Zosimos’ staatsleer

De oude goden waren voor Zosimos reëel (detail van de Elgin Marbles, British Museum)

Ik heb op deze plek al eens eerder verteld over Zosimos, de Byzantijnse auteur die in feite de eerste historicus is geweest van de Val van het Romeinse Rijk. Aan het begin van de zesde eeuw beschreef hij hoe het wereldrijk werd bedreigd, hoe de bestuurders – de keizers Constantijn en Theodosius voorop – fout op fout stapelden en zo vrij baan gaven aan de barbaren.

Barbaren die eigenlijk zo heel barbaars niet waren. Een Alaric, die in 410 Rome belegerde, wilde vrede en bood alleszins redelijke voorwaarden aan de stad die hij blokkeerde, maar de burgers wezen die af. Als ze hun eed nooit te capituleren nou bij de goden hadden afgelegd, zeiden ze, hadden ze mogen rekenen op de goddelijke mildheid, maar ze hadden gezworen bij de keizer en dat was natuurlijk iets anders. Door dit antwoord werd de plundering van Rome onafwendbaar en voor Zosimos was dit het beste bewijs dat wie de oude goden verliet, alleen kon afstevenen op het allerergste.

Zosimos maakte er geen geheim van: hij was heidens. Meer dan dat, hij was een polytheïst, waarmee hij ook binnen de niet-christelijke wereld een ietwat ouderwetse visie had. De meeste mensen waren er in de Late Oudheid namelijk van overtuigd dat er slechts één god kon zijn. De vele oude bovennatuurlijke wezens waren slechts verschijningsvormen van die ene godheid. Zosimos meende echter dat er verschillende goden waren en dat dit ook goed was, aangezien elk zo zijn eigen beleidsterrein had en ze elkaar zo een beetje in evenwicht konden houden. Het pantheon als verzameling checks and balances.

Deze theologie vertaalt zich bij Zosimos in een bijzondere visie op het Romeinse keizerschap, die hij meteen aan het begin van zijn eerste boek aan zijn lezers presenteert. Hoewel hij niet klaagt over de regering van keizer Augustus, tekent Zosimos wel aan dat monarchie niet optimaal was.

Toen de Romeinen het staatsapparaat aan Augustus toevertrouwden, zo redeneert hij, waren ze zich er onvoldoende van bewust dat ze “alle verwachtingen en alle belangen van alle mensen” afhankelijk hadden gemaakt van iets dat leek op een dobbelsteenworp. Zelfs als een alleenheerser rechtvaardig en gematigd was, kon hij niet iedereen ter wille zijn, aangezien hij nooit alle grensgebieden, ver als die waren, adequaat kon beschermen. Eén man kon immers nooit overal voldoende goede en plichtsgetrouwe officieren aanwijzen.

Was het voor de ingezetenen met een goede keizer al lastig, het werd nog moeilijker als de vorst de grenzen van de keizerlijke macht overschreed en zich als tiran ging gedragen, de bestaande regelingen negeerde, misdaden beging, juridische uitspraken verkocht en zijn onderdanen behandelde als slaven. Iets wat, zoals Zosimos weet, vrijwel alle keizers hadden gedaan. Kortom, monarchie kon alleen maar leiden tot catastrofes.

Volgens de Zwitserse Zosimos-specialist François Paschoud, die ik hier volg, is deze staatstheorie in feite het commentaar van een polytheïst op het monotheïsme. Zoals één keizer niet voor alles tegelijk kan zorgen, zo kan één god niet overal tegelijk zijn. Het boeiende is nu dat de analogie tussen wereldlijke heerser en god helemaal niet heidens is. Ze is voor het eerst geattesteerd bij de christelijke auteur Eusebios. Het illustreert eens te meer hoe vloeiend de grenzen tussen heidendom en christendom waren.

15 gedachtes over “Zosimos’ staatsleer

  1. Nee, hij was realistisch: de republiek was niet meer haalbaar en het keizerrijk was gedoemd ten onder te gaan. Ik sluit niet uit dat hij zijn boek niet heeft afgerond omdat zijn pessimistische analyse hem duidelijk maakte dat geschiedschrijving vergeefse moeite was.

  2. Frans

    Daarnaast lijkt het me leuk om de gedachte even om te draaien: zou het feit dat ze eeuwenlang geregeerd zijn door één keizer, de Romeinen ontvankelijker hebben gemaakt voor het idee dat er één God is?

    1. Ik denk dat dat best waar zou kunnen zijn, ook omdat in alle vormen van monotheïsme altijd weer een middelaar bestaat: het Woord van God, de “kleine JHWH”, Christus. Een soort praetoriaanse prefect dus.

