Iberisch aardewerk

Iberisch aardewerk (Prehistorisch Museum, Valencia)

In januari waren mijn vriendin en ik op vakantie in Spanje, meer precies in het gebied dat in de Oudheid bekendstond als Iberië: zeg maar de kustregio ten zuiden van de monding van de Ebro tot voorbij Cartagena. Later is de naam Iberië van toepassing verklaard op het hele gebied bezuiden de Pyreneeën, maar dat was dus oorspronkelijk niet zo. In de Spaanse musea die ik bezocht, viel me op dat de decoraties van het Iberische aardewerk echt anders waren dan die van andere regio’s, en dat het ook een aparte crèmekleur had.

Een voorbeeld is de bovenstaande diepe kom, een zogeheten lebes, die is opgegraven op een plek die in het Spaans bekendstaat als Tosal de San Miquel, en die in de Oudheid Edeta heette. Het was de voornaamste stad van de Iberische groep die bekendstond als de Edetaniërs. Deze diepe kom moet dateren uit de tijd tussen pakweg 300 en 76 v.Chr., het jaar waarin de stad werd verwoest. In het Prehistorisch Museum in Valencia zijn heel veel van dit soort stukken te zien, versierd met afbeeldingen van dieren, planten en mensen.

Lees verder “Iberisch aardewerk”

De beelden uit Ain Ghazal

Gezicht van een beeld uit Ain Ghazal

Wie Amman, de hoofdstad van Jordanië, over de grote weg vanuit het noordoosten binnenrijdt, rijdt dwars door de Neolithische vindplaats Ain Ghazal (“de bron van de gazelle”). Deze site is dan ook ontdekt bij het aanleggen van die weg. De bouwers hadden al aanzienlijke schade aangericht toen ze begrepen dat ze boven een archeologische vindplaats aan het werk waren, en onderbraken hun werkzaamheden. Vanaf 1974 is de site gedurende een kwart eeuw onderzocht.

Neolithisering

Dat er dus al met zwaar materieel gewerkt was, had één voordeel: de stratigrafie was van begin af aan duidelijk. Eén van de eerste constateringen was dat de oudste lagen behoorden tot het zogeheten Prekeramisch Neolithicum.

Lees verder “De beelden uit Ain Ghazal”

Het Uruk-fenomeen

Vrouwenportret uit Uruk (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Eén reden waarom de opgraving van Uruk interessant is, is wetenschapshistorisch. Zoals ik al eens heb beschreven, deden archeologen in de jaren twintig van de vorige eeuw op drie plaatsen in Zuid-Irak onderzoek. In Tell al-‘Ubaid en in de onderste lagen van het daarnaast gelegen Ur vond de Britse onderzoeker Leonard Woolley ietwat groenige, beschilderde scherven, gemaakt zonder draaischijf. Ruim 250 kilometer verderop groef het Amerikaans-Britse team van Stephen Langdon in Jemdet Nasr bruinig, geometrisch gedecoreerd aardewerk op, gemaakt op een draaitafel. En dan was er de Duitser Arnold Nöldeke, die in Uruk opvallend primitief, draaitafelgemaakt aardewerk had gevonden. Je zou verwachten dat dit primitieve aardewerk het oudst was, maar het was op een draaitafel gemaakt. Dat zou betekenen dat ze in ‘Ubaid iets waren verleerd dat ze in Jemdet Nasr hadden onthouden. Dat was vreemd.

Om het op te lossen, liet Nöldeke in Uruk een diepe put graven om alle bewoningslagen te analyseren. Het bleek dat hij op de diepste strata ‘Ubaid-aardewerk vond, dat wij nu in het vijfde millennium v.Chr. dateren, dat daarop het Uruk-aardewerk volgde, dat wij in het vierde millennium plaatsen, en dat in de hoogste bewoningslagen Jemdet Nasr-aardewerk was gebruikt, dat wij dateren rond 3000 v.Chr. Dit resultaat overtuigde iedereen toen de archeologen in 1929 in Leiden een symposium belegden om de kwestie te bespreken. Voor het eerst beschikten archeologen over een betrouwbare chronologie van de laatste fase van de Prehistorie. Eindelijk had men vat op de tijd waarin de eerste steden zijn ontstaan.

