Omstreeks 15 v.Chr. hadden de Romeinen de legioenen waarmee ze Gallië hadden veroverd verplaatst naar de Rijn, om daarvandaan een agressieve Germaanse stam te bestrijden die leefde in het noordelijke Roergebied. Deze Sugambren werden van alle kanten aangevallen: vanuit Mainz in het zuiden, vanuit Xanten in het westen en vanaf 12 v.Chr. uit het noorden over de rivier de Eems. Om die te bereiken, moest de vloot van de Romeinen varen over nog onbekende wateren, waar ze tot hun schrik werden geconfronteerd met het in de Middellandse Zee onbekende verschijnsel van eb en vloed. De Friezen redden hen toen het leven.

De relaties tussen de Romeinen en Friezen zouden nog lang vriendelijk blijven. De kustbewoners profiteerden dan ook van de aanwezigheid van de garnizoenen, die weinig van de inheemse bevolking eisten maar goed betaalden voor bijvoorbeeld graan. Toen de stammen uit het Overrijnse in 9 n.Chr. de Romeinen uit de Lippevallei verdreven, konden de legionairs blijven rekenen op hun trouwe Friese bondgenoten. Maar in 28 ging er toch iets verkeerd, zoals de Romeinse historicus Tacitus vertelt in zijn Annalen:

De Friezen verbraken de vrede omdat ze genoeg hadden van onze hebzucht. Hun was, omdat hun middelen beperkt zijn, door Drusus een niet overdreven hoge schatting opgelegd, namelijk het leveren van runderhuiden aan de legioenen. Maar niemand had aangegeven hoe sterk of groot die moesten wezen, totdat oppercenturio Olennius bepaalde dat ze voortaan de huiden moesten leveren van oerossen. Daaraan konden ze maar moeilijk voldoen, want het vee op hun boerderij is meestal klein van stuk. … Toen de lasten niet werden verlicht, escaleerde de Friese verontwaardiging tot openlijk geweld.

Voor we verder gaan met Tacitus’ verhaal, moeten we eerst even een misverstand wegruimen: de bewoners van Noord-Holland en Friesland waren beslist niet arm. Hun gebied is door archeologen goed verkend en daarbij is vastgesteld dat de Friezen deel uitmaakten van een geavanceerde economie, waarin overzeese handel op Brittannië en Denemarken een rol speelde. Toch zullen de autochtone bewoners van het Nederlandse kustgebied moeite hebben gehad met het leveren van de huiden van oerossen, want die dieren waren al een eeuw eerder uitgestorven.

Dat wisten de Romeinen ter plaatse natuurlijk ook wel. Het probleem dat Tacitus, die als bewoner van Italië weinig wist van de fauna in onze contreien, op wat onbeholpen wijze probeert te verwoorden is vermoedelijk een ander: dat belastingheffing onderworpenheid veronderstelt, en dat de Friezen daarin geen zin hadden. Bovendien hadden ze voldoende inzicht in de Romeinse wereld om te weten dat ze de Romeinen konden verdrijven uit Noord-Holland en Friesland. In 28 kon iedereen weten dat keizer Tiberius geen belang stelde in het gebied ten noorden en oosten van de Rijn.

De Friezen namen de Romeinse soldaten die de belasting bij hen kwamen innen gevangen, en sloegen ze aan het kruis. Olennius zelf wist de dans te ontspringen door snel te vluchten naar het fort, dat Flevum heette. Een forse troepenmacht bewaakte daar de route naar de Noordzee.

Archeologen hebben Flevum in de vroege jaren negentig geïdentificeerd met de Romeinse vlootbasis die is opgegraven bij de Wijkertunnel. Daar beheerste het fort de waterloop tussen het Flevomeer en de Noordzee die door fysisch-geografen wordt aangeduid als het Oer-IJ. Het varen op de open zee was, zoals Drusus had ontdekt, een riskante bezigheid, en daarom was Flevum voor de Romeinen erg belangrijk: hier werden uitvarende schepen klaargemaakt en binnenlopende galeien opgekalefaterd. Flevum was echter wel een geïsoleerde versterking, want het volgende fort, Fectio, lag 75 km verderop, even ten zuidoosten van Utrecht. De vlootbasis aan het Oer-IJ was dus kwetsbaar – en de Friezen wisten het.

Toen de revolte aan provinciegouverneur Lucius Apronius werd gemeld, selecteerde hij naast legionairs ook enkele eenheden hulptroepen – zowel infanterie als cavalerie – en daarmee zakte hij de Rijn af om de Friezen te bestrijden. De belegering van Flevum was echter al voorbij: de opstandelingen waren vertrokken om hun eigen gebied te verdedigen.

Ruim vijfhonderd loden slingerkogels die bij Velsen zijn opgegraven, stellen ons in staat de gevechten te reconstrueren. De projectielen kunnen worden verdeeld in drie groepen. In de eerste plaats zijn er normale kogels gevonden, die zo’n vijftig gram wegen en enigszins puntig zijn om diepere wonden te kunnen toebrengen. De tweede categorie bestaat uit ronde kogels die nooit zijn bijgepunt. Tot slot zijn er de duimkogels: haastproducten van zo’n vijftien gram die in een duimgroot kuiltje in het zand lijken te zijn gegoten. Als we de verspreiding van deze projectielen analyseren, ontdekken we hoe dicht de Friezen bij de overwinning zijn gekomen.

De beste kogels zijn gevonden ten noorden en ten zuiden van de basis, en dat bewijst dat daar de eerste aanvallen plaatsvonden. Het moet er hard aan zijn toegegaan – de gehele voorraad kogels werd gelost. Maar dankzij de stevige aarden wal en de drie grachten die het fort omgaven, waren de Romeinen voldoende in het voordeel om het uit te houden. Toch kropen ze door het oog van de naald, want er zijn ook kogels – merendeels uit de tweede categorie – gevonden in de noordelijke helft van het kamp, wat bewijst dat de Friezen de verdedigingslinie daar hebben weten te doorbreken.

