Tripoli in 1047

De laat-middeleeuwse fontein in de Vrijdagsmoskee van Tripoli

Nasir Khusrau, die eigenlijk Abu Mu’in Hamid al-Din Nasir ibn Khusrau ibn Harith al-Qubadiyani al-Marvazi heette en leefde van 1004 tot ca. 1080, was een Perzische dichter en filosoof. Hij was ook een ismaïli, wat betekent dat hij behoorde tot een destijds belangrijke sjiitische groep. Ik blogde daar al eens eerder over. In 1046, vertrok Nasir Khusrau vanuit zijn geboortestad, ergens in het noorden van het huidige Afghanistan, voor een reis naar Mekka. Hij ging verder naar Egypte, waar destijds een ismaïlisch kalifaat bestond, de Fatimiden. In Nasir Khusraus Safarname, “het boek der reizen”, doet hij verslag van zijn zevenjarige tocht.

In 1047 trok hij door wat nu Libanon heet. Zijn beschrijving is niet alleen waardevol omdat de auteur, net als zijn oudere tijdgenoot Ferdowsi, een van degenen was die het Perzisch als spreektaal propageerde, maar ook omdat hij vertelt hoe het Nabije Oosten er kort voor de Kruistochten uitzag. Zo beschrijft hij de stad Tripoli, die jarenlang werd belegerd door Raymond van Saint-Gilles en pas in 1109 werd ingenomen. De beschrijving van de stadsmuren en de ribats (een soort klooster-kastelen) maakt wel duidelijk waarom.

***

Tripoli

Van Aleppo naar Tripoli is ongeveer veertig uur gaans. Door ons tempo bereikten we laatstgenoemde stad op zaterdag 5 sha’ban (10 februari 1047noot Feitelijk een woensdag.). De gehele omgeving van de stad bestaat uit velden, tuinen en boomgaarden. Het suikerriet groeit er weelderig, net als de sinaasappel- en citroenbomen; ook de banaan, de limoen en de dadel. Toen wij aankwamen, waren ze bezig met het sap van het suikerriet.

De stad Tripoli is zó gelegen dat drie zijden ervan grenzen aan zee. Als de golven op de kust breken, slaat het zeewater tegen de stadsmuren. De vierde zijde, die naar het land is gericht, wordt beschermd door een diepe gracht, die ten oosten van de stadsmuur ligt, met als opening een stevig gebouwde poort van ijzer. De muren zijn gemaakt van gehouwen steen, net als de kantelen en de schietgaten. Achter de kantelen zijn blijden geplaatst, omdat ze bang zijn voor de Grieken, die met hun schepen de stad proberen te overvallen.

De stad is duizend el lang en breed. De serails zijn vier of vijf verdiepingen hoog en er zijn er zelfs met zes verdiepingen. De privéhuizen en de bazaars zijn goed gebouwd, en zo schoon dat je zou kunnen denken dat het prachtige paleizen zijn.

Eten en drinken

Elke soort vlees en fruit en al het eetbaars dat ik ooit in Perzië heb gezien, is hier te krijgen, en honderd keer beter van kwaliteit. In het midden van de stad staat de grote Vrijdagmoskee, die goed is onderhouden, mooi versierd en solide gebouwd. Op de binnenplaats verrijst een grote koepel boven een waterreservoir, met in het midden een koperen fontein.

Ook in de bazaar is een fontein, met vijf spruiten waaruit overvloedig water komt voor degenen die water nodig hebben. Wat resteert vloeit over de grond naar de zee.

Ze zeggen dat er 20.000 mannen leven in deze stad, en dat ze heerst over veel aangrenzende dorpen en gebieden. Ze maken er heel goed papier, zoals dat van Samarkand, alleen van betere kwaliteit.

Fatimidisch garnizoen

De stad Tripoli behoort aan de sultan van Egypte. De reden daarvan, zo is me verteld, dat op een zeker moment een leger van de ongelovigen uit Byzantion tegen de stad was opgetrokken, uit Egypte de moslims oprukten om de ongelovigen te bevechten en hen verdreven. De sultan van Egypte heeft de stad echter zijn landbelastingen kwijtgescholden. Er is wel altijd een garnizoen van de sultan, met een commandant die de stad moet beschermen tegen de vijand.

De stad is ook een stapelplaats, waar alle schepen die van de kusten van de Grieken en de Franken komen, en van Andalusië en van de westelijke landen die we de Maghreb noemen, een tiende moeten afdragen aan de sultan. De opbrengsten worden benut voor de rantsoenen van het garnizoen. De sultan heeft ook eigen schepen in Tripoli, die met handelswaren varen naar Byzantion en Sicilië en het westen.

De inwoners van Tripoli zijn allemaal sji’ieten. Die hebben overal mooie moskeeën voor zichzelf gebouwd. Er zijn in deze plaats huizen zoals ribats, alleen staat er niemand op wacht. Zij noemen de ribats overigens moskeeën of martyria. Er zijn geen huizen buiten de stad, afgezien van twee of drie moskeeën.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dat kan hier en daar. Ik weet toevallig dat dit project wordt geheroriënteerd om de displaced persons te helpen.


Ibn al-Haytham

april 11, 2015

Nogmaals El-Andalus

november 24, 2025
Deel dit:

5 gedachtes over “Tripoli in 1047

  1. Nanny

    ‘De privéhuizen en de bazaars zijn goed gebouwd, en zo schoon dat je zou kunnen denken dat het prachtige paleizen zijn.’
    Nauwelijks te geloven dat dit het Tripoli van nu is.

  2. Bert van Leeuwen

    Interessant stuk. Wel een beetje geografisch verwarrend voor mij: eerste schrijf je dat Nasir van Afghanistan naar Egypte reisde en dan ga je verder over Tripoli, dus ik nam aan Tripoli in Libie; maar dan “40 uren gaans van Aleppo”, dus toch Libanon. Het is 280 km, dus 7 km/uur. Hij verplaatste zich op een reisdier, want dat is een fors tempo voor een wandelaar in Midden-Oostentemperaturen?

Reacties zijn gesloten.