De wierde van Saaksum

De wierde van Saaksum

In de vierde eeuw v.Chr., toen het Nederlandse rivierengebied deel uitmaakte van de La Tène-cultuur, was de noordelijke kustzone een van de dichtst bewoonde gebieden in de regio. Het was er vooral nat. Het landschap, grotendeels kwelders, was herkenbaarder dan nu doorsneden door rivieren. De mensen woonden op de oeverwallen en verhoogden, om zeker te zijn van droge voeten, hun woonplaatsen. Zo ontstonden de eerste wierden. (De Friezen spreken van terpen.)

In de loop der eeuwen zetten de rivieren en de zee steeds weer klei af, waardoor de wierden relatief lager kwamen te liggen en opnieuw opgehoogd moesten worden. Dit was deels een kwestie van nieuwe klei erop leggen, deels gebeurde het automatisch. De heuvel werd immers als vanzelf hoger doordat de bewoners afval lieten liggen. Ik heb weleens geblogd over hoe de Romeinen naar dit landschap keken: verbluft.

Niet ver van de boerderij waar ik momenteel verblijf is de wierde van Saaksum. U ziet de kunstmatige heuvel hierboven. Uit archeologische vondsten weten we dat plaats bewoond was in de eerste eeuw n.Chr.

Vanaf de derde eeuw nam de bewoning van het kustgebied af en hoewel er vast nog weleens wat mensen zullen zijn geweest, was het landschap al met al vrij leeg. Misschien zijn de bewoners naar het zuiden getrokken en opgegaan in de daar nieuw gevormde stam van de Franken. Zoals zo vaak weten we het allemaal niet zo goed.

Nog later, in de Late Oudheid, kregen de wierden en terpen nieuwe bewoners. Die kwamen uit het oosten en zullen zichzelf wel hebben aangeduid als Juten, Saksen of Angelen. De middeleeuwse Friezen, waar ik de Groningers maar even toe reken, stamden af van deze nieuwkomers.

Het is interessant dat de naam Saaksum is afgeleid van Saksen. Blijkbaar was deze wierde herkenbaar in gebruik genomen door immigranten en waren de bewoners ook trots op hun oostelijke herkomst. De implicatie is overigens dat hun buren in Ezinge en Englum niet even Saksisch waren. Het is leuk hoe mooi archeologisch en taalkundig bewijs elkaar aanvullen.

Nu kan zo’n naamovereenkomst toeval zijn, maar er is sprake van een patroon. Op fietsafstand zijn bijvoorbeeld de wierde van Saaxumhuizen en Lutke Saaxum. De namen zijn bovendien goed gedocumenteerd in oude teksten: Lutke Saaxum heette ooit Sahsenheim. De huidige gemeenten Westerkwartier en Hogeland zijn dus ooit een Saksisch immigratiegebied geweest.

Het gebied is in de achtste eeuw onderworpen door de Franken. Toen kwam ook het christendom. Het huidige kerkje van Saaksum is overigens van recenter datum: het schip is in de zestiende eeuw gebouwd naast een middeleeuwse klokkentoren en is in de huidige vorm nog veel jonger. Maar het is een markant dorpsgezicht, dat me trof toen ik hierheen kwam rijden. Even oostelijker is in Ezinge het Museum Wierdenland; even westelijker is Englum, waar de “hond in de pot” is gevonden waarover ik al eerder schreef.

[Met dank aan Peter-Alexander Kerkhof]

26 gedachtes over “De wierde van Saaksum

  1. FrankB

    “De middeleeuwse Friezen, waar ik de Groningers maar even toe reken”
    Volkomen terecht, want de vroeg-middeleeuwse Groningers spraken eveneens Fries. Pas tussen 1000 en 1500 CE stapten zij over op het Nedersaksisch. Over het hoe, wat, waarom en zelfs wanneer precies weten we niet zoveel. Van belang is wel dat Groningen-Stad van oorsprong Drents is en dus altijd Saksisch is geweest. Daar kun je dan een verhaal omheen bouwen, vanaf ongeveer 1000 CE. Misschien weet Lotti er meer over.

    “Het gebied is in de achtste eeuw onderworpen door de Franken. Toen kwam ook het christendom. ”
    Dat ligt ook ingewikkelder, want net zo min als in Friesland konden de Franken het leenstelsel invoeren. Wellicht omdat de Vikingen/Noormannen er een tijd hebben gezeten moest het gebied na 1000 CE opnieuw bekeerd worden. Dat heeft de heilige Hatebrand opgeleverd.

