V Macedonica aan de Donau

Inscriptie van V Macedonica uit Oescus (Archeologisch museum, Sofia)

Van de meeste Romeinse legioenen kennen we de ontstaansgeschiedenis. Soms weten we welke keizer het heeft gesticht, soms kunnen we de geschiedenis herleiden tot de tijd van Julius Caesar en zijn opvolgers Marcus Antonius en Augustus. Van V Macedonica is de herkomst minder duidelijk. We kennen uit de vroegste tijd twee vijfde legioenen, V Urbana en V Gallica, die allebei identiek kunnen zijn aan het vijfde legioen dat later naar zijn standplaats Macedonië zou worden vernoemd. Misschien is het geformeerd door consul Gaius Vibius Pansa en diende het voor het eerst in 43 v.Chr., maar dat is slechts een hypothese.

V Macedonica was waarschijnlijk aanwezig bij de campagne rond Aktion (31 v.Chr.), waarna veteranen werden gevestigd in de Veneto. Een latere generatie veteranen is vijftien jaar later gedemobiliseerd in Fenicië in Beiroet. Hier kregen ook veteranen van VIII Augusta land toegewezen. In elk geval diende het legioen zelf in Macedonië.

Lees verder “V Macedonica aan de Donau”

Jood: een antiek, ambigu begrip

Een sjekel van Israël uit het tweede jaar van de Joodse Opstand (Museum Masada)

Ik blogde gisteren over het nieuwe boek van Ewoud Sanders, Jood. De vergeten geschiedenis van een beladen woord. Het lezen van Sanders’ boek bracht me op het idee eens een blogje te wijden aan het antieke gebruik van datzelfde woord – יְהוּדִי, Ἰουδαῖος, Judaeus.

Juda

Zulke woorden zijn afgeleid van de naam van de stam Juda, die in de IJzertijd leefde in de omgeving van de stad Jeruzalem. Koning David voegde die stad, die niet bij een van de twaalf Bijbelse stammen behoorde, toe aan zijn koninkrijk.noot 2 Samuël 5.6-9. Na het uiteenvallen van dat rijk, ergens rond 930 v.Chr., bleef Jeruzalem de hoofdstad van het zuidelijke koninkrijk. Dat bestond uit twee voormalige stammen, Juda en Benjamin, en omdat die laatste nogal klein was, heette het koninkrijkje dat vanuit Jeruzalem werd bestuurd, naar de grootste stam: Juda.

Lees verder “Jood: een antiek, ambigu begrip”

Romeins Judea (41-70 na Chr.)

Judaea Capta, “Judea is onderworpen” (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

[Tweede blogje over Romeins Judea; het eerste was hier.]

Het keerpunt

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beweert dat er vanaf de dood van Herodes de Grote een rode draad was van aanhoudend geweld, dat uiteindelijk culmineerde in de Joodse Opstand van 66-70 na Chr. alsmede het einde van de eredienst in de tempel in Jeruzalem. Josephus kan voor het eerste en langste deel van die periode echter geen voorbeelden noemen en zijn tijdgenoot en collega Tacitus is overtuigd van het tegendeel: sub Tiberio quies, ten tijde van keizer Tiberius heerste er rust.noot Tacitus, Historiën 5.9. In 36/37 was er voor het eerst een incident, toen een samaritaanse messias naar de wapens liet grijpen. Pontius Pilatus onderdrukte de revolte voor ze gevaarlijk werd.

Enkele jaren later, in de winter van 40/41 na Chr., wilde keizer Caligula zijn standbeeld hebben in de tempel in Jeruzalem. Dat leidde tot protesten en de eerste interventie van de legioenen. De dood van de keizer verhinderde een bloedbad, maar voortaan was het gedaan met de rust.

De nieuwe keizer, Claudius, zocht een alternatief voor het prefecten-bestuur en benoemde een kleinzoon van Herodes de Grote tot koning: Herodes Agrippa I. Deze regeerde van 41 tot 44 en kreeg niet alleen de gebieden in handen die ooit door Archelaos bestuurd waren geweest, maar ook die van Antipas en Filippos. Bovendien kreeg zijn broer, Herodes van Chalkis, het bestuur toegewezen van de Arabische Itureeërs in de Bekaavallei. Het Joodse koninkrijk was opnieuw intact en Agrippa lijkt zichzelf te hebben beschouwd als een soort messias, die Israël had hersteld. De auteur van de Handelingen van de apostelen, die een andere messias vereerde, vermeldt zijn onverwachte dood niet zonder leedvermaak.noot Handelingen 12.23.