Lees verder “Het Uruk-fenomeen”

De geheimen van het pottenbakkerswiel

Ik was onlangs in Brugge en heb geconstateerd: het enige archeologiemuseum dat ons taalgebied rijk was, is inderdaad gesloten. U kunt nu nergens meer ontdekken wat archeologen feitelijk doen. Na het Gronings Universiteitsmuseum, dat een expositie Dig It All organiseerde over het belang van digitalisering, springt nu ook het Amsterdamse Allard Pierson Museum in de geslagen bres. “De geheimen van het pottenbakkerswiel” gaat over de methoden en technieken waarmee archeologen aardewerk uit de Oudheid onderzoeken.

Ik weet niet of ik het een expositie moet noemen. Het is meer een demonstratie en een extra aanbod van de ArcheoHotspot. De ArcheoHotspots, voor wie dat niet wist, zijn het beste te typeren als de (meestal permanente) spreekuren van de Nederlandse archeologie. Als u een intrigerend voorwerp vindt in uw tuin of iets erft van uw bereisde oudtante, kunt u het hier laten beoordelen, maar u kunt ook vrijwilligerswerk doen bij de vondstverwerking. Voor een literatuurverwijzing meer of minder draait men de hand ook niet om. En de ArcheoHotspot in het Allard Piersonmuseum biedt nu dus uitleg over de technische kant van het antieke keramiek.

Lees verder “De geheimen van het pottenbakkerswiel”

De Griekse kolonisatie

Een vaasje uit Taucheira (Archeologisch Museum, Tocra)

Taucheira was een havenstad in het deel van het huidige Libië dat Cyrenaica heet. De antieke geleerde die bekendstaat als de Scholiast bij Pindaros weet te melden dat Taucheira is gesticht vanuit het landinwaarts gelegen Kyrene.

Een kolonie dus. Volgens de geschreven bronnen begonnen de Grieken rond 740 v.Chr. vrij plotseling uit te zwermen, eerst naar zuidelijk Italië, vervolgens naar Sicilië, later ook naar de kusten van de Zwarte Zee. Kyrene, waarvandaan Taucheira dus zou zijn gesticht, was ook zelf een kolonie. Nog in de vijfde eeuw na Chr. beroemde de auteur Synesios van Kyrene zich op zijn Spartaanse voorouders. Herodotos vertelt hoe het allemaal was gegaan – een heldhaftig verhaal vol vergissingen en overwonnen moeilijkheden – en helpt ons om het moment van de kolonisering te plaatsen rond 630 v.Chr. Kortom: de Grieken stichtten Kyrene rond 630 en de bewoners van Kyrene stichtten Taucheira. Dat zal dus wel later zijn gebeurd.

Lees verder “De Griekse kolonisatie”

De Zeevolken: meer problemen

Ramses III maakt korte metten met wat Zeevolken, herkenbaar aan hun hoofddeksels.

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent verhaal mogelijk maakt: een klimaatcrisis rond 1200 v.Chr. bracht een migratiegolf op gang van het Egeïsche-Zee-gebied richting Egypte en de Levant. Ik was begonnen uit te leggen dat het bewijsmateriaal echter zo eenduidig niet is. Het is lastig te dateren.

Het aardewerkprobleem

Een andere manier om migratie vast te stellen is kijken naar de verspreiding van deze of gene archeologische cultuur. Als we de voorwerpen die vóór 1200 v.Chr. gangbaar waren op Sardinië na een tijdje ook aantreffen in het Midden-Oosten, en als het daarbij niet alleen gaat om handelsaardewerk maar ook om keukenaardewerk, dan hebben we een aanwijzing voor migratie. Maar aardewerk is in deze periode niet alleen moeilijk te dateren, het is ook lastig te kwalificeren.

Lees verder “De Zeevolken: meer problemen”

Opgegraven potten en pannen

Medaille met Romulus en Remus uit Velsen 2 (Huis van Hilde)

Een tijdje geleden heb ik een paar interviews gedaan met mensen die vertelden hoe oudheidkundigen wisten wat ze wisten. U hebt het deels gefinancierd. Voor mij was het een experiment en het was ook voor de jonge mensen met wie ik destijds samenwerkte nog niet allemaal vanzelfsprekend, wat betekende dat het een leuk en vooral leerzaam project was. De cameraman en de geluidsman zijn daarin sneller gegroeid dan ik: ze hebben in Eindhoven een bedrijfje opgericht, Second Sun, dat in de tussentijd voor een minispeelfilm, “Hoort erbij”, een prijs heeft gewonnen.

