Geesteswetenschappen in oorlogstijd

Waarom hebben we geesteswetenschappen? Op die vraag bestaan evenveel antwoorden als geesteswetenschappen. Het vak waarover ik zelf het meest schrijf, de oudheidkunde, probeert de wereld van de Romeinen, Grieken, Joden en Babyloniërs te doorgronden om de verschillen tussen toen en nu te duiden en zo onze eigen ideeën beter te begrijpen. Wie literatuur bestudeert, doet dat om perspectieven en situaties te begrijpen waar wij minder vertrouwd mee zijn. Een volgende onderzoeker bestudeert de mythen waarmee de leden van een gemeenschap zich onderling verbinden. Andere onderzoekers hebben weer andere doelen, maar samengevat gaat het doorgaans minder om het verklaren dan om het begrijpen, of, radicaal geformuleerd: het gaat niet om het object maar om het subject.

Bedreigde geesteswetenschappen

Zelfkennis is belangrijk, maar desondanks liggen de geesteswetenschappen onder vuur. Overwegend (maar niet uitsluitend) rechtse politici hebben al lang geleden ontdekt dat er publicitaire en electorale winst valt te behalen met schoppen tegen de humaniora. Een deel van de verklaring zal zijn dat sommige uitkomsten ongewenst zijn. Als geesteswetenschappers tonen dat zaken als nationalisme en het prijsmechanisme sociale constructen zijn, ontstaat zicht op alternatieven voor als vanzelfsprekend gepresenteerde nationale of economische noodzakelijkheden, en kunnen politici zulke noties niet langer gebruiken om het electoraat te mobiliseren. Het helpt bovendien niet dat geesteswetenschappers – websites als Neerlandistiek niet te na gesproken – zich zo onthutsend slecht uitleggen. En onbekend maakt onbemind maakt kwetsbaar.

Lees verder “Geesteswetenschappen in oorlogstijd”

Faits divers (13)

De uitbarsting van de Hoge Vuursche, die Houten veranderde in het Pompeii van Utrecht

In de reeks faits divers deze keer: eerst de flauwekul en daarna de leuke dingen.

Flauwekul

Het begint in deze onregelmatig verschijnende rubriek een traditie te worden: uitleggen wat er afgelopen week niet klopte in de archeologie van Israël. Het gaat over de opgraving van Gath, waar de Filistijnen, zo lezen we, … nou ja, leest u verder. Het enige nieuws is dat het botanisch materiaal is geïnventariseerd. Gewoon, wetenschappelijk werk. Niks bijzonders. Sommige planten blijken hallucinerend te werken en – presto – dat is religieus. Volgens deze redenering zouden de bewoners van elke Nederlandse of Belgische boerderij waar alruin, doornappel of bilzekruid wordt gevonden, dus eveneens hallucinerend door het leven gaan.

En omdat archeologen ook hallucinatie-opwekkende planten hebben opgegraven in Griekenland, moeten de Filistijnen dus Griekse goden hebben aanbeden. En dat moet wel een moedergodin zijn, die de onderzoekers meteen maar gelijkstellen aan Hera, Artemis, Demeter en Asklepios. Ik ben niet op de hoogte van werkelijke aanwijzingen dat de Mykeense Grieken een moedergodin aanbaden, maar waarom zou een wetenschapper nadenken over bewijs als hij de conclusie al kent?

Lees verder “Faits divers (13)”

De misbruikte Oudheid

Gisteravond mocht ik in de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman mijn boek Oudheidkunde is een wetenschap ten doop houden. Het was leuk, want ik zag enkele oude bekenden terug en ik ontmoette enkele nieuwe mensen (die ik soms al kende van deze blog). Robert Nouwen, de auteur van Ambiorix tegen Caesar, en ik verzorgden twee lezingen over de feitenvrije wijze waarop de politiek en de erfgoedsector omgaan met de Oudheid. In België is bijvoorbeeld eerder deze maand wat ophef om uitspraken van de rechtse politicus Filip De Winter, maar we mogen ook denken aan de Antwerpse burgemeester Bart De Wever en prietpraat over Caesar bij een project als Via Belgica.

Misinformatie en misbruik van het verleden zijn onder meer mogelijk doordat wetenschappers hun inzichten niet voldoende uitleggen en onvoldoende breed zijn geschoold. Robert sprak daarover als eerste. Zijn betoog was mooi doortimmerd en plaatste het onderwerp in de bredere wetenschappelijke discussie. Die tekst leest u hier. Mijn verhaal was meer vanuit mijn praktijk als blogger en Oudheid-uitlegger. Ik plaats het hieronder en de trouwe volgers van deze blog zullen veel van wat ik vertel, al kennen.

