10 jaar Livius Nieuwsbrief (1)

Zo’n tien jaar geleden ben ik begonnen met de Livius Nieuwsbrief, waarin ik elke maand het nieuws over de Oudheid verzamelde dat online was te vinden. Er zijn wel eens extra afleveringen geweest, bijvoorbeeld toen in 2012 in Thuin een belangrijke ontdekking werd gedaan, die de vaktheorie vooruit leek te gaan brengen. Ik heb ook wel eens een maandje overgeslagen, maar aanstaande dinsdag verschijnt aflevering 121 en dan ben ik er ruwweg tien jaar mee bezig.

Oneigenlijk gebruik

Ik maakte de nieuwsbrief aanvankelijk omdat ik overzicht wilde hebben van mijn vakterrein en zo de Livius.org-website actueel kon houden. Al snel raakte ik echter gefascineerd door de wijze waarop het nieuws werd gemanipuleerd en begon ik de nieuwsbrieflezers te attenderen op de wijze waarop de oudheidkunde werd misbruikt voor politieke of religieuze doeleinden. De laatste tijd zijn daar de persberichten bij gekomen die wetenschappelijk falen moeten toedekken, zoals onlangs rond het “Vrouw van Jezus-fragment”.

Er zijn meer vormen van oneigenlijk gebruik. Menig onderzoeker vindt het normaal – of anders een vergeeflijk soort fout – om via de pers naar fondsen te hengelen. Het komt ook voor dat onderzoekers de populaire media gebruiken om gelijk te halen als hun denkbeelden door hun collega’s niet zijn aanvaard. En tot slot: de onvermijdelijke doctor Zahi Hawass illustreert, zij het in extreme vorm, hoe onderzoekers publiciteit gebruiken tot meerdere eer en glorie van zichzelf.

Waar het wel om gaat? Heel simpel: de wetenschapsvoorlichting zorgt ervoor dat de samenleving (u dus) beschikt over actuele wetenschappelijke inzichten en informatie over de methoden. Wetenschapsvoorlichting dient geen politiek, geen religie, geen gewin, geen loopbaan.

Weerbarstige praktijk

In de praktijk blijkt dat lastig en als er één ding is dat ik de afgelopen tien jaar heb geleerd, dan is het dat het beeld van de slordige journalist die er een puinhoop van maakt, niet klopt. Niet dat wetenschapsjournalisten en wetenschapscommunicatoren foutloos zijn, maar ze zijn aangewezen op de informatie die ze krijgen, en als het mis gaat, zit het probleem vaak daar al. Ook wetenschappers die serieus werk maken van het informeren van de samenleving, willen het belang van een nieuw inzicht wel eens overdrijven, bijvoorbeeld vanuit de aanname dat je het publiek alleen bereikt als je een “grote naam” kunt noemen. Zo probeerde het team in Amfipolis vorig jaar een indrukwekkend graf in verband te brengen met Alexander de Grote, maar men klopte de verwachtingen daarmee zo hoog op, dat het wel moest uitlopen op een deceptie. Inmiddels spreekt men van een fiasco. Dat was te vermijden geweest. Het omgekeerde komt ook voor: er zijn onderzoekers die, juist omdat ze niet willen overdrijven, te weinig aangeven hoe een bepaalde conclusie het grotere onderzoek steunt. Dat is iets sympathieker dan overdrijving, maar zal bij veel doelgroepen de vraag oproepen waartoe het onderzoek dan dient.

En misschien de ergste fout: schijnzekerheden bieden. Terwijl de waarde van de oudheidkunde voor een belangrijk deel ligt in het nadenken over datgene waarover je geen informatie krijgt, doen onderzoekers zich in het openbaar heel zelfverzekerd voor. Die schijnzekerheden beginnen op te vallen: de identificatie van een ruïne in Israël als een paleis van koning David was zelfs de EO te gortig. Het simpele punt is dat de bestudering van de Oudheid vaak saai is, dat dat helemaal niet erg is, dat niemand méér verwacht, en dat het antwoord op de saaiheid, heel simpel, is dat de onderzoeker in het openbaar net zo hard twijfelt als bij zijn collega’s en dat hij de methodische problemen uitlegt. Zo toont hij wat het is om om te gaan met gebrek aan informatie en draagt hij over waar het om draait.

Voor ik voor vandaag afrond, nog één vraag: is oneigenlijke of ondeskundige voorlichting nou echt erg? Is zo’n Zahi Hawass geen onschuldige folklore, is het niet vergeeflijk om via overdreven persberichten naar fondsen te hengelen?

Dat zou waar zijn als wetenschap een gewone menselijke onderneming was, maar dat is ze niet. Ze zoekt (met alle kentheoretische slagen om de arm) de waarheid. Als wetenschappelijke persberichten niet in orde zijn, zijn ze niet alleen misleidend, maar wordt ook het vertrouwen ondermijnd in de wetenschappers als waarheidszoekers. En laat dat vertrouwen nu net van vitaal belang zijn voor de wetenschap.

[Wordt zondag vervolgd]