Munt van Vespasianus, voorzien van het getal 83; het gaat om oude munt die in Vandaals Andalusië is omgerekend naar een laatantieke muntstelsel (Bode-Museum, Berlijn)
Al een paar keer heb ik geschreven dat de Vandalen, komend vanuit Centraal-Europa, zich begin vijfde eeuw vestigden in Andalusië en in 429 na Chr. daarvandaan overstaken naar de Maghreb. Daar namen ze in 431 de havenstad Hippo Regius in om acht jaar later ook Karthago te veroveren en een eigen koninkrijk te stichten. Over het Vandaalse verblijf in Andalusië heb ik nooit echt geschreven, maar er zijn interessante dingen over te vertellen.
Eén vraag is bijvoorbeeld hoeveel mensen er nou eigenlijk naar Andalusië kwamen. Niet heel veel in elk geval. De Spaanse oudhistoricus Javier Arce houdt het op zo’n 50.000 mannen, vrouwen, kinderen, lijfeigenen, slaven en andere onvrije arbeiders. Op het Iberische Schiereiland woonden op dat moment zo’n zes miljoen mensen, dus het is niet vreemd dat de Vandaalse aanwezigheid geen sporen heeft achtergelaten.
[Dit is het laatste van vijf blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
Na 168 v.Chr. was Lycië (landkaart) weliswaar onafhankelijk, maar het behoorde wel tot de Romeinse invloedssfeer. Echt onafhankelijk was het niet. Het kreeg te lijden tijdens de Eerste Mithridische Oorlog (89-85), toen koning Mithridates VI van Pontos alle Romeinse bezittingen in Klein-Azië aanviel. Toen de oorlog voorbij was, reorganiseerde Rome de politieke landkaart. Diverse steden in het binnenland, zoals Oinoanda, hoorden voortaan bij Lycië. Faselis werd weliswaar nog een tijdje bezet door de Cilicische Piraten, maar die vormden geen partij voor de Romeinse generaal Pompeius de Grote, die in 67 v.Chr. het Nabije Oosten opnieuw reorganiseerde.
Een paar jaar later bezocht de Romeinse politicus Cicero Lycië en beschreef het gebied als een “Griekenland”. Dit suggereert dat de bovengenoemde fantastische verhalen inmiddels algemeen werden beschouwd als nauwkeurige beschrijvingen van de begindagen. De Romeinse politicus merkte ook op dat de Lyciërs, als ze aan het einde van hun toespraken zijn, dichtbij het zingen komen.nootCicero, Orator 18.57.
Deze Mithrasgroep uit Sidon toont dat de oude religie nog bestond in de laatste jaren van de vierde eeuw.
In Een kennismaking met de oude wereld noemen De Blois en Van der Spek de doorbraak van het christendom als een van de wezenlijke kenmerken van de Late Oudheid. Dat lijkt me correct, al zou het misschien beter zijn te spreken van de doorbraak van de orthodoxie. Christus had al heel lang talloze vereerders en zelfs degenen die Christus niet vereerden, ontkenden niet dat het ging om een van de vele bovennatuurlijke entiteiten. (Nu ik dit schrijf, vraag ik me af of degenen die de eerste christenen vervolgden, de aan Christus toegeschreven meer-dan-menselijke eigenschappen ontkenden. De Romeinen vervolgden ook joden, astrologen en Isisaanhangers en ik kan me niet herinneren gelezen te hebben dat de magistraten de goddelijkheid van Jahweh, de sterren of Isis in twijfel trokken.) Ook waren vrijwel alle heidenen in de vierde eeuw monotheïsten. Dus misschien moeten we die doorbraak van het christendom wat anders typeren.
Kerstening
Het proces dat zich in de vierde eeuw voltrok, was dat de monotheïsten steeds vaker hun ene god identificeerden met God de Vader en Christus als middelaar accepteerden. Het was minder ingrijpend dan wel wordt gedacht en de weerstand tegen het christendom was zo groot niet.
Munt van Constantijn de Grote, kort na de oorlog tegen Licinius: bovenaan Constantijns veldteken, op de banier de portretten van Constantijns drie zonen (Bodemusem, Berlijn)
In de vorige blogjes beschreef ik hoe keizer Constantijn sinds zijn visioen in 310 de zon was gaan vereren, maar open was gaan staan voor christelijke ideeën. De doorbraak zou weleens te maken gehad kunnen hebben met een oorlog tegen Licinius. Het was niet hun eerste conflict – u slaat mijn boek Het visioen van Constantijn er maar op na – maar het was wel het eerste dat Constantijn zou brengen naar gebieden met veel christenen: Klein-Azië, Syrië en Egypte. Door sympathie te tonen voor het christendom, kan Constantijn verdeeldheid hebben willen zaaien tussen zijn tegenstanders.
