MoM | Archeologie als dienstmaagd (1)

Aardewerk uit Troje VIIb (Archeologische musea, Istanbul)

Ik spreek weleens op gymnasia – altijd leuk om te doen – en meestal leidt een leraar klassieke talen of een docent geschiedenis me dan in. Bij zo’n gelegenheid typeerde een jonge classicus me vorig jaar als archeoloog, om te vervolgen met een opmerking die ik, nu ik dit stukje schrijf, niet precies herinner, maar die erop neerkwam dat archeologie ondergeschikt was aan het echte werk, dat van de classici. Het was niet gemeen bedoeld maar riep wel de vraag op waar het idee dat er een rangorde is eigenlijk vandaan komt. Het antwoord is dat de archeologen het er zelf naar hebben gemaakt.

Schliemanns problemen

Terug naar de late negentiende eeuw, toen de archeologie als wetenschap doorbrak. Er zijn hier talloze namen te noemen maar ik neem er een die u kent: Heinrich Schliemann, die eigenlijk nauwelijks serieus werd genomen in zijn Duitse vaderland. De meeste Altertumswissenschaftler waren het er destijds over eens dat Schliemanns methode niet deugde: hij nam de Ilias te letterlijk. Ook zijn vondsten oogden nogal schamel. Kortom, de wetenschap wilde er niet aan en Schliemann vond lange tijd vooral erkenning in de Angelsaksische wereld, waar men destijds niet bepaald liep in de voorhoede van het onderzoek.

Wat Schliemann ervoer, was het dubbele probleem van alle archeologen: enerzijds baseerden ze zich op teksten zonder precies te weten wat daarbinnen betrouwbaar was en wat niet, anderzijds vonden ze vooral muurfragmenten, funderingen, keukengerei, weefgewichten, muntjes, etensresten en ander strooigoed. Zie de foto hierboven.

Voor wat betreft het eerste probleem geldt dat archeologen waren aangewezen op classici en andere filologen. Pas in de loop van de twintigste eeuw ontstond de discussie of filologen niet eerst moesten luisteren naar archeologen voordat ze in teksten de betrouwbare en onbetrouwbare delen konden aanwijzen: het maximalisme/minimalisme-debat waarover ik al vaker blogde. Voor wat betreft het tweede probleem gold dat het belang van triviaal ogende vondsten moeilijk uit te leggen is. Om niet wéér het beruchte citaat van Halbe Zijlstra over de potten en de pannen aan te halen, wijs ik erop dat de Vlaamse gemeente Lier het er in 2011 maar moeilijk mee had dat een opgraving die een miljoen euro had gekost alleen botmateriaal, greppels en kuilen, wat keramiek en een stuk of wat paalsporen had opgeleverd en één zestiende-eeuwse munt.

Archeologische PR

Schliemann begreep dat hij in zijn publiciteit zo vaak mogelijk verbanden moest leggen met bekende, liefst romantische, historische verhalen. Door steeds opnieuw te verwijzen naar de Ilias, een tekst waaruit elke Duitse gymnasiast wel iets had vertaald, wist hij voor een sleuteldoelgroep betekenis te geven aan wat welbeschouwd toch vrij lelijk gebruiksaardewerk was. Ondertussen had hij beslist niet bewezen dat de Trojaanse Oorlog werkelijk had plaatsgevonden, maar die nuance liet hij achterwege.

Het overdrijven van het belang van de vondsten is sindsdien een standaardpraktijk. Het gaat te ver Schliemann verantwoordelijk te stellen voor het feit dat in 2012 een kleine 40% van de archeologische persberichten overdrijvingen of regelrechte onwaarheden bevatte (en inmiddels meer), maar hij heeft de toon gezet.

Schliemanns oudheidkundige collega’s moesten maar weinig hebben van de schreeuwerige manier waarop de opgraver van Troje zijn vondsten verbond met het verhaal van de Ilias. Zij stonden echter voor dezelfde moeilijkheid. Ook hun vondsten lieten zich moeilijk rijmen met de verheven, gymnasiale leer over het ideële Reich der Innerlichkeit vol poëzie en schöne Kunst. Daarmee toch contact maken was sindsdien het onuitgesproken doel van menig klassiek archeologische publicatie.

[Wordt vervolgd]

20 gedachtes over “MoM | Archeologie als dienstmaagd (1)

  1. De Angelsaksische wereld liep niet voorop in de archeologie, schrijf je. Toch was het een zekere Frank Calvert die Schliemann op Hisarlik wees als meest waarschijnlijke locatie voor Troje. Sterker nog; hij had de eerste opgravingen verricht. En deze Calvert was bij mijn weten een Brit, geen Duitser…

    1. Toch waren het de Duitsers die destijds de wetenschappelijke voorhoede vormden. Kijk maar naar de voorbeelden die Jona in het tweede deel noemt: Weber, Dressel. Je kunt Mommsen en Wilamowitz toevoegen, en Beloch en Droysen, en Curtius en Delbrück. De grote woordenboeken komen nog steeds uit Duitsland.

    2. Zie wat CK al schrijft. Maar ook: het belang van Calvert, die inderdaad als eerste een concessie had om op die heuvel te graven, wordt in de Engelse literatuur wat overdreven. Er moet een Engelse held zijn. ik zou, als ik een Nederlander kon noemen, de verleiding ook niet weerstaan.

