Libanese identiteiten (2)

De twee jaar geleden overleden Kamal Salibi geldt als Libanons belangrijkste historicus. Dat is niet om de boeken waarmee hij dacht te bewijzen dat de Joden oorspronkelijk afkomstig waren uit het zuidwesten van het Arabische Schiereiland. Hij was zeker geen antisemiet, maar wel iemand aan wie was voorbijgegaan dat goropiseren al een eeuw of vier, vijf geen wetenschappelijke methode meer is.

Veel belangrijker is Salibi’s als klassiek beschouwde boek A House of Many Mansions. The History of Lebanon Reconsidered. Verschenen in 1988, is het te lezen als een commentaar op de burgeroorlog en een schets van de voorwaarden waaraan moest worden voldaan om de vrede te herwinnen: namelijk dat de Libanezen erkenden dat ze één staat waren en dat ze hun eigen ontstaanslegenden eens kritisch bekeken. Alleen door afstand te nemen van het eigen, sektarische verleden, kon een Libanon ontstaan met een eigen identiteit – datgene wat het land bij zijn ontstaan rond 1920 niet had bezeten. De koloniale machten hadden toen immers grenzen geschapen, maar de mensen die daarbinnen leefden, herkenden zich niet als één groep.

Om er zeker van te zijn dat zijn landgenoten inderdaad eens kritisch naar hun geschiedenis en hun identiteiten zouden kijken, sloeg Salibi alle ontstaanslegenden aan gruizels. Eén van de slachtoffers van A House of Many Mansions is het arabisme, ofwel het idee dat de bewoners van Libanon gewone Arabieren zouden zijn. Dit idee was populair in de jaren twintig en ging dan hand-in-hand met het verlangen Libanon aan te laten sluiten bij Syrië. Het arabisme kan echter niet dienen als bindmiddel voor heel Libanon, omdat de daar levende christenen niet zoveel op hebben met de profeet Mohammed, van wie niet valt te ontkennen dat hij een van de sleutelfiguren is in de geschiedenis van de Arabieren.

Dat het arabisme als identiteit voor de Libanese christenen moeilijk aanvaardbaar is, is overigens ironisch. Het waren namelijk christenen die, in de achttiende eeuw, hun Arabische identiteit begonnen te benadrukken: een logische reactie op het feit dat de Ottomaanse overheid islamitisch was. Het oorspronkelijke arabisme was vooral een manier om aan te geven wat de bewoners van de Levant onderling verbond en onderscheidde van hun bestuurders.

Dat de christenen van Libanon deze ideeën niet zomaar konden overnemen, is omdat zij al een eigen kijk op het verleden hadden. De grootste christelijke groep van het land, de maronieten, beweerde dat zij al sinds de dagen van Sint-Maron de orthodoxe leer hadden aangehouden. Aangezien deze heilige leefde vóór de komst van de Arabieren, waren de maronieten dus eigenlijk afstammelingen van de voor-Arabische bevolking, de Feniciërs. Daarom stonden de maronieten traditioneel op voet van oorlog met de Arabieren, die hen de bergen in hadden gedreven. Dat de Libanese christenen Arabisch spraken, zou een latere ontwikkeling zijn geweest.

Niets van waar, toont Salibi aan: de maronieten behoorden tot de Jemenitische (en dus: Arabischsprekende) stammen die zich in de zesde eeuw vestigden in Syrië. Ze zijn overgegaan tot het christendom maar door de Byzantijnen – en dus niet door de Arabische moslims – verdreven naar de Libanese bergen. Ook al niet waar is dat de maronieten altijd orthodox zijn geweest: integendeel, ze bekeerden zich tot een variant op het christendom die monothelisme wordt genoemd, bleven een hekel hebben aan de Byzantijnse leiders en gingen tijdens de Kruistochten van de weersomstuit over tot de erkenning van het gezag van de paus. Maronieten, beweert Salibi, zijn dus Arabieren en staan niet vanouds op voet van oorlog met de moslims.