Ten oorlog
Feit is dat hij het initiatief tot de oorlog nam. Hij vaardigde het zojuist genoemde besluit van mei 323 uit in Sirmium op de Balkan, op weg naar het verwachte strijdtoneel, en bracht de winter door in Thessaloniki, waar hij een vloot bouwde. Zoals altijd opereerde zijn leger snel: in de lente van 324 viel hij Thracië binnen, het enige deel van Europa waar Licinius nog heerste. Na een gewonnen veldslag sloeg Constantijn in juli het beleg op voor Byzantium, terwijl zijn vloot, gecommandeerd door zijn zoon Crispus, de zeewegen blokkeerde. Licinius trok zich terug in Azië, werd daar opnieuw verslagen, vluchtte naar Nikomedeia, capituleerde en eindigde in verzekerde bewaring te Thessaloniki, waar Constantijn hem enkele maanden liet doden.
Het beslissende gevecht vond plaats bij de Milvische Brug, even ten noorden van Rome, waar de Via Flaminia de Tiber kruist. De datum: 28 oktober 312, op de kop af zes jaar na Maxentius’ staatsgreep. Een redenaar vertelde later, in het jaar 313, dat Maxentius de rivier overstak en zijn leger bevel gaf de troepen van Constantijn op te wachten met de Tiber in de rug. Deze riskante opstelling suggereert dat Maxentius de loyaliteit van zijn manschappen wantrouwde: hij liet hun geen mogelijkheid zich uit de strijd terug te trekken en dwong hen dapper te vechten. Vreemd is het niet, want Constantijn had de oorlog feitelijk op de Povlakte al gewonnen.
Een andere auteur, de historicus Zosimos, vermeldt dat de strijd losbarstte toen Constantijns ruiters Maxentius’ cavalerie versloegen en dat daarna de infanterie slaags raakte. Onder de verdedigers waren aarzelend vechtende soldaten uit Rome zelf, misschien inderhaast gelichte rekruten, terwijl andere troepen uit Maxentius’ leger juist fanatiek streden, maar geen partij waren voor Constantijns ervaren leger. Toen Maxentius zag dat de nederlaag zich aftekende probeerde hij over de rivier terug te keren naar de stad, maar hij verdronk toen de brug instortte. Zijn hoofd zou later, op een speer gestoken, door Rome worden rondgedragen. De redenaar die dit alles vertelt, wijst erop dat een echte vent om het leven zou zijn gekomen door het zwaard of de speer van een dappere krijger – Maxentius’ verdrinkingsdood bewees zijn lafheid.nootPanegyrici Latini XII(9).16.2-18.3; Lactantius, De dood van de vervolgers 44.8-9; Panegyrici Latini IV(10).27.5-31.4; Eusebios, Kerkgeschiedenis 9.9.1-7 ; Aurelius Victor, De keizers 40.23; Eutropius, Samenvatting 10.4.4; Afstamming van Constantijn 12; Zosimos, Nieuwe geschiedenis 2.16.2-17.1.
Kleio, de beschermgodin van de historische wetenschappen (Archeologisch Museum, Cherchell)
Oudheidkundigen, en dan vooral de wat meer op teksten gerichten onder hen, maken onderscheid tussen bronkritiek en tekstkritiek. Over het laatste heb ik al vaker geschreven: het is de bepaling van wat eeuwen geleden iemand op papyrus of perkament heeft gezet. De kritiek betreft de overlevering in de meestal middeleeuwse handschriften, meervoud, waarvan we de tekst niet zomaar kunnen aanvaarden maar eerst moeten toetsen. Daarbij passen filologen de Lachmannmethode toe. In de praktijk betreft het vooral Griekse en Romeinse teksten. Egyptische en spijkerschriftteksten zijn namelijk meestal op slechts een kleitablet of één papyrus zijn overgeleverd, zodat er weinig valt te vergelijken.
Bronkritiek
Bronkritiek is de vooral voor oudhistorici belangrijke volgende stap: is de informatie in een bron te herleiden tot een eerdere auteur? Dit is belangrijk, want die eerdere auteur stond dichter bij de beschreven gebeurtenissen en heeft vermoedelijk scherper zicht. Als de evangeliën van Marcus en Lukas elkaar tegenspreken, gaat de voorkeur uit naar Marcus, omdat hij de bron is van Lukas; Lukas geldt dan als “elimineerbaar”.
De oude goden waren voor Zosimos reëel (detail van de Elgin Marbles, British Museum)
Ik heb op deze plek al eens eerder verteld over Zosimos, de Byzantijnse auteur die in feite de eerste historicus is geweest van de Val van het Romeinse Rijk. Aan het begin van de zesde eeuw beschreef hij hoe het wereldrijk werd bedreigd, hoe de bestuurders – de keizers Constantijn en Theodosius voorop – fout op fout stapelden en zo vrij baan gaven aan de barbaren.