Lees verder “De misbruikte Oudheid”

Israël en de Palestijnse gebieden (1)

Beth Shean, een van de opvallendste opgravingen van Israël

Archeologen werken overal, maar er zijn gebieden die wat meer in de belangstelling staan dan andere. Een daarvan is de regio die ik maar even “Israël en de Palestijnse gebieden” zal noemen. De relatie tussen tekst en vondst staat daar het meest op scherp. Dat is interessant. Los daarvan zijn daar mensen die menen dat de zionistische claim op het land onderbouwd dient te worden met zionistische archeologie. Voor de goede orde: daar is archeologie niet voor en het hoeft bovendien helemaal niet aangezien Israël is erkend met internationale verdragen. Maar boeiend is dat misbruik van de geschiedwetenschap wel.

Dat brengt ons, nu we dat wat politiek is hebben gescheiden van dat wat interessant is, bij de vraag wat er in Israël en de Palestijnse gebieden zoal valt te zien.

Lees verder “Israël en de Palestijnse gebieden (1)”

Een militaire geschiedenis van Bar Kochba

Judea, zomer 132 na Chr.: de Joden komen in opstand tegen de Romeinen. Gouverneur Tineius Rufus verliest zijn greep op de situatie en pas drie jaar later is Rome de situatie opnieuw meester. Deze opstand, het onderwerp van Bar Kokhba van de Amerikaanse krijgshistoricus Lindsay Powell, is minstens zo belangrijk als de eerdere opstand van 66-70 na Chr., die echter veel bekender is omdat er meer bronnen over zijn.

Bar Kochba, zoals de opstandelingenleider zich noemde, betekent “sterrenkind”. Net als de Ster van Bethlehem verwijst deze nom de guerre naar Numeri 24.17, dat de opkomst van “een ster uit Israël” voorspelt. Die gold als symbool van de messias, de heerser uit het Huis van David die de zelfstandigheid van Israël zou herstellen en de heerschappij van minder legitieme vorsten zou beëindigen. De invloedrijke joodse leider Aqiba zag in Bar Kochba de vervulling van de voorspellingen.

Lees verder “Een militaire geschiedenis van Bar Kochba”

Mleeta

De plaats waar de zionistisch-imperialistische ambities worden begraven

Vrijwel onmiddellijk nadat in 2012 in het Bulgaarse Burgas bij een aanslag zes joodse toeristen waren gedood, beschuldigden de Amerikaanse en Israëlische autoriteiten de Hezbollah. Dat was een onverwachte claim, want de sji’itische strijdgroep uit Libanon laat zich erop voorstaan een professioneel leger te zijn dat onschuldige burgers met rust laat. Het zonder aanziens des persoons vermoorden van joden is meer iets voor Hamas en nationaalsocialisten. Toen het onderzoek naar de aanslag enkele maanden later werd afgesloten, bleef de oorspronkelijke conclusie echter gehandhaafd: Hezbollah had het gedaan. Dat kan juist zijn maar ik zou er ook niet van opkijken als nog eens wordt ontdekt dat met het bewijsmateriaal is gerommeld. Ik heb geen mening.

Waar ik daarentegen wel een uitgesproken mening over heb, is dat Hezbollah geen frisse organisatie is. Het is een terreurgroep. Met vertakkingen in de drugshandel. Wie tegenwoordig door de zuidelijke Bekaavallei reist of door het zuiden van Libanon, ziet elegante huizen, gefinancierd met drugswinsten. Onfris. Ik zie ook de grap niet van de verkoop van Hezbollah-t-shirts aan toeristen (al ben ik niet zo humorloos dat ik niet moest grinniken om de verkoper die ze in Baalbek aanbood met een welgemeend “sjaloom”). Verder vind ik mokken met het portret van leider Hassan Nasrallah alleen geschikt voor het drinken van bier, wijn en andere spiritualiën.

Lees verder “Mleeta”

Het proactieve Masada-stukje

Masada

Volgende week houdt Donald Trump tijdens zijn staatsbezoek aan Israël een toespraak in Masada, een fort dat de Romeinen ooit hebben belegerd. Aangezien de media een toespraak door de president van de Verenigde Staten laten afhandelen door de redactie buitenland en niet door de wetenschapsredactie, mogen we aannemen dat een berucht kwakhistorisch verhaal kritiekloos zal worden gereproduceerd: dat de Romeinen te Masada een einde maakten aan het laatste Joodse verzet.

Maar zo simpel is het niet. Bij wijze van voorwaartse verdediging tegen de naderende desinformatie: wat weten we wél over Masada?

Wat was Masada?

