MoM | Röntgenfluorescentiespectrometrie

Glazen drinkbeker uit Fectio/Vechten (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Het Allard Pierson-museum, het oudheidkundige museum van Amsterdam, heeft zijn openingstijden verruimd. Om luister bij te zetten dat het voortaan in het weekend om 10:00 opent, wordt er in februari ’s zondags ontbijt geserveerd, zijn er muziekuitvoeringen en verzorgen de medewerkers lunchlezingen. Gisteren ging ik luisteren naar conservator René van Beek, die sprak over Romeins glas. Toen ik hem kort daarvoor bij de muziek tegen het lijf was gelopen, had hij nog luchtig over zijn praatje gedaan – het was maar heel algemeen, had hij gezegd, en het was slechts inleidend – maar het werd een buitengewoon leerzaam half uur waarin hij schetste welk technisch onderzoek momenteel plaatsvond.

Een leuk voorbeeld betrof de drinkbeker hierboven, die is opgegraven in Vechten bij Utrecht, het Romeinse fort Fectio. Hij is kort voor de Tweede Wereldoorlog in Keulen gerestaureerd. Ook toen vond men dat een restauratie zó gedaan moest worden dat duidelijk blijft wat echt en wat aanvulling is, en daarom gebruikte het atelier geen glas maar iets dat op bakeliet lijkt. De documentatie is echter bij de bombardementen van Keulen verloren gegaan en dat is jammer, want het is onbekend wat het gebruikte materiaal nou precies is. Het is de afgelopen tachtig jaar wel mooi groen geworden en het Allard Pierson-museum zal dat niet terugdraaien. De restauratie behoort evengoed bij de geschiedenis van het object.

Het museum heeft in het verleden ook veel glas uit het Nabije Oosten verworven, waarvan niet duidelijk is hoe het in de collectie is gekomen. De trouwe lezers van deze blog horen nu een alarmbel afgaan, want ik heb regelmatig geschreven dat papyri zonder gedocumenteerde provenance hoogst verdacht zijn. Dat betreft echter papyri. Zolang een vervalser antiek papyrus gebruikt en de receptuur van antieke inkt gebruikt, is hij in het lab onherkenbaar. Met glas is dat een stuk moeilijker. Het is vrijwel uitgesloten dat het glas in het Allard Pierson-museum vals is.

Maar waar komt het glas precies vandaan? Tot zondag had ik nog niet gehoord van de methode die bekendstaat als röntgenfluorescentiespectrometrie. Dat is een hele mond vol maar het is gewone spectrometrie, alleen niet in het voor ons mensen zichtbare spectrum. Er wordt hoogenergiek licht geworpen op een monster dat die straling weerkaatst op een iets langere golflengte. Omdat het monster dus straling afgeeft, is er sprake van fluorescentie. Het teruggekaatste licht helpt de samenstelling van het monster te bepalen.

Dit opent de mogelijkheid wat preciezer te zijn over de herkomst van het glas. Momenteel vermoedt men nog dat het in Palmyra of omgeving is opgegraven en is gekocht door een verzamelaar die daar was ten tijde van de aanleg van de Bagdadspoorlijn, dus nog voor de Eerste Wereldoorlog. Dat is niet echt een provenance waar je blij van wordt. Met röntgenfluorescentiespectrometrie kunnen nu sporen van bijvoorbeeld titanium, tin en zirkoon worden gevonden en het is vermoedelijk mogelijk om dit te vergelijken met ander glas en zo de ateliers te specificeren. Het Allard Pierson-museum werkt, zo begrijp ik, samen met de universiteit in Delft.

Deze methode is analoog aan een nieuwe methode bij het onderzoek van antieke inkt. Tot de voorwerpen in de Schøyencollectie (waarover ik al eens blogde) behoren ook enkele inktpotten waarvan de inkt in 2012 is onderzocht. De onderzoekers stelden vast dat er, naast de gebruikelijke bestanddelen, ook andere ingrediënten waren gebruikt. Ze opperden dat het mogelijk was specifieke profielen te maken voor metaalhoudende inkten en ateliers te identificeren. In feite zijn oudheidkundigen dus op zoek naar de “vingerafdruk” van een atelier, of dat nu om inkt of om glas.