Het afwerken van de filmpjes verliep door een veelvoud aan redenen, waaronder ziekte, veel langzamer dan verwacht, maar na de filmpjes met Hein van Dolen (over de Lachmannmethode), met Casper Porton, met re-enactors Janneke Kluit en Robert Vermaat (over antieke kleding) en met Karen Jeneson (over reconstructie van wat archeologen niet opgraven) kan ik vandaag het interview presenteren dat ik in het Huis van Hilde in Castricum (het archeologisch museum/depot van de provincie Noord-Holland) had met archeoloog Arjen Bosman.

Lees verder “Opgegraven potten en pannen”

Afrikaans aardewerk

Afrikaans aardewerk uit Meroë (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

De Nubië-expositie in het Drents Museum in Assen heeft de opzet de antieke culturen van Soedan niet te tonen als een afgeleide van Egypte, maar als een cultuur die in zichzelf interessant is. Hoewel ik moet bekennen dat mijn eigen aandacht meer tijdens de tentoonstelling meer dan eens werd getrokken door juist de Egyptische voorwerpen – want die herken je – kan ik ook zeggen dat de expositie in haar opzet is geslaagd.

Het bovenstaande aardewerk is Meroïtisch en dit type keramiek is ook in Assen te zien. Alleen is dat niet dit kruikje, want deze foto maakte ik in de zwaar onderschatte Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark in Brussel. Dit soort aardewerk is ook te bewonderen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik vind de kleuren en de abstracte beschildering erg mooi.

Lees verder “Afrikaans aardewerk”

De opgraving van Tell Deir Alla

De oudheidkundige beschikt over teksten en over vondsten. Die twee soorten data documenteren op verschillende manieren hetzelfde verleden. Ze zijn allebei lastig. De geschreven bronnen veronderstellen een wereld, een wereldbeeld en een vormentaal die grondig afwijken van de onze; ze zonder doordachte uitlegstrategie (“hermeneutiek”) lezen is zoiets als bij de Ronde van Frankrijk gaan zoeken naar de man met de hamer. Archeologische vondsten zijn dan weer ambigu en zeggen alleen maar iets als je gerichte vragen stelt. Oudheidkunde is geen kwestie van “Data, data, speak to me!” De data zeggen pas iets als je een vraag en een methode hebt.

Lees verder “De opgraving van Tell Deir Alla”

Er is te weinig aandacht voor aardewerk

Aardewerk op de vlakte van Šahr-e Qumis (Hekatompylos)

In het eerste deel van dit stukje gaf ik aan dat er in musea nogal veel aardewerk ligt omdat het spul weliswaar breekbaar is maar niet goed kapot wil gaan. Het smelt, roest of brandt niet. Ook is keramiek betrekkelijk waardeloos, zodat niemand zijn leven riskeert om het uit een verbrande of verzwolgen nederzetting op te halen. Het grote aanbod van potten en scherven in de musea wil dus niet zeggen dat het materiaal is oververtegenwoordigd, maar dat andere vondstcategorieën zijn ondervertegenwoordigd.

Nee, er is nooit genoeg aardewerk

Er is ook een ander verhaal te vertellen. Keramiek is namelijk verdraaid informatief. Een van de eersten die dat begreep, was Heinrich Schliemann. In een tijd waarin esthetiek een belangrijke drijfveer was bij het oudheidkundig bodemonderzoek, zocht hij niet naar mooie sculptuur – al was hij niet afkerig van de mooie Helios uit Troje – maar begreep hij dat simpele voorwerpen een belangrijke bron van informatie konden zijn. De hoon die hij kreeg van de toenmalige, kunsthistorisch georiënteerde oudheidkundigen is nog altijd niet verstomd, maar Schliemann had wel gelijk. Het grauwe aardewerk dat hij vond in Orchomenos, Mykene en Troje IV deed hem bijvoorbeeld inzien dat deze nederzettingen gelijktijdig hadden bestaan. Zo ontdekte hij dat je aardewerk kunt gebruiken om chronologieën te bepalen.

Lees verder “Er is te weinig aandacht voor aardewerk”