Muggenziften

Een zeef om te muggenziften

Het antieke jodendom kende diverse stromingen, waarvan we er sommige bij naam kennen. De sadduceeën, de essenen, de farizeeën, de sicariërs en de christenen zijn bekend uit de geschriften van Flavius Josephus; het Nieuwe Testament voegt de mysterieuze Herodianen toe; we kennen verder de sekte van de Dode Zee-rollen; en kort voor de verwoesting van de Tempel duiken de zeloten op. Over de farizeeën en de sekte van de Dode Zee-rollen weten we voldoende om te weten dat het ging om meer dan één groep. Van de christenen en sicariërs is bekend dat ze ook niet-Joodse leden hadden.

Zoals dat gaat: de aanhangers van deze groepen respecteerden elkaar en scholden elkaar uit. Zolang de Tempel er was, was er iets dat hen verbond. Maar in 70 gaf Titus opdracht die te verwoesten (het was geen toeval, zoals Josephus insinueert). Met de Fiscus Judaicus zette de Romeinse overheid vervolgens druk op de joodse gemeenschappen, en het jodendom raakte gepolariseerd tussen twee stromingen.

Lees verder “Muggenziften”

Barnabas, de leviet van Cyprus

Recent mozaïek van Barnabas (Kykkosklooster)

De vier cirkels rond Jezus waren – zoals ik al eens heb uitgelegd – zijn algemene publiek, de leerlingen, de Twaalf en de groep die bekendstaat als de Apostelen. Die laatsten, een stuk of zeventig in getal, zond hij twee aan twee uit. De groep bleef na Jezus’ dood bestaan en belichaamt zo de continuïteit van een plattelandsmessias naar de jonge kerk. Er waren vermoedelijk echtparen bij; we kennen althans een apostel die Junia heette.

Barnabas de Leviet

Toen Paulus zich, na een wonderlijke gebeurtenis op de weg naar Damascus, had bekeerd, ging hij zichzelf apostel noemen (althans in zijn brieven; de Handelingen zijn op dit punt terughoudender). Zijn reisgenoot zou Barnabas zijn, een volgeling van het eerste uur, toen de christenen (net zoals de sekte van de Dode-Zee-rollen) nog alles gemeenschappelijk hadden bezeten.

Lees verder “Barnabas, de leviet van Cyprus”

Romeins Recht (2): Keizertijd

Portret van een Romeinse rechtsgeleerde, vermoedelijk Ulpianus (Palazzo Massimo, Rome)

In het vorige blogje vertelde ik over de complexe republikeinse grondslagen van het Romeins Recht. In de Keizertijd ontstond steeds meer behoefte aan één, systematisch geordend geheel. Eén reden was dat de rechtsgeleerden zochten naar algemene principes, een tweede reden was ambtelijke rationaliteit, een derde reden was het verlangen geen rechtsongelijkheid te laten groeien tussen de diverse provincies. Dit was geen denkbeeldig gevaar. Immers, de keizer regeerde officieel als gouverneur van een stuk of twintig provincies, waar zijn edicten golden, terwijl er ook een stuk of twintig provincies waren waar dat niet het geval was.

Eén Romeins Recht

In anderhalve eeuw keizerlijk bewind veranderde de situatie aanzienlijk. Hoewel het gewoon mogelijk was dat in de ene provincie keizerlijk recht gold en in de andere niet, volgden de magistraten in de niet-keizerlijke provincies doorgaans de keizerlijke edicten. Dat gold ook voor het recht van niet-Romeinen. Waar we dat kennen, zoals in Judea, accepteerde men de Romeinse regels. De Mishna, de eerste optekening van rabbijnse wijsheid, is te zien als een handboek om joods te leven in een wereld waar het recht niet meer Joods is.

Lees verder “Romeins Recht (2): Keizertijd”

De Kopten (2)

Het witte klooster in Sohag

Vandaag ga ik verder met mijn verhaal over de Kopten; het eerste deel was hier. Ik heb het vooral over de christenen van laatantiek en vroegmiddeleeuws Egypte, maar er zijn natuurlijk nog altijd Kopten.

Christendom

Het christendom is vrij vroeg aangekomen in Egypte, maar hoe dat is gebeurd, is een van de grootste raadsels uit de oudheidkunde. We hebben geen idee. Dat de evangelist Marcus de eerste bisschop van Alexandrië zou zijn geweest, is een verzinsel. (Het roept wel de vraag op wie er begraven ligt in de San Marco in Venetië.)