Zo slaat de historicus met de hamer – eindelijk eens een geschiedkundige die de eretitel werkelijk waard is – de zelfbeelden van de verschillende Libanese bevolkingsgroepen een voor een kapot. Niet alleen het arabisme en het idee dat de maronieten een rooms-katholieke exclave zouden zijn geweest, bezwijken onder de historische kritiek. Mochten de druzen hebben gedacht dat Fakhr al-Din Maan, een leider uit de zeventiende eeuw, of Bashir Shihab II, een negentiende-eeuwer, de natie als eersten hadden verenigd, dan helpt Salibi ze wel uit de droom.

Hij wijdt een apart hoofdstuk aan de theorie van de Vlaamse jezuïet Henri Lammens dat het bergachtige Libanon altijd een veilige toevluchtplaats was voor religieuze minderheden als de druzen, de maronieten en de sji’ieten. Hij bracht dit idee in 1921 naar voren, kort nadat de Fransen hadden besloten dat Libanon niet bij Syrië zou horen. In feite leverde Lammens dus de argumenten om Libanons onafhankelijkheid te rechtvaardigen. Ook dit idee blijkt, als Salibi het bewijsmateriaal doorneemt, onhoudbaar. Dat de Fransen Lammens vroegen de argumenten te leveren, illustreert overigens mooi dat ze zich realiseerden hoe kunstmatig Libanon was.

De enige groep die Salibi van geschiedvervalsing vrijspreekt, zijn de sji’ieten, aangezien in hun zelfbeeld de Slag bij Kerbala centraal staat. In hun heilsgeschiedenis is het niet zo belangrijk of ze Arabieren zijn of Libanezen.

Uiteindelijk kiest Salibi voor een vrij simpele oplossing van de vraag naar wat een Libanees tot een Libanees maakt. Hij constateert dat het land domweg een gegeven is: niemand stelt de grenzen nog ter discussie, iedereen erkent dat het land bestaat. Als er toch een eigenschap moet worden genoemd die het land een eigen karakter geeft, is het dat dit de plaats is waar de Arabische wereld, waar Libanon deel van uitmaakt, het meest open heeft gestaan voor invloeden vanuit de Europese cultuur.

Ik weet niet of ik dat overtuigend vind: het oogt als het internaliseren van de opvattingen van de kolonisator. Ik heb echter, zoals ik al beschreef, sowieso wat twijfels bij het idee dat het verleden bepalend is voor de identiteit van een natie. Ik bleef na lezing van A House of Many Mansions vooral achter met het idee dat de Libanezen meer geschiedenis hebben dan goed voor ze is.

3 gedachtes over “Libanese identiteiten (2)

  1. MNb

    Ziedaar een verschil tussen Libanon en Suriname. De enige bevolkingsgroepen (inderdaad, meervoud, want er zijn minstens zes verschillende categorieën die niet per definitie op goede voet met elkaar staan) met ontstaanslegenden zijn de indianen en die vormen al een eeuw of drie, vier een marginale bevolkingsgroep. Ze hebben de klim op de moderne maatschappelijke ladder nog later ingezet dan de bosnegers – eigenlijk pas sinds de burgeroorlog en dan nog niet allemaal.

    “het oogt als het internaliseren van de opvattingen van de kolonisator.”
    Ik denk dat dat onontkoombaar is. Onder alle Surinaamse bevolkingsgroepen is Coca Cola het populairste drankje, ze willen allemaal voetbal kijken en ze zijn allemaal dol op McDonalds. Het politieke systeem is een raar mengsel van het Amerikaanse, Franse en Nederlandse. De discussie over de officiële nationale taal is een perpetuum mobile: Nederlands, Surinaams of toch maar Engels? Enzovoort, enzovoort.
    Volgens sociologen nemen mensen nu eenmaal graag de attributen van de machthebbers over. Dat zijn tegenwoordig de VSA gevolgd door Europa. Salibi zou hier dus wel eens een sterk punt kunnen hebben.
    Wel weet ik vanuit mijn beperkte Surinaamse ervaring dat zulks het beste werkt niet middels klakkeloze imitatie, maar middels aanpassing van die attributen aan de traditie. Hoe dat in Libanon zou moeten, daar heb ik uiteraard geen flauw idee van.

    1. MNb

      Wat ik bedoel is: de ontstaansgeschiedenis van alle Surinaamse bevolkingsgroepen behalve die van de indianen is goed gedocumenteerd. Daar is geen gesteggel over.

Reacties zijn gesloten.