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Hatebrand

    Grappig is “een benedictijner abt en heilige uit Friesland”. De man is in Groningen geboren (Fivelgo) en gestorven (Feldwerd).
    Walfridus, een andere heilige, is eveneens van minstens twee eeuwen later.
    Kortom, het is allemaal weer erg ingewikkeld.

    1. Het is nog maar de vraag of die ‘Saksen’ waartoe je de Drenten rekent veel te maken hebben met de ‘Saksen’ die in de 5e eeuw neerstreken op de kwelders. Er loopt een scherpe taalgrens tussen het Fries en het Nedersaksisch, terwijl het Nedersaksisch naadloos overliep in het Nederfrankisch (maar veel later kwam daar een sterke zone van nieuwe uitspraak vanuit Holland tussen, die het continuüm tussen Vlaams van Nedersaksisch heeft onderbroken).

      Het Fries en het Engels (Angels) zijn ooit één taal geweest, en de Britse Saksische dialecten liggen daar glad tegenaan. Maar terwijl de Friezen en de ‘Nedersaksen’ naast elkaar leefden en ongetwijfeld contacten onderhielden (de Friezen hadden hout en ijzer nodig) is er geen taalkundig continuüm tussen hen te vinden. Wat heel vreemd is als die (Angel)-Saksen uit hetzelfde volk kwamen als de Nedersaksen.

      Er zijn ook geen aanwijzingen voor migraties van ‘Noordzeekustsaksen’ naar het Zuiden, waar in Karolingische tijden ‘Saksen’ opduiken ten Noorden van het Ruhrgebied. Dat is eeuwen na de meldingen van Saksen op allerlei plaatsen in Europa als agressief optredende groepen.

      Saksen zijn genoemd naar hun messen (in het Scandinavisch is een sax tegenwoordig een schaar, en het woord zaag is in feite ook hetzelfde), en wellicht was de benaming Sax eerder een aanduiding van het gedrag dan van een stamafkomst. Waarmee met Saksen door de Karolingers alle niet onderworpen Germanen ten Noordoosten van het Frankenrijk werden aangeduid – als ‘messetrekkers’ – terwijl de Angelsaksen – en die uit Saaksum – bestonden uit agressief opererende verwanten van de Angelen die allemaal weggetrokken zijn uit het grensgebied van Duitsland en Denemarken.

      Interessant hierbij is of de vermelding van Saksen door Ptolemaeus daadwerkelijk over Saksen gaat, of dat het hier om een andere naam gaat die door verschrijvingen in retrospect naar Saksen is veranderd. Hierover verschillen de meningen.

      1. FrankB

        Mbt de provincie Groningen laat ik me niet uit over etniciteit. Eén van de eerste dingen die ik leerde over de Veenkoloniën is dat het een immigratiegebied is en naar mijn indruk geldt dat voor de hele provincie, al vele eeuwen lang. Het enige zinnige houvast is taal en die is door alle import heel dynamisch.
        Het is wel duidelijk dat rond 1000 CE de Groningse bevolking Fries sprak. De opkomst van Groningen-Stad viel samen met de overgang van het Fries naar het Nedersaksisch. Maar synchroniciteit is geen causatie.
        Bedankt weer.

        1. Nog in de late 14e eeuw wordt in de Ommelanden Fries gesproken, en ook geschreven. Maar in de 15e eeuw is het ineens Nederduits geworden. De hoofdelingen in de Ommelanden schaften zich een winterhuis in de Stad aan, waar men een interessant sociaal leven kon leiden, in plaats van door onbegaanbare modderwegen geïsoleerd te leven op hun borg. Ze gingen zelfs hun vergaderingen houden in de Stad, nota bene hun politieke rivaal. Ook de Ommelander kloosters verschaften zich allemaal een refugium in de Stad.

    1. Huibert Schijf

      @FrankB. De discussie over Liempt trok vorig jaar veel aandacht ons dorp in de Randstad. Zowel in de landelijke dagbladen als door een discussie van Lo Brunt en het boekje van Rudolf Dekker Plagiaat en Nivellering. Het grote nieuws dat Jona Lendering noemt is dat bezwaren tegen het proefschrift nu zijn erkent en Liempt correcties moet aanbrengen. Zoiets is in de academisch wereld een aardbeving mag je wel zeggen.

      1. Ja, de promotoren staan er bepaald gekleurd op. Het is nauwelijks minder erg dan de Gutenberg-affaire in Duitsland, waar de promotoren evident plagiaat (bij Van Liempd blijkbaar niet het geval) niet herkenden. Vanzelfsprekend zijn die promotoren nooit zelfs maar berispt.

