Constantijn en de zondagsrust

Constantijn en de zonnegod

Iemand stelde me een leuke vraag: of de mensen in de Oudheid een zevendaagse week kenden, met dus een zondag als vaste rustdag.

Sabbat

Ja. In elk geval de Joden kenden een zevendaags ritme, met de zaterdag ofwel sabbat als verplichte rustdag. Omdat je als Jood dankbaar was voor de genade van God dat je behoorde tot het uitverkoren volk, probeerde je zo goed mogelijk om te gaan met de rustdag en daarover is vrij veel halachische discussie geweest.

Zoiets wordt, in elke juridische cultuur, opgehangen aan standaardvoorbeelden en in dit geval was dat de vraag of je op de sabbat iemand mocht redden uit een put. De Dode-Zee-rollen documenteren een groep die vond dat de sabbatsrust, als goddelijke instelling, ging vóór het redden van een mensenleven, terwijl de Mishna (een verzameling rabbijnse wijsheid) het farizese standpunt weergeeft dat het redden van een mensenleven gaat vóór de sabbatsrust. De auteur van het Mattheüs-evangelie laat Jezus zeggen dat als mensen een dier redden dat op de sabbat in een put is gevallen, het redden van een mens zeker is toegestaan. Kortom: de zevendaagse week bestond niet alleen maar was ook goed-doordacht.

Rome

De meer westers wonende volken kenden geen zevende dag. De Romeinse kalenders vermelden een acht- of negendaagse marktcyclus, waar de talloze feest- en vrije dagen min of meer willekeurig doorheen waren gestrooid.

Het was keizer Constantijn die de zondagsrust invoerde. De maatregel is tweemaal gedocumenteerd. De eerste keer is de inscriptie uit het noorden van het huidige Kroatië die bekendstaat als EDCS-26600402. Constantijn stelt daar een markt in die elke week gehouden moet worden op de Dies Solis. Daarmee is in elk geval de naam zondag gedocumenteerd en we mogen aannemen dat die paste in een cyclus van zeven dagen, al staat dat er niet.

De inscriptie is ongedateerd, maar Constantijn veroverde dit gebied in het najaar van 316; ik blogde er al eens over op de website die ik wijdde aan het boekje dat Vincent Hunink en ik maakten, Het visioen van Constantijn. De inscriptie moet verder dateren van voor 7 maart 321, omdat Constantijn toen een wet uitvaardigde die de zondagsrust algemeen voorschreef (Codex Justianus 3.12.2). Er staat dies festus en dat suggereert dat het echt een rustdag was.

Zondag en Dag des Heren

Let overigens op de precieze woordkeuze: Dies Solis. Dat is letterlijk de “dag van de zon”. Er staat nooit Dies Dominicus, “dag des heren”. Hoewel Constantijn in de loop van zijn carrière steeds meer belangstelling kreeg voor het christendom, was hij in de jaren van deze regelgeving geen christen – wat dat woord op dat moment ook betekend moge hebben. Pas na 324 zien we een keizer die ervan uitgaat dat wie in Christus geloofde, niet ook in andere goden kon geloven. Dat is ook de vorst die een concilie samenroept om voor eens en voor altijd vast te leggen waarin gelovigen dan precies dienen te geloven.

Zo ver was Constantijn in 316-321 nog niet. Hij vereerde, sinds hij in Gallië een lichtvisioen had gehad, de zonnegod. Of hij in de jaren 316-321 Christus en de Zon zag als twee elkaar niet uitsluitende godheden, of beschouwde als twee uitingen van dezelfde bovennatuurlijke macht, of zijn oordeel opschortte – we weten het niet. Feit is dat de zondag al was voorgeschreven aan Constantijns onderdanen voordat de heerser zich volmondig als christen identificeerde.

[Meer weten? Lees Het visioen van Constantijn, het leuke boek dat Vincent Hunink en ik maakten over dit onderwerp. Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

17 gedachtes over “Constantijn en de zondagsrust

  1. Remco

    “Er staat dies festus en dat suggereert dat het echt een rustdag was.”

    Ik zie in die passage van Iustinianus (3.12.2) geen “dies festus” staan. Dat er sprake is van zondagsrust, is duidelijk: venerabili die solis quiescant.

  2. Marcel Meijer Hof

    Sjabbath:

    « Rebbe, als ik in de thora lees, kan ik dan mijn pijp roken ? »
    « Neen mijn zoon, bij het lezen in de thora dient men zich te concentreren op het Woord. »

    « Maar Rebbe, als ik mijn pijp rook, mag ik dan in de thora lezen ? »
    « Natuurlijk mijn zoon, de studie in de thora is altijd profijtelijk. »

  3. sara

    Heeft de zeven-daagse indeling bij de Joden ook niet te maken met de Joodse Elohim – zeven in getal? Zij waren de geesten van het ochtendgloren, die bekend waren als de aartsengelen die de planeten controleerden.
    Ook is volgens oude mythologie (bv. Pythagoreeërs) de heptade het getal van de wet, daar het het getal is van de makers van de kosmische wet, de zeven geesten voor de Troon. Voor hen was het getal zeven ook het getal van de godsdienst.
    Er kleeft nogal wat mythologie en religie aan het getal zeven. Overigens ook aan andere getallen.