Ik vind dit soort dingen fantastisch om te horen. Wat zouden we over vijf of tien jaar niet allemaal méér kunnen weten over de handelsroutes uit de oude wereld? Fluitend wandelde ik na afloop van de lezing naar de afdeling Rome om nog even te kijken naar het glas dat Van Beek zojuist had getoond.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.

Meer zondagse lunchlezingen in het Allard Pierson-museum: daar. Meer glas is hier en meer röntgenfluorescentiespectrometrie daar.] 

10 gedachtes over “MoM | Röntgenfluorescentiespectrometrie

  1. Het goede van het Allard Pierson is de band met de universiteit. Dat merk je, zelfs als het niet de UvA is maar Delft. Het niveau is hoog.

    1. Rob Duijf

      Inderdaad, dat voeg ik mij ook af.

      In de huidige prakrijk kunnen met röntgenfluorescentiespectrometrie
      concentraties van elementen tussen natrium (atoomnummer 11) en uranium (atoomnummer 92) worden bepaald, dus de samenstelling van restaustauratiemateriaal moet daar toch mee kunnen worden vastgesteld.

      Neemt niet weg, dat het wel mooi is om de ontwikkeling van de restauratiepraktijk te zien. Toch nog maar eens een kijkje nemen in het Allard Pierson met een croissantje en een eitje…

  2. Arnold den Teuling

    Ik kende deze techniek tot nu toe alleen bij het analyseren van onderlagen van schilderijen. Leuk dat het hiervoor ook gebruikt kan worden.

  3. FrankB

    “het is gewone spectrometrie”
    Niet helemaal, maar kniesoren kunnen WIkipedia raadplegen.

    “Ik vind dit soort dingen fantastisch om te horen.”
    Ik ook, want …. worden we misschien minder afhankelijk van provenance mbt papyri? Zo langzamerhand vind ik dat natuurkundige en scheikundige experts daar in hun laboratoria flink werk van moeten maken. Wie voor een doorbraak zorgt mag van mij een Nobelprijs krijgen. Misschien ben ik te optmistisch en is het fundamenteel onmogelijk, maar tot dan blijf ik hopen.

    1. Ik denk dat het aantal mogelijkheden om een slechte vervalsing te ontmaskeren groeit door laboratoriumtechnieken. Maar een vervalser die zijn werk verstaat, blijft onvindbaar.

  4. “Het is vrijwel uitgesloten dat het glas in het Allard Pierson-museum vals is”

    Dat geloof ik onmiddellijk. Toch ben ik nieuwsgierig naar waarom je dit kunt uitsluiten. Ik snap dat glas namaken moeilijker is dan papyrus namaken, maar het is vast niet zo moeilijk als een Vermeer namaken. Of toch?

    1. Ik begrijp dat oud glas een bepaalde verwering heeft (het is geïriseerd) en dat die niet valt na te bootsen, net als bijvoorbeeld het patina op oude munten.

      Een andere reden is deze: er is geen motief om oud glas of aardewerk na te maken. Je kunt er wel mee verdienen, maar het is een hoop gedoe en levert weinig op. Papyri zijn aantrekkelijker. Simpel na te maken, extreme winsten.

      Vileine insinuatie: je hebt als glasvervalser te maken met zelfkritische wetenschappers, namelijk archeologen die een gedragscode hebben, terwijl je als papyrusvervalser hebt te maken met classici, die denken alles te weten en geen gedragscode nodig hebben.

      Dit laatste is wat gemeen, maar ik denk dat het gebrek aan professionaliteit van classici wel een rol speelt bij de keuze papyri te vervalsen. Een gedragscode zou wel een oplossing zijn.

Reacties zijn gesloten.