MoM | De lachende rechtsgeleerde

Portret van een Romeinse rechtsgeleerde, tweede kwart derde eeuw n.Chr., mogelijk Julius Paulus (Palazzo Massimo, Rome)

Als alles naar wens gaat, begin ik deze week in Leeuwarden aan het project waarover ik al schreef. Ik hoor vandaag of ik in juni/juli woonruimte heb in die stad. Voor augustus lijkt het te zijn geregeld en dan kijk ik zelfs uit over de roemruchte Bonkevaart. Toen ik dat een vriendin vertelde en grapte dat ik nu natuurlijk wel hoopte op een Elfstedentocht, wierp die serieus tegen dat dat niet snel zou gebeuren in augustus.

We herkennen allemaal weleens een grapje niet. Het is inherent aan onze communicatie: we hebben nu eenmaal niet allemaal dezelfde voorkennis en esprit, waardoor misverstanden ontstaan. Dat is helemaal niet erg, maar deze onzekerheid is de natuurlijke habitat van de oudheidkundige die zich met antieke teksten bezighoudt.

Neem de Romeinse wet tegen overspel, de Lex Julia de Adulteriis Coercendis, die voorschreef dat veroordeelden dienden te worden gedeporteerd naar een eiland. Toen de derde-eeuwse rechtsgeleerde Julius Paulus die wet becommentarieerde, schreef hij bij deze bepaling dat de overspeligen wel moesten “worden gestuurd naar verschillende eilanden” (dummodo in diversas insulas relegentur). Alleen een vreselijke zuurpruim zal hier niet om grinniken, maar de vraag is natuurlijk of dat ook de intentie was van de auteur.

Je kunt dit vraagstuk benaderen op twee manieren. Allereerst is er de zogeheten “paradigmatische uitleg” waarover ik al eens eerder schreef: we kunnen kijken of de woorden ook elders zijn gebruikt, in een duidelijker verband. Vroeger gebeurde zulk onderzoek met woordenboeken, tegenwoordig met digitale databanken, waarmee in weinig tijd meer teksten dan ooit kunnen worden beoordeeld. (Tussen haakjes: hier is dus gewoon sprake van wetenschappelijke vooruitgang. Ik word er altijd wat moe van als mensen beweren dat in de humaniora de waarheid niet bestaat – ze kan wel degelijk worden benaderd.)

Je kunt met een uitgebreid woordenboek of een databank ook vaststellen in welke contexten woorden het meest worden gebruikt. Een auteur als Herodotos wil bijvoorbeeld nog weleens de lachers op de hand krijgen door woorden te gebruiken die alleen bekend zijn uit komedies en die totaal niet passen bij de beschreven situatie. Een voorbeeld is de briefwisseling tussen koning Darius en koning Idanthyrsos, waarin de laatste de eerste toevoegt dat hij iets zal betreuren, maar daarbij twee woorden gebruikt die beter zijn te vertalen als dat ’ie de pot op kan.)

Helaas zijn de woorden van Julius Paulus niet bijzonder genoeg om ons veel verder te helpen. Een andere benadering staat bekend als “syntagmatisch”: we kijken naar de onmiddellijke context. Dat levert helaas ook niet veel op. Paulus’ commentaar is weliswaar geen tekst waarin je humor verwacht, maar juist doordat die verwachting wordt doorbroken, zie je de kwinkslag niet aankomen en is ze effectiever. Het Herodotos-voorbeeld illustreert ook dit: je verwacht in de correspondentie tussen gekroonde hoofden geen grappen.

De taalkundige tekstuitleg staat hier op een dood spoor en het is alleen doordat we weten dat de antieke juristen wel vaker speels met hun vak omgingen – zie het stukje van gisteren – dat we mogen concluderen dat Paulus zijn woorden heeft geschreven met een stevige grijns op zijn gezicht.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

6 gedachtes over “MoM | De lachende rechtsgeleerde

  1. FrankB

    “We herkennen allemaal weleens een grapje niet.”
    Misschien deed je vriendin maar alsof ze serieus was? Dat is een truc die ik nog wel eens wil uithalen.

    “Ik word er altijd wat moe van als mensen beweren dat in de humaniora de waarheid niet bestaat – ze kan wel degelijk worden benaderd.”
    Maak je nou opzettelijk een grapje? Want eigenlijk spreek je jezelf tegen ….. wat heeft het voor zin om over “waarheid” te spreken als we haar alleen maar kunnen benaderen, maar nooit bereiken? Met Wittgenstein zeg ik: waarover men niet kan spreken dient men te zwijgen!
    Zo, nou mag jij lekker gaan uitzoeken in hoeverre ik serieus ben en in hoeverre niet. Wie weet was Julius Paulus ook lekker dubbelzinnig bezig.

  2. A. Harmens

    Misschien is het als grapje bedoeld, maar is het ook zo begrepen door tijdgenoten? Sententiae van Paulus staan in het Breviarium van Alaric en de Digesten van het CIC. Zijn er commentaren van andere Romeinse rechtsgeleerden op de Lex Julia?

  3. jan kroeze

    waarachtige waarheid is iets wat mij absoluut niet ligt, een benadering van een dergelijk fenomeen is prima.

  4. Toevallig las ik zelf laatst een Latijnse tekst waarbij ik me afvroeg of de auteur een grapje maakte. Het gaat om het theater dat Scipio Nasica in 153 BCE liet afbreken omdat het “inutile et nociturum publicis moribus”, oftewel nutteloos en schadelijk voor de publieke zeden zou zijn. De excerptor van Livius (Boek 48) voegt eraan toen: “populusque aliquamdiu stans ludos spectavit”, oftewel “het volk moest enige tijd staand de voorstellingen volgen”. Ik moest grinniken, want de voorstellingen gingen kennelijk gewoon door, theater of niet. In dat licht is de opmerking als een ironische sneer in de richting van Scipio te beschouwen: juist zijn eigen maatregel was nutteloos. Maar of de auteur dat bedoeld heeft, ik kan het niet bewijzen…

      1. Precies daarom kan ik me zo goed voorstellen dat de excerptor zich even liet gaan. Na het samenvatten van al die droge en moralistische kost had hij even behoefte aan een kleine uitspatting.

Reacties zijn gesloten.