Muggenziften

Een zeef om te muggenziften

Het antieke jodendom kende diverse stromingen, waarvan we er sommige bij naam kennen. De sadduceeën, de essenen, de farizeeën, de sicariërs en de christenen zijn bekend uit de geschriften van Flavius Josephus; het Nieuwe Testament voegt de mysterieuze Herodianen toe; we kennen verder de sekte van de Dode Zee-rollen; en kort voor de verwoesting van de Tempel duiken de zeloten op. Over de farizeeën en de sekte van de Dode Zee-rollen weten we voldoende om te weten dat het ging om meer dan één groep. Van de christenen en sicariërs is bekend dat ze ook niet-Joodse leden hadden.

Zoals dat gaat: de aanhangers van deze groepen respecteerden elkaar en scholden elkaar uit. Zolang de Tempel er was, was er iets dat hen verbond. Maar in 70 gaf Titus opdracht die te verwoesten (het was geen toeval, zoals Josephus insinueert). Met de Fiscus Judaicus zette de Romeinse overheid vervolgens druk op de joodse gemeenschappen, en het jodendom raakte gepolariseerd tussen twee stromingen.

Enerzijds waren er de farizeeën en met hen verwante groepen, die het leiderschap erkenden van de rabbijnen; anderzijds waren er de christenen. Er zijn (mijns inziens: voldoende sterke) aanwijzingen dat het leiderschap aanvankelijk was in handen van Jezus’ familie. Erg belangrijk is het niet – het gaat erom dat de late farizeeën ofwel vroeg-rabbijnse joden zich afzetten tegen de christenen en dat de christenen zich afzetten tegen de farizese, vroeg-rabbijnse joden.

Deze polarisatie vormt de context waarin Matteüs de redevoering tegen de farizeeën samenstelde. Het gebruikte materiaal is ouder, maar de intern-joodse polemiek van de oorspronkelijke woorden is, doordat van de vele stromingen er maar twee waren overgebleven, veranderd in een christelijk-joodse polemiek. Wat ooit bedoeld was geweest als het soort verwijt aan een andere joodse stroming, het soort verwijt waarvan er destijds dertien in een dozijn gingen, was nu een verwijt aan het leiderschap van alle niet-christelijke joden. Anders gezegd, leiders die niet hadden gezien dat Jezus de messias was geweest en te verblind waren om de christelijke leiders erkennen.

Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het een zou moeten doen zonder het andere te laten. Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken.noot Matteus 23.23-24; NBV21.

Het laatste beeld spreekt tot de verbeelding. Je ziet zo iemand z’n drank zeven om te verhinderen dat er een mug in zit die hij zou kunnen opdrinken. Ik vraag me echter af welk verbod hieraan ten grondslag ligt. Het is niet iets dat ik meteen herken uit de joodse spijswetten.

De farizese canon van de geïnspireerde literatuur komt overeen met wat wij kennen als de joodse Bijbel; ik weet niet welke regel voorschrijft dat je je drank moet filteren. Leviticus 11.44 komt in de beurt (“verontreinig je keel niet met dieren die op de grond rondkruipen”), en de uitleg maakt duidelijk dat daar allerlei soorten dieren mee zijn bedoeld, maar eigenlijk kruipen muggen niet zoveel over de grond. Het door Matteüs geciteerde verwijt is dus dat men bij het vervullen van een gebod verder gaat dan noodzakelijk. Eigenlijk verwijst ons woord muggenziften dus niet naar iemand die zich druk maakt over trivialiteiten, maar naar iemand die roomser is dan de paus.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

Deel dit:

4 gedachtes over “Muggenziften

  1. Dat de ‘anti-joodse polemiek’ in het NT in feite een intern-joodse discussie betrof is voor het Evangelie naar Johannes al uitvoerig onderbouwd door J. Louis Martyn, History and Theology in the Fourth Gospwl Third Edition (Louisville, KY: Westminster John Knox Press, 2003, 1e druk 1968). Ik denk ook dat de verwijdering en later de breuk tussen de rabbijns-joodse en de christelijke stromingen ook in de eerste plaats ging over hoe men omging met de geboden uit de Torah. Rabbijnen bouwden om de geboden juist een ’tuin’, wat hen het verwijt van muggenziften opleverde, terwijl christenen precies het omgekeerde deden, met een beroep op wat Jezus had onderwezen. Dat christenen daarom Jezus als messias en vervuller van de Wet erkenden kwam logischerwijze daarna. De breuk tussen jodendom en christendom gaat dus in eerste instantie over wat men wel of niet deed met de geboden uit de Torah, waarbij het afwijzen of aanvaarden van Jezus als messias een logisch vervolg werd. Toen de breuk tussen kerk en synagoge definitief geworden was, werden de oorspronkelijk intern-joodse discussies in de evangeliën veralgemeniseerd, zo niet verabsoluteerd, en kregen die een anti-joodse, zelfs antisemitische, lading. Waarvan de kerken zich in de 20e eeuw pas, en met grote moeite, zijn begonnen te bevrijden.

  2. Marijn Taal

    ‘als verwijt aan het soort verwijt aan een andere joodse stroming’. Dubbel?

    ’te verblind waren om de christelijke leiders niet erkenden’ = te verblind om te erkennen?

  3. Waarom zou er een wet aan het ziften ten grondslag moeten liggen? De beeldspraak is duidelijk en direct te vergelijken met de spliter/balk in iemands oog, toch?

Reacties zijn gesloten.