      1. Voor wat de archeologie als VAK of WETENSCHAP betreft kún je in ieder geval een Nederlander noemen, Jona, n.l. Caspar Reuvens, de eerste opgraver van Forum Hadriani (Voorburg), de eerste directeur van het RMO, en de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Zijn beschrijving van zijn opgraving van Forum Hadriani toont methodisch werk en correcte verslaglegging, een vijftigtal jaren voordat Schliemann los ging op de heuvel van Hisarlík.

      2. CK brengt wetenschappers uit een andere discipline aan- tenzij er een beroemde Duitse archeoloog zou zijn geweest die ook Mommsen of Weber heet, is zijn reactie feitelijk volkomen irrelevant. We hadden het namelijk over archeologie, niet over rechtsgeleerden als die goeie ouwe Theodor…

  2. Klaas

    ” vonden ze vooral muurfragmenten, funderingen, keukengerei, weefgewichten, muntjes, etensresten en ander strooigoed.”

    Blijkbaar een probleem dat Schliemann niet had, zie de beroemde (beruchte?) ‘Schat van Priamus’, die trouwens een aardige illustratie is van een gezochte link met de Ilias.

  3. FrankB

    “… de verheven, gymnasiale leer …”
    Dit is natuurlijk goed voor het het zelfbeeld der dames en heren classici, die aldus de perfecte smoes hebben zich te blijven verschansen in hun ivoren torens, ver verheven boven het plebs. Het helpt dat deze houding lieden afschrikt die de neiging hebben zich met dat plebs identificeren, zoals ik. Laat ik hen eens sterken in hun misplaatste superioriteitsgevoelens.
    Van oudheidkunde snap ik de meerwaarde. Van archeologie ook. Taalkunde: toppie. Maar classici? De besten onder hen

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Classicus

    beseffen de ijdelheid en leegheid van hun vak en gaan iets zinnigs doen.
    (Voor iemand de naam noemt: Ulrich Wie?)

    1. Toch is dit flauw. Wat classici doen is geen rocket science, en zeker de laatste kwart eeuw is er een terugkeer zichtbaar naar de negentiende eeuw. Maar het blijft binnen het middelbaar onderwijs een inspirerend model om jonge mensen over teksten te laten discussiëren. Een scheikundeleraar die zijn kinderen een simpel proefje laat doen, moet je ook niet verwijten wat de universiteiten verkeerd doen.

      1. Rocket science is een vaak gebruikte term. Maar hij slaat nergens op: rocket science is nl helemaal niet zo moeilijk. Gewoon genoeg brandstof in een cilinder gooien, een lucifer erbij houden, et voila, we have lift-off.
        Laten we eens stoppen al die omhooggevallen, zelfingenomen ingenieurtjes op een voetstuk te plaatsen- het zijn gewoon veredelde knutselaars.

  4. Rudmer Koopal

    “dat archeologie ondergeschikt was aan het echte werk, dat van de classici”. Het mag dan niet gemeen bedoeld zijn, maar kwalijk is het wel dat dit soort opmerkingen. Hoe ga je als classicus de bronstijd in Nederland en nog eerder verklaren op basis van de Klassieken? Het is volslagen apekool dat leraren klassieke talen kinderen dit soort onzin vertellen. Op je blog geef je telkens van repliek als dit ter sprake komt en je geeft aan hoe belangrijk het is om alle bronnen, archeologie, taalwetenschap, dna, isotopen geografisch, klimaat , klassieke teksten etc. te betrekken in de geschiedschrijving. Ik verwacht dan ook dat je zo’n leraar meteen op zijn vingers tikt. Je wilt dat de Klassieken uit hun ivoren toren komen, dat gaat niet lukken als gymnasiasten nog steeds dit soort onzin krijgen voorgeschoteld door hun (jonge) leraren.

    1. Het is zinvol afgestudeerden een vak “wat je niet weet” te doceren, zodat ze de contouren herkennen van wat ze niet uitgelegd hebben kunnen krijgen.

      1. Rudmer Koopal

        Helemaal met je eens, alleen dat neemt niet weg om afgestudeerden die dit niet krijgen of niets met de geleerde kennis doen om die niet op hun uitspraken/ denkwijze aan te spreken.

  5. Christo Thanos

    De afgelopen 50 jaar is er zeer veel kritiek geweest op Schliemann en zijn methode. Een deel zeer terecht en een deel ook onterecht. Schliemann was een wetenschapper van zijn tijd.

    Hij heeft er wel voor gezorgd dat er zeer zeer veel gepubliceerd is over Troje en Mycene. Hoe waar of onwaar zijn inhoud ook was, door de zeer vele krantenartikelen was Troje ook bij de 19e eeuwse ‘gewone’ arbeider bekend (voor zover deze kon lezen). Zoek maar eens in de krantenarchieven het woord Troje op in Delpher (Nederlandse kranten):
    – periode 1870-1899: 1321 treffers (Schliemann komt op 986 treffers)
    – periode 20e eeuw: 20.517 treffers (Schliemann komt op 1380 treffers).
    En dan hebben we het nog niet eens over de buitenlandse kranten! Ik denk dat door deze publiciteit er veel meer aandacht is gekomen in de klassieke wereld, niet alleen in de 19e maar ook in de 20e eeuw (zoals er ook meer aandacht is gekomen door Carter (Egypte) en Evans (Knossos).

    Er is veel terechte kritiek geweest op zijn manier van opgraven, maar zijn publicaties waren wel snel (binnen enkele jaren na de opgraving), gedetailleerd en in de laatste jaren multidisciplinair. Toch maar weer eens een voorbeeld voor de huidige wetenschappers binnen de archeologie/klassieke wereld.

Reacties zijn gesloten.