Masada was een op een rotsplateau gelegen paleis-fort van koning Herodes de Grote, die kort voor onze jaartelling regeerde over Judaea. In het jaar 66 na Chr., toen het (inmiddels door Rome geannexeerde) gebied in opstand kwam, bezette een groep Sicariërs Masada. Nadat een poging ook de macht in Jeruzalem over te nemen was uitgelopen op een debacle, hielden zij zich verder afzijdig van de grote opstand tegen de Romeinen.

Lees verder “Het proactieve Masada-stukje”

Israëlische archeologie

Jeruzalem, “Large Stone Structure”: dit is vrijwel zeker niet het paleis van koning Salomo, maar dat roeptoeteren archeologen wel de wereld in.

Oudheidkundige discussies hebben doorgaans niet zoveel betekenis, maar er zijn uitzonderingen. Eén daarvan is het maximalisme/minimalisme-debat, dat gaat over het relatieve gewicht van de literaire overlevering en de archeologische vondsten. Er zijn allerlei punten waar die twee soorten bewijsmateriaal elkaar tegenspreken: de aanwezigheid van Caesar in Brittannië is alleen bekend uit teksten en niet uit vondsten, de ruïnes van het antieke Ekbatana lijken in niets op de zeven muren die daar moeten staan volgens de antieke beschrijvingen.

Dit is, bij asymmetrisch bewijsmateriaal, alleen maar te verwachten, maar het creëert wel problemen. Laat je op zo’n moment de geschreven teksten prevaleren of de afwezigheid van de vondsten? Anders gezegd: is je standpunt dat een tekst betrouwbaar is, tenzij je vondsten het tegenspreken, of ga je er pas van uit dat een tekst betrouwbaar is als ze door de vondsten is bevestigd? Het eerste standpunt staat bekend als maximalisme: je veronderstelt een maximale betrouwbaarheid van de teksten. Het tegengestelde is minimalisme.

Lees verder “Israëlische archeologie”

Zionistische archeologie

Jeruzalem

Het berichtje was even onopvallend als curieus: de grafkamer van de Joodse koning Herodes, waarvan Israëlische archeologen vijf jaar geleden met veel bombarie de ontdekking aankondigden, bleek bij nader inzien geen graf te zijn. Het gebeurt niet vaak dat men in Israël een archeologische vergissing erkent.

Er is daar namelijk iets vreemds aan de hand met de archeologie. Neem de huidige opgraving in Khirbet Qeiyafa, een heuvelfort uit de Vroege IJzertijd dat uitziet over de Vallei van Elah: de plaats waar David zou hebben gestreden met Goliath. Ik schrijf ‘zou hebben gestreden’, want de heldendaad wordt in de Bijbel ook toegeschreven aan een zekere Elhanan (2 Samuël 21.19). Aangezien men in de Oudheid de neiging had bijzondere daden toe te schrijven aan beroemde mensen, is het aannemelijker dat Elhanan dan David de eigenlijke held geweest. Dat weet elke oudheidkundige, dus ook de opgravers van Khirbet Qeiyafa.

Lees verder “Zionistische archeologie”

1948 (2)

 

Kogelgaten uit 1948

[Dit is het tweede van drie stukjes over Benny Morris 1948. A History of the First Arab-Israeli War; het eerste is hier.]

De oorlog van 1948 had een lange voorgeschiedenis. Het geweld tussen de Joodse en Arabische bevolking van Palestina was al in 1913 – dit jaar een eeuw geleden – voldoende ernstig om de wederzijdse leiders te laten onderhandelen over manieren om het te bedwingen. Het leverde weinig op en in 1937 concludeerden de Britten dat het mandaatgebied Palestina onbeheersbaar was. Het beste kon het worden verdeeld, waarbij alleen de corridor van de kust naar Jeruzalem in Britse handen zou blijven.

Na de Tweede Wereldoorlog werd dit plan in aangepaste vorm overgenomen door de Verenigde Naties. Het Britse mandaat zou aflopen in mei 1948. De zionisten accepteerden het delingsverdrag onmiddellijk, terwijl de Arabische leiders het afwezen en ertoe opriepen de Joden met geweld de zee in te drijven.

In de winter van 1947/1948, toen de Britten bezig waren zich terug te trekken, laaide het geweld tussen de bevolkingsgroepen op. Je moet hierbij niet alleen denken aan vetes tussen Arabische en Joodse dorpen, maar ook aan aanvallen op de Britten, over wie Morris met merkbare bewondering schrijft. Ze konden het bij geen van de strijdende partijen nog goed doen, maar bleven het desondanks proberen.

Lees verder “1948 (2)”