MoM | Er is te weinig aandacht voor aardewerk

Scherven op de vlakte van Šahr-e Qumis (Hekatompylos)

In het eerste deel van dit stukje gaf ik aan dat er in musea nogal veel aardewerk ligt omdat het spul weliswaar breekbaar is maar niet goed kapot wil gaan. Het smelt, roest of brandt niet. Ook is keramiek betrekkelijk waardeloos, zodat niemand zijn leven riskeert om het uit een verbrande of verzwolgen nederzetting op te halen. Het grote aanbod van potten en scherven in de musea wil dus niet zeggen dat het materiaal is oververtegenwoordigd, maar dat andere vondstcategorieën zijn ondervertegenwoordigd.

Nee, er is nooit genoeg aardewerk

Er is ook een ander verhaal te vertellen. Keramiek is namelijk verdraaid informatief. Een van de eersten die dat begreep, was Heinrich Schliemann. In een tijd waarin esthetiek een belangrijke drijfveer was bij het oudheidkundig bodemonderzoek, zocht hij niet naar mooie sculptuur – al was hij niet afkerig van de mooie Helios uit Troje – maar begreep hij dat simpele voorwerpen een belangrijke bron van informatie konden zijn. De hoon die hij kreeg van de toenmalige, kunsthistorisch georiënteerde oudheidkundigen is nog altijd niet verstomd, maar Schliemann had wel gelijk. Het grauwe aardewerk dat hij vond in Orchomenos, Mykene en Troje IV deed hem bijvoorbeeld inzien dat deze nederzettingen gelijktijdig hadden bestaan. Zo ontdekte hij dat je aardewerk kunt gebruiken om chronologieën te bepalen.

Daarvoor wordt het nog altijd benut. Je hebt trechterbekers, touwbekers en klokbekers. Je hebt protogeometrisch, geometrisch, oriëntaliserend, zwartfigurig en roodfigurig aardewerk. Je hebt de stempels op de Romeinse terra sigillata, die soms tot op een decennium nauwkeurig zijn te dateren. Dit aspect komt in musea redelijk uitgebreid aan de orde.

Wat veel minder aan bod komt, is de natuurwetenschappelijke kant van antiek keramiek. Neem Griekenland: het is vrij makkelijk te zien dat aardewerk uit Athene mooi oranjerood is, dat keramiek uit Korinthe wat crèmekleurig is en dat Cypriotische vazen een zweempje groen hebben. De verklaring zit deels in de samenstelling van de klei, deels in de wijze waarmee de pottenbakkers de klei prepareerden en deels in de pottenbaktechniek.

Zulke dingen zijn in het lab goed uit te zoeken en zo vertelt één enkele scherf al snel buitengewoon veel over het technologisch niveau van een antieke samenleving. We kunnen bijvoorbeeld aan de hand van het glazuur vaststellen welke temperaturen haalbaar waren en zo een uitspraak doen over wat de collega’s van de pottenbakker konden doen – denk aan de smid of de glasblazer. Ik heb ooit bij de opening van het academisch jaar in het Amsterdamse Science Park de Oudheid chronologisch onderverdeeld aan de hand van het algehele technologische niveau en de tijdperken aangeduid als de Broodtijd, de Aardewerktijd, de Bronstijd, de IJzertijd en de Glastijd.

Aardewerk levert ook bewijs voor (ruil)handel. Ik herkende bijvoorbeeld een scherf met zo’n groenige zweem in het museum van – ik meen – Zadar en zag ineens hoe een kruik vanaf Cyprus naar Korinthe was vervoerd en daarvandaan weer naar Dalmatië. Je mag aannemen dat er ook wat koper van oost naar west zal zijn meegenomen en je kunt je afvragen wat er de andere kant op is getransporteerd. Of een ander voorbeeld, dichter bij huis: een kruik van type Dressel-20 in Nijmegen betekent dat er olijfolie is geïmporteerd vanuit Andalusië.

Nog een laatste observatie. In de periode vóór de Romeinen Gallië onderwierpen, zien we de verspreiding van Italisch aardewerk over wat nu Frankrijk is. Een lokale leider die eens goed wilde uitpakken, trakteerde zijn gasten op Italiaanse wijn. (Caesars opmerking dat de Nerviërs geen wijn dronken om niet te verzwakken, is weerlegd door de vondst van amforen.) Het leuke is dat de verspreiding van de wijnkruiken ons helpt de handelsroutes te documenteren – en daarmee de wegen die de legionairs zouden nemen toen ze het gebied onder de voet liepen.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

9 gedachtes over “MoM | Er is te weinig aandacht voor aardewerk

  1. Manfred

    “de Broodtijd, de Aardewerktijd, de Bronstijd, de IJzertijd en de Glastijd”

    Leuk. Voor de Broodtijd zal de Barbecuetijd hebben gezeten, maar wat kwam er na de Glastijd; voor welke technologie moest de oven nóg heter kunnen?

Reacties zijn gesloten.