        1. Frans

          Of je moet Mohammed als zodanig zien. Geen regerend vorst, maar wel een schakel tussen mens en God.

    2. FrankB

      Moeilijk te zeggen, lijkt me. China en Japan hebben ook eeuwenlang één keizer gekend, maar erg monotheïstisch zijn de bewoners er niet van geworden. Dus een voldoende voorwaarde is het niet. Maar daarom kan het nog wel een noodzakelijke voorwaarde zijn.

  3. FrankB

    “de plundering van Rome onafwendbaar”
    Ter aanvulling: de plundering stelde niet zo heel veel voor vergeleken met wat de Romeinen zelf nogal eens uithaalden – zie bv. Carthago. De grootste schok betrof vooral de Romeinse eigendunk. Ze hadden zoiets al ruim zeven eeuwen niet meer meegemaakt.

    “en voor Zosimos was dit het beste bewijs dat wie de oude goden verliet, alleen kon afstevenen op het allerergste.”
    Wat dat betreft had hij gelijk; de volgende 150 jaar werd het er voor de stad niet beter op (voor Zosimus de komende paar decennia).
    Noemt Zosimus ook Augustinus van Hippo? Die schreef De Stad Gods immers om juist beweringen als die van Zosimos te ontkrachten.

    Ik vraag me af of Macchiavelli Zosimos heeft gelezen. In zijn Discorsi

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Verhandelingen_over_de_eerste_tien_boeken_van_Titus_Livius

    analyseert hij alleenheerschappij op soortelijke wijze.

  4. Robert Vermaat

    “Zosimos, de Byzantijnse auteur die in feite de eerste historicus is geweest van de Val van het Romeinse Rijk. ”
    Ik blijf hierop hameren. Ik blijf vinden dat voor iemand die (terecht) begaan is met de manier waarop wetenschappelijke informatie gepubliceerd wordt je formuleringen op dit gebied te populair zijn.
    Romeinse auteur.
    Val van het West-Romeinse Rijk.

    1. FrankB

      Bijna geheel eens, slakken met of zonder zout.
      Val suggereert onafhankelijkheid. Zo zagen ze het destijds niet. Ze zagen het Romeinse Rijk als een eenheid. Dat gold ook voor Koning Theoderik, hoe onafhankelijk hij zich naar onze maatstaven ook gedroeg.
      Daarom stel ik Verlies of Instorting voor. Want het centrale Romeinse gezag (dat vanaf dan in Constantinopel resideerde) had na het vroegtijdig pensioen van Keizer Romulus Augustulus in het voormalige West-Romeinse Rijk niets te vertellen tot de vestiging van het Exarchaat van Ravenna.

  5. Volgens mij kun je uit een door (o.a.) zowel Zosimos als Eusebios gebruikte analogie tussen wereldlijke heerser en God niet afleiden dat de grenzen tussen heidendom en christendom vloeiend waren. En sowieso was er geen aanleiding voor de gedachte dat een dergelijke analogie heidens zou zijn. Een analogie is immers niet meer dan een basis voor een redenering, die niet wil beweren dat de vergeleken zaken gelijk aan elkaar zijn maar die slechts een beweerdelijk logische stelling wil ondersteunen door een vergelijking te maken. Dus voor een christen is er niets op tegen een analogie van keizer en God te gebruiken, aangezien hij daarmee geenszins beweert dat die aan elkaar gelijk zijn.
    In een aantal blogs ben je de laatste tijd op het onderwerp van de vloeiende grens tussen heidendom en christendom ingegaan. Daarmee heb je me er van overtuigd dat er met name in de periode dat grotere aantallen Romeinen het christendom omarmden, velen dat maar half deden en tegelijk de oude goden bleven eren. Een sociologisch en historisch interessant gegeven. Maar voor de religies als zodanig heeft dit geen betekenis. Het duidt slechts aan dat onder hen die zich gelovigen noemden nogal wat mensen dat geloof maar half omarmden, en van twee walletjes aten. Zoals ook vandaag de dag sommige mensen zich christen noemen, maar als je zou doorvragen er blijk van geven een aantal fundamentele christelijke principes niet aan te nemen. Dat zegt wat over de diversiteit onder degenen die zich christen noemen. Maar het maakt het christendom als religie niet anders. Net als nu was het in de eerste eeuwen niet acceptabel om naast de ene God ook andere goden te eren. Wel zijn bepaalde theologische vragen onderwerp van fel debat geweest, en is er met betrekking tot die onderwerpen dus meer diversiteit geweest (en deels nog steeds), maar die onderwerpen hadden niet of nauwelijks van doen met het onderscheid tussen christenen en heidenen. Het ging dan over thema’s als de goddelijke natuur van Christus of de drie-eenheid.

Reacties zijn gesloten.