
Eerst een “disclaimer”: ik ben geen historicus, gewoon een lezer. Wat ik hier dus schrijf ten goede en kwade over De wereld van Clovis hoeft Jeroen Wijnendaele zich niet aan te trekken, wat hij zo al niet zal doen. Een recensie schrijf je vooral voor jezelf, als een samenvatting, en om je eigen gedachten nog eens te ordenen. De wereld van Clovis is zo’n recensie alvast meer dan waard.
Kriskras door Gallië
Tijdens de lectuur moest ik vaak terugdenken aan De ontdekking van Frankrijk van Graham Robb. Die was per fiets kriskras door Frankrijk gereden en had daarover een soort reisverslag geschreven, verrijkt met historische wetenswaardigheden over de streken die hij doortrapte. Die aanpak deed zeer chaotisch aan en ik vorderde traag in het werk. Het beeld over Frankrijk was eerder troebeler geworden dan helderder. Er was niet zoiets als een homogene hexagon die zich chronologisch of geografisch proper gestructureerd liet ontdekken, laat staan snel veroveren, in militaire of cognitieve zin. Dat was precies de boodschap die Robb wilde brengen en dus vroeg ik me af of hij die hermetische vorm gekozen had om de inhoudelijke kern kracht bij te zetten. Zo ja, dan was het een meesterwerk in de non-fictie.
Een gelijkaardige ervaring had ik dus bij de aanpak van Wijnendaele die eveneens kriskras door Gallië en de rest van het West-Romeinse rijk trekt en daarbij even vaak vooruit- als achteruit springt. En net zoals bij Robb lijkt het of hiermee een van de belangrijkste ideeën wordt versterkt: de desintegratie van dat rijk was geen georkestreerde golf van homogene volkeren die, eenmaal de dijk gebroken, duidelijk afgelijnde koninkrijken stichtten, maar een proces van komen en gaan, versmelten en verspreiden. Tot zover mijn misschien twijfelachtige eerste compliment.
De twijfel wordt geschraagd doordat Wijnendaele bij dergelijke vooruitwijzingen of flashbacks schrijft: “zoals we al zagen” of “zoals we later zullen zien”. Dat toont dat hij zijn eigen boek zeer goed kent en dat de keuze dus een bewuste is. Maar het werkte op den duur wel wat op mijn zenuwen en ik dacht, kan je die kruisverwijzing niet anders organiseren, met paginanummers of een indexering? We zijn intussen wel al wat gewoon qua hyperlinking. Wijnendaele maakt aan het einde een inhaalbeweging met zijn tijdslijn en namenregister maar het blijft behelpen in een niet-digitaal werk. Het noopte me tot – straks – een tweede lezing, een studie ditmaal, om die puzzel zelf te leggen. Als dat zijn doel was, dan heeft hij het bereikt.
Rex
Een krachtig idee dat me bijgebleven is, is de betekenis van rex tijdens die desintegratie van West-Rome. Wijnendaele kiest voor “vorst” als vertaling, en wijst het beladen “koning” af, maar ik zou zijn prima uitleg nog eerder weergeven als “krijgsheer”, “legerleider” of “heerser”. De auteur maakt ons diets dat er een groot verschil is tussen “heersen over een gebied” in militaire zin, waarbij het gebied en de heerschappij afhangt van het aantal dagmarsen dat je leger nodig heeft om ergens een opstand neer te slaan; of in burgerlijke zin, waarbij je een goed georganiseerd netwerk hebt van belastingsinning en rechtspraak. In enkele passages over de Goten, Clovis en andere heersers toont de auteur aan dat een anekdotische wrede straf kan geïnterpreteerd worden als de verschuiving van een militaire heerschappij naar een eerste vorm van jurisdictie.
Een kritiek op het boek zou kunnen zijn dat het 140 bladzijden duurt eer Clovis werkelijk zijn opwachting maakt. Ik meen begrepen te hebben dat de titel van het boek een compromis is tussen de vlag waarmee de auteur de lading wou dekken, en de marketing die zijn uitgever voerde. Ik vermoed dat “Clovis” een keuze van die laatste geweest is. Ik ben eerder blij dat het geen biografie van Clovis geworden is en wel een overzicht van hoe onze contreien evolueerden, tussen de laatste vertegenwoordigers van het West-Romeinse rijk, zoals Aetius en Syagrius, en de Frankische stichter van een “noords” rijk, dat werkelijk als voorloper van het huidige Frankrijk mag worden beschouwd. De auteur bekent in een interview dat het levensverhaal van Clovis wellicht op twee A4-tjes had gepast.
