De Archidamische Oorlog (1)

Perikles (British Museum, Londen)

Een tijdje geleden blogde ik over het uitbreken van de Archidamische Oorlog. Er was een goed-doordacht vredesverdrag geweest tussen Athene en Sparta, het Dertigjarig Bestand, maar de diplomatieke complexiteiten waren groter dan het menselijk vernuft kon oplossen. In de crisis rond Korkyra waren de complexiteiten onbeheersbaar geworden en de oorlog was uitgebroken in 431.

Athene had toen de eerste slag al verloren: die om de publieke opinie. Het orakel van Delfi steunde Sparta en zelfs de Atheners twijfelden aan de wijze waarop Perikles de kwestie-Korkyra had afgehandeld. De erop volgende maanden droegen niet bij tot een afname van de spanningen. Rekening houdend met een conflict met Korinthe dwong Athene de stad Poteidaia, een Korinthische kolonie die tevens lid was van de Delische Zeebond, zich ondubbelzinnig vóór Athene uit te spreken. Het enige resultaat was een kostbare belegering en extra ergernis in Korinthe. Vervolgens legde Perikles de Korinthische bondgenoot Megara een handelsembargo op, waarschijnlijk met het doel verdere steun aan Korinthe te ontmoedigen.

Dat pakte averechts uit: de Grieken kenden geen handelsembargo’s en in het Nabije Oosten, waar ze wel bestonden, kende men ze alleen in oorlogstijd. Perikles’ maatregel moest wel worden uitgelegd als agressie en Korinthe kreeg nu steun van Sparta, dat Athene in de winter van 432/431 een ultimatum stelde: vrede bleef mogelijk als het handelsembargo werd ingetrokken. Volgens het Dertigjarig Bestand moesten geschillen echter worden beslist door arbitrage en Perikles overtuigde de Volksvergadering ervan dat Athene niet moesten toegeven aan de Spartaanse druk. Daarmee werd oorlog onvermijdelijk en was Athenes enige rechtvaardiging de letter – en niet de geest – van het verdrag. De grappen over onbegrijpelijke diplomatieke formaliteiten in een komedie van de Atheense toneelschrijver Aristofanes bewijzen dat een groot deel van zijn publiek ook zo zijn twijfels had.

De strategie van de Spartanen was erop gericht de Delische Zeebond uit te putten. Elk jaar zouden hun legers het Atheense platteland plunderen, net zo lang tot de economische schade zo groot zou zijn dat de vijand zich overgaf. Dan zou Sparta de ontmanteling van de Zeebond eisen en waren, zoals men zei, de Grieken van de dwingeland bevrijd.

Aangezien de Spartanen zich de ontbinding van de Atheense alliantie ten doel hadden gesteld, zouden hun tegenstanders de oorlog winnen door dat te verhinderen. Perikles zei dat de Atheners konden volstaan met de afwachtende strategie die ik al eens beschreef: ze ontruimden het platteland en trokken de bevolking samen in de stad, die door de zogeheten “lange muren” was verbonden met de havens. Zolang Athene de zee beheerste en handel kon drijven, hoefde het van de plundering van het platteland niet wezenlijk te lijden. Ondertussen zou de Atheense vloot het land van Sparta’s aan zee wonende bondgenoten plunderen. Zo hoopte Perikles de vijandelijke alliantie te verdelen en te demoraliseren.

Een blik in het kasboek leert dat hij te optimistisch was geweest. In de Atheense schatkist zaten 6000 talenten en de inkomsten bedroegen in vredestijd 1000 talenten per jaar. Aan de uitgavenzijde stonden in het eerste oorlogsjaar een expeditiemacht van honderd triëren en 1400 soldaten – 150 talenten per maand – en een tweede vloot die dertig talenten per maand kostte, alsmede de belegering van Poteidaia, die elke maand 150 talenten opslokte. Na het eerste jaar kunnen er niet meer dan 4200 talenten in kas zijn geweest. Het zal niemand hebben verbaasd dat de Atheners, toen de goden hun stad in het tweede oorlogsjaar ook nog eens troffen met een epidemie, aandrongen op vredesonderhandelingen en Perikles als leider afzetten. Toen bovendien het eiland Lesbos in opstand kwam, leek de Delische Zeebond op het punt te staan uiteen te vallen.

[Wordt vervolgd]