De Armeense genocide: Besluit

Het monument voor de Armeense Genocide in Yerevan

[Zesde deel van een serie van zes; het eerste is hier.]

Het Centrum voor Holocaust- en Genocide-studies van de Universiteit van Minnesota heeft de laatste Ottomaanse en eerste Turkse censuscijfers vergeleken. Terwijl in 1914 nog 2.133.190 burgers zich identificeerden als Armeniër, waren het er in 1922 nog 387.800. Dit komt deels doordat sommige Ottomaanse gebiedsdelen waren veranderd in mandaatgebieden, waar de Turkse republiek niet langer over ging; minimaal 400.000 Armeniërs hebben weten te vluchten, maar een exact cijfer valt niet te geven. Het totale aantal dodelijke slachtoffers is zo niet te bepalen, maar schattingen lopen uiteen tussen de 800.000 en 1.300.000. Niemand spreekt tegen dat er iets verschrikkelijks is gebeurd.

De Entente had aangekondigd de schuldigen te zullen berechten en de regering van de sultan in Constantinopel stelde inderdaad een militaire rechtbank in, die zich kon baseren op allerlei getuigenverklaringen van Ottomaanse officieren en in juli 1919 Talaat, Enver en Cemal ter dood veroordeelde. Dat was ook de straf die over Mehmet Reshid, de “slager van Diyarbakir”, werd uitgesproken, maar hij ontsnapte, schreef een zelfrechtvaardiging en pleegde zelfmoord toen de Ottomaanse autoriteiten hem op het spoor kwamen.

De veroordeling van de drie pasha’s vond plaats bij verstek, want ze hadden weten te ontsnappen. Enver probeerde terug te keren naar de nieuwe Turkse republiek van Mustafa Kemal Pasha, de latere Atatürk, maar deze weigerde hem toegang. Daarop sloot Enver zich aan bij de pan-Turkse Basmachi-opstand in Centraal-Azië; opgejaagd door een Sovjet-leger met een Armeense commandant, Hakob Melkumian, kwam hij in augustus 1922 in de omgeving van Dushanbe om het leven.

Talaat werd het slachtoffer van Operatie Nemesis, een geheime Armeense actie om de door de Ottomaanse autoriteiten ter dood veroordeelden ook werkelijk te doden. In 1921 werd Talaat op klaarlichte dag in Berlijn vermoord. Cemal volgde in juli 1922 in Tiflis.

Deze wraakacties vormden de slotakte van de tragedie. Van de twee gebieden waarin de Armeniërs sinds 1639 hadden geleefd – in het oosten dat van de Safavidische Perzen en later de Russen en in het westen dat van de Ottomaanse Turken – was het westelijke ten onder gegaan. De bewoners waren dood of gevlucht; de overlevenden werden gedwongen hun naam te verturksen. In het hele Midden-Oosten wonen de afstammelingen van de vluchtelingen. De Armeense kerken die er nog zijn, worden niet langer gebruikt voor de eredienst.

De Armeense kerk op het eiland Akdamar in het Van-meer

De door de Armeniërs achtergelaten bezittingen werden verdeeld onder de Koerden. Het zou hun kwaad bekomen. In zijn boek Volg de wolken wijst Marcel Kurpershoek erop dat, nu de soennitische regering in Constantinopel was vervangen door een seculier bewind in Ankara, er weinig meer was dat de Koerden bond aan de centrale overheid, zodat het einde van de Armeense aanwezigheid in het oosten het begin was van de Koerdische kwestie. Wie nu in Diyarbakir komt, zal er een letterlijk huizenhoog reliëf zien van Atatürk, die de Koerdische bevolking voorhoudt dat ze Turken zijn.

Reliëf van Atatürk in Diyarbarkir

Als er al mogendheden waren die zich na 1918 wilden inzetten voor de Armeense claims op restitutie of terugkeer, hadden die voldoende andere zaken aan hun hoofd. De Russen waren bijvoorbeeld verwikkeld in de conflicten die volgden op de revolutie. Toen die beslist waren in het voordeel van de communisten, streefden Frankrijk en Groot-Brittannië naar goede relaties met het nieuwe Turkije van Atatürk, dat immers een nuttige bondgenoot tegen de Sovjet-Unie kon zijn. Daarna was Turkije als NAVO-partner te belangrijk. De Armeense genocide kreeg zo pas na de val van de Muur in 1989 de aandacht die ze verdiende.

Zo verdwenen de Armeniërs en hun cultuur uit het oosten van het Ottomaanse Rijk. Wie de huidige republiek Armenië bezoekt, zal al snel worden geconfronteerd met de gebeurtenissen van een eeuw geleden. Iedereen heeft er wel een familieverhaal over te vertellen en de gedeelde herinnering aan de genocide is, met de taal en het Armeense christendom, een van de hoofdcomponenten van de nationale identiteit.

[I.s.m Piet Hein Dieben]