Lees verder “De Kopten (2)”

De niet-canonieke evangeliën

Gnostische teksten (Neues Museum, Berlijn)

Elke bijbel bevat vier evangeliën: Matteüs, Marcus, Lukas en Johannes. Die gelden als canoniek, wat alleen wil zeggen dat ze voor christenen grote religieuze waarde hebben. Het zegt niets over hun kwaliteit als historische bron. Voor de oudheidkundige is er alle reden om te kijken of er ooit meer informatie is geweest.

Tweede- en derde-eeuws christendom

Ja dus. Enkele evangeliën zijn, met nog meer literatuur, eind jaren veertig in een kruik teruggevonden bij de Egyptische stad Nag Hammadi. Ze hebben namen als Evangelie van de Waarheid, Evangelie van Filippos en Evangelie van Thomas. De vinders hebben later de archeologen verschillende vindplaatsen aangewezen, waardoor onduidelijk is wanneer de boeken zijn verborgen. Deze teksten gelden als gnostisch, een stroming die enkele overeenkomsten en vooral veel verschillen heeft met wat later orthodox is genoemd. De oorspronkelijke teksten (dus niet de kopieën uit Nag Hammadi) lijken geschreven in de tweede of derde eeuw na Chr. Historisch betrouwbare informatie over Jezus vinden we er niet in. Wel informatie over het christendom in het toenmalige Egypte, een van de meest creatieve regio’s van wat een wereldgodsdienst zou worden.

Lees verder “De niet-canonieke evangeliën”

Het ongrijpbare antieke christendom (4)

Christus als zonnegod (Catacombe van Petrus en Marcellinus, Rome; eerste helft vierde eeuw)

[Ik was begonnen met een lijstje van verwachtingen die je kunt hebben vóór je begint aan onderzoek naar het vroegste christendom. Context hier, eerste deel daar.]

Verwachting 3: Monotheïsme

Zuiver monotheïsme heeft in de Oudheid nooit bestaan. Het jodendom heeft bijvoorbeeld een traditie gekend over een tweede godheid – ik blogde er al eens over – die weliswaar vanaf de derde eeuw na Chr. door het groeiende rabbijnse jodendom werd beschouwd als onorthodox, maar daarom nog wel heeft bestaan en die een denkkader bood waarin Christus paste als een hand in een handschoen. Hoe belangrijk deze traditie is geweest, is niet meer uit te maken omdat laatantieke rabbijnse kopiisten hun vingers aan dit soort teksten niet vuil maakten.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (4)”

Cypriotisch kort (3): Pasen

Bij gebrek aan paas-ikoon geef ik u een ikoon die goede vrijdag voorstelt. Heilig Kruis-klooster, Omodos.

Het paasfeest functioneert in Nederland, zoals u weet, vooral als stok om moslims mee te slaan. Politici die nooit naar de kerk gaan, hebben de mond vol van de joods-christelijke traditie en eisen dat paaseieren ook paaseieren worden genoemd. Verder is tweede paasdag zo’n vrije dag die op elk kantoor leidt tot planningsproblemen en stress, terwijl goede vrijdag nooit ergens een vrije dag is geweest. Ik ontdekte overigens onlangs dat de gemeente Amsterdam zijn ambtenaren op goede vrijdag een vrije dag toekent, maar andere overheidsinstellingen en het bedrijfsleven sluiten niet om te contempleren over het lijden in deze wereld. Hoewel voor dat laatste zeker aanleiding zou zijn, heeft het paasweekend in een seculiere samenleving geen plaats meer.

Dat is anders in Cyprus, waar tweede paasdag door menigeen wordt aangegrepen om van zijn werk weg te blijven – zodat we de opgravingen van Kition, die open behoorden te zijn, niet konden bezoeken. De bewakers waren maandag maar thuisgebleven. Een stevige ergernis, ik geef het toe, maar daar staat tegenover dat ik afgelopen week de prachtigste decoraties heb gezien in elke kerk waar ik kwam. En er zijn hier nogal wat mooie middeleeuwse kerken, met prachtig metselwerk en schitterende iconen. En vol met bloemen en linten dus.

Lees verder “Cypriotisch kort (3): Pasen”

Joodse literatuur

Een van de snippers van “Enige werken der Wet” (Wikimedia Commons)

Het is onmogelijk een inschatting te maken van de mentale afstand die ons scheidt van de Joodse wereld aan het begin van onze jaartelling. De evangeliën documenteren de rafelrand van de antieke samenleving en gaan over de opvattingen van marginale mensen als vissers, hoeren en timmerlieden. Ze waren arm, wisten wat honger was en hadden de middelen niet om zich te laten scholen. Is dit voor ons, levend in de welvarendste samenleving uit de menselijke geschiedenis, al moeilijk voor te stellen, nog moeilijker te begrijpen is wat het met mensen doet rechteloos te zijn. Dat moet voor het overgrote deel van de bevolking van de oude wereld echter de dagelijkse realiteit zijn geweest.