Lang zal de strijd echter niet hebben geduurd, want er zijn geen brandsporen gevonden: de aanvallers hadden geen gelegenheid het kamp in lichterlaaie te steken. Skeletten met zwaardhouwen zijn evenmin opgegraven, wat suggereert dat de Friezen erin slaagden hun gewonden mee te nemen.

Een derde aanval werd uitgevoerd van over het water. Toen deze Friezen het fort bereikten, waren de Romeinen door hun echte munitie heen: langs de waterkant zijn vooral duimkogels gevonden. Zou deze aanval tegelijk met de andere twee zijn uitgevoerd, dan zouden de Friezen het kamp zeker hebben kunnen innemen. Maar de timing klopte niet.

De garnizoensoldaten moet blij zijn geweest toen ze vernamen dat gouverneur Apronius in aantocht was: de belegerden hadden de zege behaald. Maar het was kantje-boord geweest en de Romeinse commandanten besloten het afgelegen Flevum te ontruimen. Het moet in grote haast zijn gebeurd, want de man die tijdens de strijd om een of andere reden in de waterput was gevallen, kreeg nooit een fatsoenlijke begrafenis. Het is maar wat je ‘het veld van eer’ noemt.

Alvorens het gebied langs het Oer-IJ te ontruimen, dienden de Friezen echter duidelijk te worden gemaakt dat Rome nog steeds oppermachtig was. De vijanden mochten niet het gevoel krijgen dat ze hadden gewonnen – ze moesten in diepe rouw worden gedompeld en moesten beseffen dat het onverstandig was geweest Flevum aan te vallen.

De slotakte was dan ook gruwelijk. Alle Friezen die tussen Oer-IJ en Rijn leefden, werden over de kling gejaagd. Een ruiterafdeling van pro-Romeinse Cananefaten, die woonden in het gebied tussen Rotterdam en Leiden, dreef de Friezen vanaf de Rijn naar het noorden. Apronius zelf trok vanaf Velsen naar het zuiden. Het was een woest veengebied en de Romeinen moesten dammen en loopbruggen aanleggen, maar uiteindelijk moeten de twee groepen elkaar in zicht hebben gekregen bij het huidige Hillegom. Daar matten de hulptroepen die uit het zuiden kwamen de Friezen af, waarna de legioenen de klus afrondden. De Friezen verkochten hun huid duur:

Snel rukten de soldaten van het Vijfde Legioen op, en in een fel gevecht schakelden ze hun vijand uit en maakten ze contact met de hulptroepen en de ruiterij. Omdat velen van hen gewond waren geraakt, waren hun eenheden danig verzwakt.

Dit was niet het enige gevecht dat plaatsvond in het Hollandse veenlandschap. Elders kwamen nog negenhonderd Romeinen om in wat Tacitus ‘het heilige woud van Baduhenna’ noemt. We hebben geen idee waar het is. Elders, op het landgoed van een Fries die ooit had gevochten in de Romeinse hulptroepen, belegerden de Friezen een groep van vierhonderd mensen – we weten niet of het gaat om Romeinen of pro-Romeinse Friezen. Deze groep lijkt het zo moeilijk te hebben gehad dat ze de voorkeur gaf aan collectieve zelfmoord.

Zo eindigde de zomer van 28: de Romeinen hadden hun fort in het land van de Friezen moeten opgeven. De tactische overwinning die ze bij Flevum boekten, was in feite een strategische nederlaag: ze hadden de Friezen niet kunnen weerhouden van het bereiken van hun krijgsdoel – onafhankelijkheid. De prijs die de bewoners van het kustgebied hadden moeten betalen, was echter hoog geweest.

[In 2007 geschreven voor Vakidioot, het tijdschrift van de Utrechtse studentenvereniging A-Eskwadraat.]

3 gedachtes over “De slag bij Flevum/Velsen

  1. Michiel P

    “[O]erossen […] waren al een eeuw eerder uitgestorven. Dat wisten de Romeinen ter plaatse natuurlijk ook wel.”

    Is dit niet wat kort door de bocht? In de Middeleeuwen kwam de oeros nog voor in Europa. (De laatste stierf in 1627 in Polen.) Wisten de Romeinen überhaupt dat een diersoort kon uitsterven?

    http://en.wikipedia.org/wiki/Aurochs

  2. Michiel P

    “Uitgestorven” is op zijn minst verwarrend geformuleerd, als het beest elders in Europa nog voorkwam. Bovendien zijn die aanwijzingen er blijkbaar wél:

    “An almost complete skeleton of an aurochs was found in a terp in Britsum (Friesland), 15 km from Holwerd. It dates back to between AD 257 and 421. It was long thought that this was the most recent evidence of the aurochs that would be found, and that the aurochs had therefore become extinct in the Netherlands sometime in the fourth century AD. However, the horn core from Holwerd shows that the aurochs must have been grazing the Frisian meadows for at least another 150 to 250 years.”

    Bron: http://www.rug.nl/corporate/nieuws/kortNieuws/2008/Oeros

    Goed, dat is één skelet en één hoornkern. Ik heb de cijfers niet, dus misschien was de oeros inderdaad al ontzettend schaars in de Lage Landen. Een bijkomend probleem met het leveren van huiden van oerossen is dat die beesten niet gedomesticeerd waren en dus gevangen moesten worden.

    http://www.petermaas.nl/extinct/speciesinfo/oeros.htm
    http://members.chello.nl/~t.vanvuure/oeros/uk/lutra.pdf

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s