Barbaren die eigenlijk zo heel barbaars niet waren. Een Alarik, die in 410 Rome belegerde, wilde vrede en bood alleszins redelijke voorwaarden aan de stad die hij blokkeerde, maar de burgers wezen die af. Als ze hun eed nooit te capituleren nou bij de goden hadden afgelegd, zeiden ze, hadden ze mogen rekenen op de goddelijke mildheid, maar ze hadden gezworen bij de keizer en dat was natuurlijk iets anders. Door dit antwoord werd de plundering van Rome onafwendbaar en voor Zosimos was dit het beste bewijs dat wie de oude goden verliet, alleen kon afstevenen op het allerergste.
Een paar jaar geleden werd me duidelijk dat mijn website, Livius.org, verouderd begon te raken. Ik ben er midden jaren negentig mee begonnen en na tien jaar bleek dat de klassieke html niet de toekomst had. Het ding moest op de schop. Ik ben dus begonnen met het aanbrengen van een scheiding tussen fotografie en tekst. Later zijn beide delen overgezet naar een modern content management systeem. Dat moest handmatig gebeuren want de html-pagina’s waren nogal chaotisch. Ik had er 3653 te doen en daarvan zijn er inmiddels zo’n 3400 omgezet.
Wat nog niet is gedaan, zijn enkele pagina’s waar ook een Babylonische tekst te lezen valt. Die zijn nogal lastig. Evenmin gedaan zijn correcties, hoewel ik van talloze pagina’s weet dat er fouten in zitten. Aan beide problemen wordt gewerkt, maar ze staan even in de ijskast tot er wat technische toeters en bellen zijn toegevoegd.
Daar staat dan weer tegenover dat ik ben begonnen een Engelse vertaling van de Nieuwe geschiedenis van Zosimos online te plaatsen. Die was overigens al online, maar dat is een scan van een herdruk van een niet zo beste anonieme uitgave uit 1814, die weleens terug zou kunnen gaan op een vertaling uit de achttiende eeuw. De enige indeling die in die scan was aangebracht, was een pagina-verwijzing naar de 1814-uitgave. Ik breng nu, aan de hand van de Franse Budé-editie, hoofdstuk- en paragraafnummers aan. Ook controleer ik de eigennamen en nog zo wat zaken die bij het scannen slecht zijn doorgekomen.
Juist toen ik gisteren dacht dat ik even geen zin had om een stukje te schrijven, viel mijn oog op een pareltje dat ons is overgeleverd door én een van de redenaars uit de collectie die bekendstaat als de Panegyrici Latini én door de Zosimos over wie ik onlangs blogde. De eerste tekst is een toespraak uit het jaar 297 en staat bekend als “Redevoering VIII(4)”, wat wil zeggen dat het de achtste is in het manuscript en de vierde in chronologische volgorde. Als u het wil nazoeken: het is daarin paragraaf 18.3.
De redenaar vertelt over Frankische soldaten die door keizer Probus (r.276-282) in dienst waren genomen en, zoals gebruikelijk, waren ingezet in een gebied vér van hun thuisland: aan de Zwarte Zee. Een stad of fort noemt de spreker niet, maar het is bekend dat er een vlootbasis was in Trapezos, het huidige Trabzon, en ik verbeeld me dat het verhaal daar begint, al kan het evengoed zijn geweest in een van de havens van het huidige Bulgarije. In elk geval: de Franken waren niet heel gelukkig daar aan de Zwarte Zee en stalen wat schepen.
Portret van een man, eerste helft zesde eeuw (Glyptotheek, Munchen)
Een van de aardigste auteurs uit de Oudheid is Zosimos, een Byzantijnse historicus met een voor zijn tijd ongebruikelijke visie op het verleden. Op twee manieren. Om te beginnen was de Romeinse elite in de loop van de vierde en vijfde eeuw christelijk geworden maar bleef Zosimos hardnekkig trouw aan de oude goden. Hij heeft daardoor een uniek perspectief op de gebeurtenissen tussen pakweg 300 en 410. Daarmee verwant is zijn tweede bijzonderheid: hij had in de gaten dat het Romeinse Rijk in de late vijfde eeuw zwaar, zeer zwaar in de problemen was geraakt. Terwijl veel van zijn tijdgenoten meenden dat de teloorgang van de westelijke gebiedsdelen eigenlijk niet zoveel voorstelde omdat een christen vooral een burger was van het Koninkrijk Gods, zag Zosimos scherp dat er wél iets was veranderd. Hij was de eerste historicus van “the decline and fall of the Roman Empire”. Dat maakt hem interessant.
Maar wanneer leefde hij eigenlijk? Je leest weleens: tussen 498 en 518 publiceerde hij zijn Nieuwe geschiedenis. Maar ja, het is natuurlijk wel oudheidkunde, dus we hebben vanzelfsprekend te weinig informatie en in feite wordt weer eens hypothese op hypothese gestapeld. Het bewijs oogt in elk geval zwak.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.