Lees verder “Romeins Judea (41-70 na Chr.)”

X Fretensis, het varkenslegioen

Grafsteen van een legionair van X Fretensis uit Kyrrhos

De trouwe lezers van deze blog hebben gemerkt dat ik ben begonnen met een reeksje over de Romeinse legioenen. Zoals een geschiedenis van de Verenigde Staten geschreven kan worden geschreven aan de hand van Cullum’s Register, met daarin de namen van de mannen die het land hebben opgebouwd, zo is de geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk voor een fors deel regimentsgeschiedenis.

Ontstaan

Het Tiende Legioen was natuurlijk een oudje. Het bestond al vóór Julius Caesar naar Gallië trok en lijkt na de campagne rond Munda in 45 v.Chr. te zijn gedemobiliseerd. In de burgeroorlogen na Caesars dood tekenden allerlei oud-soldaten opnieuw bij, sommigen vechtend voor Octavianus, anderen voor Marcus Antonius. Zo waren er twee Tiende Legioenen; ik blogde daar al eens over. Eén van die twee Tienden diende aan de Straat van Messina en nam deel aan Octavianus’ expeditie tegen Sextus Pompeius op Sicilië. Dit legioen heette sindsdien Fretensis, “van de zeestraat”.

Lees verder “X Fretensis, het varkenslegioen”

Domitianus (8): Judaea Capta

Judaea Capta

Elke tentoonstelling kent een paar stukken waarvan je de aanwezigheid kunt voorspellen. Niet dat ik er handig in ben, want ik had verwacht dat op de door de lockdown vooralsnog verborgen expositie over de Romeinse keizer Domitianus (r.81-96) in het Rijksmuseum van Oudheden wel iets verteld zou worden over de Fiscus Judaicus. Daarover wordt niets getoond, dus dat zag ik verkeerd. Maar een andere voorspelling klopte wel: de beroemde munten over de Joodse Oorlog waren er wel. Zoals hierboven. Dit exemplaar uit de collectie in De Nederlandse Bank ligt nu dus ontoegankelijk te wezen in Leiden.

De Joden waren in opstand gekomen tegen Nero, die Vespasianus erop af had gezonden. Dat was een stevige zelfoverwinning geweest van de keizer, want hij had de vooraanstaande senator kort daarvoor van het hof weggestuurd. Vespasianus had het namelijk gewaagd in slaap te vallen tijdens een van Nero’s recitals (of beweerde zulks). Eenmaal in het oosten onderdrukte Vespasianus de opstand, maar vlak voordat hij het beleg voor Jeruzalem kon opslaan, brak de burgeroorlog uit. De Joodse Oorlog werd dus onderbroken en in plaats daarvan greep Vespasianus zelf de macht.

Lees verder “Domitianus (8): Judaea Capta”

Misverstand: Brand in Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

Misverstand: De joodse tempel brandde per ongeluk af

In 66 kwamen de Joden in opstand tegen Rome. De onafhankelijkheid duurde ongebruikelijk lang, maar in de zomer van 70 heroverde de Romeinse generaal Titus, de latere keizer, Jeruzalem. De tempel werd geplunderd en brandde af. Hierdoor moesten de joden hun religie opnieuw vorm geven: een religie zonder tempel, zonder politiek centrum en zonder erkende religieuze autoriteit. Slechts twee joodse groepen kwamen deze klap te boven: vanuit de farizeeën ontstond het huidige rabbijnse jodendom en vanuit de aanhangers van Jezus van Nazaret ontstond het christendom.

De twee religies hebben sindsdien geen al te vriendelijke relatie, en daarmee is de tempelbrand een van de weinige gebeurtenissen uit de Oudheid met nog altijd actuele gevolgen. De geschiedschrijver Flavius Josephus suggereert dat de brand de wil van God was:

Lees verder “Misverstand: Brand in Jeruzalem”

De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem tijdens de Joodse Opstand, in 70. Let op de stenen kruiken, dat erop wijst dat de bewoners de regels volgden om water ritueel rein water te houden.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Lees verder “De ondergang van Jeruzalem”

Tisha b’Av

Tisha b’Av is de herdenking van de verwoesting van de joods tempel (Israel Museum, Jeruzalem)

[Dertiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Op de honderdste dag van de belegering van Jeruzalem (plattegrond), 24 juli, waren de Romeinse belegeringsdammen zo dicht bij het tempelterras gekomen dat de Joden zelf een van de zuilengangen aan de vlammen prijsgaven. Drie dagen later volgde een tweede, maar het hielp niet veel. De Romeinen naderden gestaag, en op 8 augustus bereikten ze het tempelplein. Josephus meldt dat de hoogste officieren op de volgende dag met elkaar overlegden en dat Titus besloot dat de Romeinen de tempel niet in brand zouden steken. Maar op 10 augustus 70 gebeurde tijdens een gevecht het onvermijdelijke:

Zonder op een bevel te wachten en zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn daad greep een soldaat, als door een bovenmenselijke hand gestuurd, een stuk hout. Hij klom op de schouders van een medesoldaat en slingerde het brandende projectiel tegen een gouden deurtje dat toegang verschafte tot de tempelvertrekken aan de noordkant. Zodra ze het vuur zagen oplaaien, steeg er onder de Joden een navenant geschreeuw op. Ze renden erop af om de zaak te redden zonder ook maar één moment aan het gevaar voor hun eigen leven te denken of hun krachten te sparen, nu ze zagen dat het gebouw dat ze altijd zo energiek hadden bewaakt, met verwoesting werd bedreigd.

Titus lag net in zijn tent uit te rusten, toen er haastig iemand naar hem toe kwam om hem het bericht vertellen. Hij sprong onmiddellijk op en rende naar de tempel om het vuur tot staan te brengen. (Josephus, Joodse Oorlog 6.252-254; vert. Wes/Meijer)

Dit verhaal, met de suggestie dat God de tempel in Jeruzalem zelf in brand zou hebben gestoken, is vrijwel zeker onwaar.

Lees verder “Tisha b’Av”

Het beleg van Jeruzalem (3)

Maquette van de burcht Antonia (Israel Museum, Jeruzalem)

[Twaalfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

De belegering van Jeruzalem (plattegrond) was voortvarend begonnen en de Romeinen hadden de noordelijke Nieuwe Stad en de Voorstad al ingenomen, maar de belegeringsdammen waarmee ze de burcht Antonia bij de Tempel wilden veroveren, waren door de Joodse verdedigers verwoest.

De Romeinse generaal Titus kon niet anders dan de bestorming uitstellen. Het was, zolang de verdedigers nog energie hadden, geen bruikbare methode. Bovendien waren al zoveel mensen de stad ontvlucht met verhalen over voedselgebrek, dat op den duur uithongering succesvol moest zijn. In drie dagen omringden de legionairs en de hulptroepen de stad met een acht kilometer lange palissade. Josephus vermeldt dat in de wijde omgeving alle bomen waren gekapt, zodat het land er troosteloos bij lag. En hij beschrijft opnieuw de gruwelijkste taferelen: hongerige stedelingen die zich bij de omwalling zonder verzet gevangen lieten nemen, kregen iets te eten, maar gulzig als ze waren namen ze meer dan verstandig was en hun gezwollen buiken barstten open. Daardoor werd ontdekt dat velen goudstukken hadden ingeslikt, en dus werden de lijken opengesneden. Titus durfde de lijkschenners niet te bestraffen omdat het er zoveel waren.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (3)”

Het beleg van Jeruzalem (2)

Munt van Titus (Limesmuseum, Aalen)

[Elfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Ik beschreef gisteren hoe de Romeinen het beleg hadden opgeslagen voor Jeruzalem en eerst het noordelijke deel, de Nieuwe Stad, onder de voet hadden gelopen en vervolgens de Voorstad hadden veroverd. Het landkaartje vindt u hier.

De moed van de soldaten werd tenietgedaan door een vergissing van generaal Titus, die vergat het bevel te geven de bres in de muur van de Voorstad te verbreden. (Josephus, onze voornaamste bron, probeert het goed te praten met de nogal doorzichtige smoes dat de Romein de stad niet nodeloos wilde beschadigen.) Toen de Joden vanuit de Oude stad een uitval deden en de Romeinen terugsloegen, konden ze eenvoudig de smalle opening in de muur herstellen, waardoor de aanvallers nogmaals vier dagen moesten vechten om de Voorstad te herwinnen.

De soldaten hadden reden ontevreden te zijn over hun onervaren commandant en het is vermoedelijk geen toeval dat Titus een betaaldag inlaste. Duizenden en duizenden soldaten paradeerden voor de stadsmuren, zodat “zelfs de meest koelbloedige verdedigers verstijfden van schrik toen ze daar de hele troepenmacht op één plaats bijeen zagen, met al die fraaie wapenrustingen en onberispelijk in orde en gelid”. Josephus maakte zich verdienstelijk door rond Jeruzalem te lopen en, terwijl elders alweer gewerkt werd aan de aanleg van belegeringsdammen, de bevolking van Jeruzalem voor te houden dat weerstand futiel was.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (2)”