Andere Joodse teksten waren geschreven door geleerden die heel erg vertrouwd waren met de toenmalige religieuze teksten. De Dode Zee-rollen hangen van allusies aan elkaar en als in de Mishna (een grote optekening van rabbijnse wijsheid uit de late tweede eeuw na Chr.) een versregel wordt aangehaald, kan de samensteller volstaan met de eerste woorden. Wij bezitten deze vertrouwdheid ten enenmale niet en veel teksten blijven daarom onbegrijpelijk. Zelfs commentaren, die toch bedoeld zijn geweest om teksten uit te leggen, veronderstellen meer bekend dan ze verhelderen. (De auteur van het beroemde Commentaar op Habakuk hoefde bijvoorbeeld niet uit te leggen wie de Leraar der Gerechtigheid was, want dat was mondeling al doorgegeven.) Wat we in de teksten van de Joodse schriftgeleerden zien, is maar een deel van de informatie die circuleerde. Dit werd al in de Oudheid als probleem ervaren en in elk geval Q en de Mishna zijn bedoeld geweest om mondelinge tradities te bewaren.

Lees verder “Joodse literatuur”

De halachische Jezus

Jezus met de Wet van Mozes (Catacombe van Domitilla, Rome)

Zoals de vaste lezers van deze kleine blog weten, ben ik momenteel bezig met mijn boek over de manier waarop joden en christenen gescheiden wegen zijn gegaan, Israël hersteld. Na in twee hoofdstukken de politieke versplintering en de Romeinse annexatie te hebben beschreven, ben ik nu bezig met het even versnipperde religieuze landschap.

Het is gebruikelijk om op dit punt te verwijzen naar Flavius Josephus, een Joodse historicus die in zijn Joodse oudheden een overzicht heeft opgenomen van de drie belangrijkste stromingen in het jodendom: de sadduceeën, de farizeeën en de essenen. Hij presenteert ze zó dat een Griekse of Romeinse lezer ze kan begrijpen: alsof het filosofische stromingen zijn. De essenen zijn bijvoorbeeld te vergelijken met de aanhangers van Pythagoras. Ook voor de moderne lezer is dit een toegankelijke benadering, dus auteurs die eerder boeken hebben geschreven over de geschiedenis van het jodendom of het ontstaan van het christendom, hebben dankbaar gebruik gemaakt van Josephus.

Lees verder “De halachische Jezus”

Jeruzalem

In de Grafbasiliek

Zoals de joden van Wenen het ooit Mozes kwalijk namen dat hij hun voorouders veertig jaar door de woestijn had laten zwerven in plaats van ze rechtstreeks naar Oostenrijk te brengen, zo heb ik het mezelf kwalijk genomen dat ik meer dan veertig jaar niet naar Jeruzalem ben gegaan. Daarvoor waren goede redenen, maar toen ik er in 2011 voor het eerst was, had ik het gevoel dat ik iets had gemist door er niet eerder heen te gaan. Ik heb die avond een bevriende rabbijn gebeld, die me had geadviseerd de reis te maken. Hoe ik daar stond op het balkon van mijn hotel, telefoon aan mijn oor, kijkend naar de Rotskoepel, luisterend naar een vertrouwde stem: het is een van de drie herinneringen aan Israël die in mijn geheugen zijn geslepen.

Vrijwel alles in Jeruzalem gaat lijnrecht in tegen wat me dierbaar is. Ik ben historicus en mijn liefde voor het verleden is – in alle bescheidenheid gezegd – redelijk belangeloos. Ik ben geen nationalist die moet bewijzen dat Nederlanders een supervolk zijn. Ik ben geen religieuze fanaat die zijn heilsleer een empirische basis wil geven. Ik ben geen academicus die onderzoekspaden negeert die zijn subsidie in gevaar brengen. Niet dat ik in alles vrij ben van eigenbelang, maar als ik bezig ben met het verleden wil ik vooral weten hoe het precies is geweest en ik beleef plezier aan de aha-erlebnis. Dat is genoeg en of het verleden relevant is of niet, maakt mij niet uit.

Lees verder “Jeruzalem”