Sint-Joris en de draak (1)

Draak te Beesel (Rik van Rijswick)

De draak hierboven, gemaakt door Rik van Rijswick, fotografeerde ik afgelopen zomer bij Beesel, dat u misschien kent van het draaksteken. Het is wel een tof beestje voor deze mooie zomerdag, want het is vandaag Sint-Joris. Maar wie was dat eigenlijk?

De Gulden Legende, de grote collectie heiligenlevens die Jacob van Voragine in 1260 publiceerde, noemt verschillende verhalen over de marteldood van christenen die Georgius hebben geheten, en ik sluit allerminst uit dat ze allemaal waar zijn omdat de naam destijds net zo gangbaar was als ons “meneer De Boer”. Het beroemdste verhaal is natuurlijk dat van zijn optreden als drakendoder, dat een variant is op het verhaal van de Griekse held Perseus. De christelijke legende is later weer door moslims opgepikt: zij noemen Perseus/Georgius Khidr, “de groene man”. In Jounieh bij Beiroet worden Khidr en Georgius samen vereerd; Khidrs graf is me ooit aangewezen in de citadel van Aleppo; en hij verschijnt aan u als u in Isfahan veertig dagen lang elke avond de stoep goed schrobt zonder u daarop te laten voorstaan.

Kortom, een volksverhaal waarvan er dertien in een dozijn gaan, maar omdat ik de legende eigenlijk eens wilde lezen, heb ik die maar eens opgezocht. Hieronder dus de tekst van een gedeelte uit de Gulden Legende, vertaald door Vincent Hunink. Maar eerst nog even dit: komt u vanavond naar Oog op de Oudheid in Leiden?

Op een keer kwam Georgius, een krijgstribuun van Cappadocische afkomst, in de provincie Libië in een stad met de naam Silena. Dicht bij de stad lag een moeras zo groot als de zee, waarin zich een verderfelijke draak schuilhield. Vaak had deze het volk dat de wapens had opgenomen om hem te bestrijden op de vlucht gejaagd en met zijn adem iedereen vergiftigd wanneer hij voor de stadsmuren verscheen. Noodgedwongen gaven de burgers hem elke dag twee schapen om zijn razernij tot bedaren te brengen, anders drong hij de stad binnen en verpestte de lucht dusdanig dat velen stierven.

Uiteindelijk waren er bijna geen schapen meer omdat deze niet in zulke grote aantallen voorhanden waren, en daarom werd na rijp beraad besloten om de draak een schaap met daarbij een mensenkind af te staan. Door loting moest iedereen zijn zoons en dochters afstaan en het lot maakte voor niemand een uitzondering.

Bijna alle zoons en dochters van de mensen uit de stad waren al opgegeten toen het lot op een keer op de enige dochter van de koning viel, zodat zij werd toegewezen aan de draak. Bedroefd sprak de koning: “Neem goud en zilver, zelfs de helft van mijn koninkrijk, maar laat mijn dochter bij mij, laat haar niet zo sterven!”

Woedend antwoordde het volk: “Koning, u hebt dit bevel uitgevaardigd en nu zijn al onze kinderen gestorven. En u wilt uw dochter redden? Als u niet met uw dochter ten uitvoer brengt wat u anderen hebt opgelegd, zullen we u en uw paleis in brand steken!”

De koning zag wel in dat de mensen gelijk hadden en begon om zijn dochter te huilen. “Ach, mijn liefste dochter,” zei hij, “wat moet ik met je doen? Wat kan ik nu nog zeggen nu ik je bruiloft niet meer zal meemaken?”

Hij richtte zich tot het volk en sprak: “Ik smeek jullie mij acht dagen te vergunnen om mijn dochter te bewenen.” De mensen stemden toe, maar acht dagen later kwamen ze woedend terug. “Waarom stort u uw volk in het verderf vanwege uw dochter?” zeiden ze. “Kijk dan toch! Wij sterven allemaal door de adem van de draak!”

[Wordt vervolgd]