      1. Dat een negentiende-eeuws wiskundige in priemgetallen geïnteresseerd is, kan noch als bewijsmateriaal noch als illustratie dienen voor de bewering dat priemgetallen altijd fascinerend geweest zijn

  4. De week, zoals wij die kennen, stamt uit het oude Israël en is gangbaar geworden na de Babylonische ballingschap (587 – 539 v.Chr.). De Joodse week kent zeven dagen en de zevende dag is de sabbat, een rustdag. Vóór de ballingschap was de sabbat de aanduiding van de volle maan. Maanden waren in het oude midden oosten, de Griekse wereld en het vroege Rome, net als nu in de islamitische wereld, maanmaanden. Zij begonnen met nieuwe maan en dit betekent dat de volle maan altijd in het midden van de maand plaats heeft, ca. de 15e dag (bij de Romeinen Idus geheten). Een maanmaand heeft 29 of 30 dagen. Halve maan is ook een ijkpunt en daarom is in veel culturen de 7e of 8e dag eveneens een belangrijke dag.
    Voor de ballingschap was de sabbat aanduiding van het midden van de maand, de volle maan. Dat blijkt b.v. uit Jesaja 1:13 en 2 Koningen 4: 22-3 waar ‘nieuwe maan’ en sabbat naast elkaar worden genoemd. Het woord sabbat is ontleend aan het Babylonische woord Sjabattoe, dat eveneens staat voor de 15e dag, de volle maan.
    De Joodse wet kende een regel dat men in de oogsttijd niet langer mocht werken dan zeven dagen achter elkaar en dat men op de 7e dag moest rusten. Het woord sabbat wordt in die teksten niet genoemd: Exodus 23: 12; 34: 21. Het getal 7 was in Mesopotamië een veel gebruikt rond getal. Na de ballingschap hebben de Joodse wetgeleerden deze twee regels met elkaar verbonden. De periode van 7 dagen werd een vaste periode en de zevende dag, waarop men moest rusten werd sabbat genoemd. Zo is het in de 10 geboden terechtgekomen. Opvallend hierbij is dat de zo ontstane week los kwam te staan van de maand. De sabbat verloor zijn link met de volle maan en de eerste dag van de week viel niet noodzakelijk samen met de 1e dag van de maand.
    De Joodse week deed in de vroege keizertijd (ca. 1e of 2e eeuw na Chr.) ook zijn intrede in de Romeinse wereld. Ook de Romeinen kenden een vaste dag in het midden van hun maanmaand (de idus) en ook zij hadden een marktdag (vrij van boerenarbeid) op ca. een kwart van de maand, de 8e dag. Maar omdat de Joden zo talrijk waren geworden in Rome, veel handel dreven en op de zevende dag, de sabbat, niet werkten, begonnen de Romeinen dit schema ook over te nemen. Voor hen was de sabbat, die zij noemden naar Saturnus, de eerste dag (‘zaterdag’) en de volgende dagen werden naar hemellichamen/goden genoemd: zondag, maandag, dag van Mars, Mercurius, Jupiter en Venus. Die namen zijn in Romaanstalige landen in de namen van de weekdagen nog te horen (maar in het Italiaans heet de zaterdag sabato). In Germaanstalige landen zijn er Germaanse goden voor in de plaats gekomen: dinsdag (dag van Tiws = Mars), woensdag (Wodan), donderdag (Donar), vrijdag (Freia).
    Ook de christenen namen de Joodse week over en de sabbat, de zaterdag, bleef de 7e dag. Zondag is de eerste dag der week en aan het eind van die dag kwamen christenen, na hun werk, bijeen voor gemeenschappelijke maaltijden (Handelingen 20: 7). Die dag werd ook wel dies dominicus genoemd, ‘dag van de Heer’ (vgl. dimanche in het Frans), de dag van de opgestane Heer (Marcus 16:9). De christenen nummerden ook liever de dagen dan dat zij de godennamen gebruikten (maandag 2e dag, etc., zaterdag sabbat). Van zondagsrust was in de eerste eeuwen nog geen sprake. Christenen, zeker de christenen van Joodse komaf, onderhielden de sabbat. Het was pas de Romeinse keizer Constantijn de Grote die in 321 de zondag tot rustdag maakte. Men kan dit zien als een anti-joodse maatregel. Tijdens het concilie van Nicaea (325) liet hij vastleggen dat het christelijk paasfeest (herdenking van Jezus’ opstanding – destijds tijdens het joodse paasfeest) niet mocht plaatshebben tegelijk met het joodse paasfeest (14e van de maanmaand nisan), op welke datum tot die tijd veel christenen de opstanding van Christus herdachten.

    1. Willem Visser

      Helder geschreven en leerzaam stuk Bert. Maar mijn vraag aan Jona gisteren is (nog) niet volledig beantwoord. Ik wilde weten of oude volken (hunebedbouwers, trechterbekercultuur) of onze verre voorouders (noem ze [Noordzee] Germanen, Frisionen, Kelten, Sami of Batavieren) ook een zevendaagse (werk)week kenden. De codex van Hammurabi spreekt bijvoorbeeld over een rustdag voor de edelen…

    2. Theo van Dijk

      Ik vroeg me al wel eens af waarom de weekdagen in het Portugees zo saai zijn: segunda feira, terça feira etc.

      1. Arnold den Teuling

        Dat zijn de namen van de dagen in de liturgieën van het Katholieke kerkelijke jaar. Feria prima = maandag etc. Dominica = zondag, niet dominicus. Hoewel “Gaudeamus in diem festum”, van St Agatha en vele andere heiligen.

        1. Vasílis

          Ja, in het Grieks is zondag Kiriakí (Κυριακή) Dominica, maandag Deftéra (Δευτέρα) twee etc. en zaterdag Sávvato/Sabbato (Σάββατο).

Reacties zijn gesloten.