Bronnenkritiek
Als adept van Jona’s Oudheidkunde is een wetenschap vind ik Wijnendaele op zijn best wanneer hij aan bronnenkritiek doet: wat mogen we eerder wel en niet geloven van Gregorius van Tours of Ammianus en wat leren we uit het heiligenleven van Geneviève? De kroniekschrijvers lijken de ware helden van dit boek te zijn, de geestelijke ouders van de auteur zelf en letterlijke scheppers van de Westerse geschiedenis. Een volledig boek met die kroniekschrijvers als expliciet onderwerp, zou wellicht een te klein publiek werven. Zelf zou ik dat echter graag lezen: een overzicht van de beschikbare bronnen over de vroege Middeleeuwen, hun waarachtigheid, hoe ze mekaar versterken of tegenspreken en onder welke vorm we die geschiedschrijving hebben bewaard, in origineel of in zoveelste monnikskopij.
Dus neemt Wijnendaele voor het gros van zijn boek de gedaante aan van de afstandelijke verteller, die zich af en toe een schertsende noot of woordspeling veroorlooft. Dat gaat hem goed af en het sluit aan bij de moderne manier van wetenschappelijke geschiedenis te vulgariseren. Af en toe echter transformeert hij in een aanwezige verteller, die “old school” de lezer meeneemt in het tafereel. Zo maken we de begrafenis van Attila (p111) of het doopsel van Clovis (p206) mee alsof we er zelf bij waren. Het is een merkwaardige, zij het zeer sporadische, stijlbreuk.
De pot goud in de staart
Zoals ik eerder al schreef, zit bij De wereld van Clovis de pot goud in de staart. Eerst kwijt de auteur zich van zijn taak als wetenschapper door honderden notities toe te voegen met de vermelding van de bron die deze of gene passage staaft. Een kort dankwoord beschrijft de conversatie met andere historici die zijn kennis over het onderwerp hebben verdiept of verbreed. Een tijdslijn en een overzicht van mogendheden scheppen chronologische en etnische orde in de eerdere wirwar. Na nog eens een namenregister komt de klap op de vuurpijl: een academische wegwijzer per hoofdstuk, voor wie zich verder wil verdiepen, plus de bronnen die voor mij de kern van het boek hadden mogen vormen, en nóg eens een bibliografie. Zelfs in de ordeschepping zit dus nog wat chaos, die ik dan maar op het conto schrijf van een streven naar volledigheid.
Ik zal de cirkel sluiten door te mijmeren over mijn studie wiskunde. Wij hadden toen een hele goeie docente Topologie, wiens cursus glashelder gestructureerd was, en anderzijds een verstrooide professor die ons een kluwen aan bordnota’s opsolferde over Lie-algebra. Ik heb me toen met een medestudent aan samenstudie gezet over dat laatste, boeken uit de bib gehaald (Internet bestond nog niet), een eigen cursus geschreven … en gaandeweg meer plezier beleefd aan de hermetische Lie-algebra dan de kant-en-klare Topologie. Zo erg is het met De wereld van Clovis zeker niet gesteld, maar het beetje al dan niet bewuste wanorde heeft mijn goesting om die wereld verder te bestuderen enkel doen toenemen. En de richtingaanwijzers die je daarvoor nodig hebt, zowel wát als hóe, zijn in het boek ruim voorhanden.
[Een gastbijdrage van Dieter Verhofstadt. Dank je wel Dieter!]
Zelfde tijdvak
Tigranokerta in Nagorno-Karabachseptember 29, 2023
De eerste wereldtaalseptember 26, 2017
De wierde van Saaksumaugustus 22, 2020

De kritiek van Dieter is ongetwijfeld terecht, maar zelf heb ik geen moment last gehad van het heen en weer zappen door tijd en ruimte door Jeroen van W. Heb het lezen zelfs als een feest ervaren (m.u.v. de houterig geschreven inleiding); rooie koontjes en in (bijna) één ruk uitgelezen; u weet wel.
Het toeval wilde dat mijn belangstelling voor die periode enorm was toegenomen na lezing van ‘The Dark Queens’ van ene Shelley Puhak en – van de weeromstuit – herlezing van Gregorius zijn boekje. Daarin viel me nu pas op dat Childebert II verondersteld wordt als kleuter en knulletje allerhande besluiten genomen en veldtochten ondernomen te hebben. Gregorius laat de rol van moeder Brunhilde (één van de 2 Dark Queens) daarbij geheel onbesproken.
Hoe het ook zij, ik raad Jeroen aan de kritiek van Dieter als een groot compliment te beschouwen. Ik bedoel: een sporadische stijlbreuk, een voor verbetering vatbare vertaling van de titel Rex en nog zo wat, doet niets af aan het onderhoudende en vooral informatieve van het boek.
Wat u zegt. Dit was nou wat heet: opbouwende kritiek.