Iraans anti-amerikanisme

Muurschildering in Teheran
Muurschildering in Teheran

Toen ik in 2004 voor het eerst in Iran kwam, was er een detente in de Amerikaans-Iraanse betrekkingen. De VS hadden Saddam Hussein, waartegen Iran een achtjarige oorlog had gestreden, in een handomdraai uitgeschakeld en de geïmponeerde Iraniërs noemden de Amerikaans president liefdevol George Dubya. In de bioscopen van Teheran draaiden films van Arnold Schwarzenegger en een ‘grand bargain’ leek in de maak.

Achteraf naïef. Bush Jr had Iran al bij de ‘Axis of Evil’ ingedeeld en zo de voorwaarden voor vriendschap vakkundig om zeep geholpen. President Ahmedinejad hielp zijn land even vakkundig in het isolement. Ik las laatst dat Ahmedinejads geloof te leven in de Eindtijd was geïnspireerd door Bush’ apocalyptiek en hoewel ik dat niet kan controleren, leken de twee griezelig veel op elkaar.

Voor mijn werk ben ik na 2004 elk jaar wel een keer in Iran geweest. Dat maakt me bepaald niet tot Irandeskundige, maar ik heb wel een vermoeden van wat het betekent als een land geïsoleerd raakt. De KLM heeft bijvoorbeeld geen rechtstreekse vluchten meer naar Teheran en de bankenboycot dwingt me mijn huidige reis – ik schrijf dit in Shiraz – contant te betalen. Die kleine ongemakken zijn natuurlijk niets vergeleken met wat de bevolking heeft meegemaakt. De Iraniërs leken de laatste jaren iets van hun zelfvertrouwen te verliezen. Twee jaar geleden vertrouwde een vrij hoge geestelijke me toe dat hij altijd had geloofd in de islamitische republiek maar was gaan twijfelen.

De goede man is een paar maanden geleden overleden. Hij heeft de verkiezing van president Rouhani en het begin van de onderhandelingen over het Iraanse nucleaire programma nog meegemaakt, maar zal niet meer hebben gezien hoe ingrijpend de veranderingen sindsdien zijn geweest. In de grote steden zijn al meer toeristen dan ooit.

De goedopgeleide stedelingen die ik spreek – niet representatief voor het Iraanse volk overigens – lijken er al rekening mee te houden dat de twee regeringen dit keer een overeenkomst gaan bereiken. Iemand opperde dat Iran de kant zou kunnen opgaan van China, dat zijn communistische vormen heeft behouden maar eigenlijk kapitalistisch is. Een in naam islamitische maar in feite kapitalistische republiek lijkt mij in elk geval denkbaar. Het leger is al een van ’s lands grootste ondernemers en een klasse van nieuwe rijken is er eveneens.

Niet iedereen is enthousiast. Op een toeristische plaats zag ik een affiche met een in Borat-Engels geschreven citaat van Imam Khomeini:

The world should know that all Iran and muslims problems are due to the politics of aliens Of the USA. Muslims generally hate Alies and specially hate USA.

Het is een uiting van een anti-Amerikanisme dat ik de afgelopen jaren, op wat plichtmatige, routinematig en vooral fantasieloze herhalingen na, nauwelijks heb gezien. Zelfs de slogans en graffiti op de buitenmuur van de voormalige Amerikaanse ambassade bladderden af. Maar nu is het anti-Amerikanisme in het straatbeeld terug.

Het affiche hierboven zag ik in Teheran. De rechtse persoon, met zijn uitgestoken hand, hoef ik niet aan u voor te stellen. De linkse is Yazid, de aanvoerder van de Umayyadische troepen tijdens de slag bij Kerbala in 680. Sjiieten rouwen nog elk jaar om die gebeurtenis, waarin imam Hussein om het leven kwam. Vrijwel alle Iraanse vrachtwagens hebben grote stickers waarmee de gesneuvelden van Kerbala als beschermheiligen worden aangeroepen: ‘Ya Abolfazl’, ‘Ya Hossein’. Mogelijk is de anti-Amerikaanse campagne van Rouhani’s tegenstanders een achterhoedegevecht, maar ze appelleren in elk geval aan een gebeurtenis die veel Iraniërs na aan het hart ligt.

[Mijn wekelijkse religiecolumn, afgelopen maandag op Sargasso.]