        1. Huibert Schijf

          Niet alleen de promotoren, maar ook de promotiecommissie. En eigenlijk ook de Universiteit van Groningen. Als ik me goed herinner ging het bij Liempt vooral om het niet noemen van eerdere publicaties over zijn onderwerp. Dat heeft hij eerder gedaan. Rudolf Dekker geeft een lijst van voorbeelden.

        2. Willem Vermeer

          In mijn (nu langvervlogen) tijd heb ik allerlei malle dingen zien gebeuren rondom proefschriften en zo, maar nooit iets wat in de termen van die Groningse regels viel. Overigens had dat makkelijk gekund want de regels waren zo dat de zaak voor niemand echt bij te houden was.

          Op een gegeven moment keurde de promotor het goed, vaak na een langdurig en bochtig en niet na te vertellen traject. Dan ging het naar de referent. Dan kwam er een definitieve versie en dan ging het naar de commissie, of omgekeerd. Zo’n tekst is honderden pagina’s lang (ik heb een proefschrift van 800 blz. meegemaakt en eentje van 1200 blz. zien langskomen) en staat vol details en kleinigheden, het was voor een promotor godsonmogelijk om al die versies bij te houden en absoluut zeker te zijn dat er geen rare dingen gebeuren. Ik heb meegemaakt dat een promovendus dingen wegliet met het oog op de referent, maar eenmaal door de referent goedgekeurd weer wilde terugzetten zonder te beseffen dat je zo iets niet kan maken. Dat ging alleen door puur toeval goed. (Al betwijfel ik of die referent het zou hebben gemerkt.) Op een keer las een promotor de allerlaatste versie van de inleiding niet en juist daar ging iets verkeerd en ontstond gelazer en boze mensen en excuses.

          Een promotiecommissie betekende niets. Je zat erin om een vraag te stellen, meer niet. Je stond tien of meer uur per week voor de klas, moest zelfs twee fatsoenlijke publicaties per jaar produceren en meestal ging zo’n dissertatie over een onderwerp waarin je niet goed thuis was.

          Ik hoor dat het tegenwoordig minder ingewikkeld geregeld is, en dat lijkt me winst.

          1. @wille Vermeer: ik heb 2e helft jaren een proefschrift in m’n handen gehad wat bestond uit een gedicht van een paar honderd pagina’s. Er was een enorme commotie in de academische wereld, dat herinner ik me nog goed. Ik weet niet meer wie de promovendus was. Komt iemand dit bekend voor? Zo ja, ikzou het ergens 2ehands willen aanschaffen.

            1. Willem Vermeer

              Heeeeeeel bijzonder. 🙂 Nooit van gehoord, of van iets wat ook maar in de verste verte te vergelijken is.

              De 2e helft van de jaren ’70 was een unieke tijd. Er werd gaandeweg meer druk uitgeoefend op medewerkers om te promoveren. Vaak was men toch al bezig en was het geen punt, maar vaak zagen betrokkenen redenen om het wel een punt te laten zijn. Sommigen (in mijn ervaring vooral iets ouderen) waren tegen universitair onderzoek, op uiteenlopende gronden die niet altijd slecht en dom waren. Sommigen (meestal iets jonger) hadden geen moeite met onderzoek en deden het ook, maar vonden promoveren een privézaak waar de werkgever buiten stond, ook weer niet altijd op onredelijke gronden. Een promotie gold namelijk als een sollicitatie naar een hoogleraarschap en diegenen die duidelijk wilden laten zien dat ze geen ambities in die richting hadden promoveerden niet, maar publiceerden wel.

              In deze sfeer konden rare dingen gebeuren, al was het maar als provocatie. Misschien tot aan zo’n gedicht toe, Je zou er meer van willen weten.

  2. Raymond H.

    Een relatieve daling van de wierde t.o.v. het omliggende land door het afzetten van klei
    doet er natuurlijk niet zoveel toe. Het gaat om de relatieve hoogte t.o.v. het zeeniveau. Er was sprake van een relatieve zeespiegelstijging. Een leuk boek is overigens de Atlas van Nederland in het Holoceen.

  3. Lex Werdekker

    Interessant. Ik heb me laten vertellen, dat mijn naam, Werdekker, bestaat uit wierde + akker. Mijn vader en zijn (voor) ouders komen uit Friesland en Groningen.

  4. Klaas

    Vanuit Saksen –> Saaksum is het erg verleidelijk om Angelen aan de basis van Englum te vermoeden. Waaron Ezinge dan niet Juttum heet is een van die onopgeloste raadselen van de geschiedenis 🙂

    1. Ezinge is nu juist één van de weinige wierden die permanent bewoond is gebleven tussen de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. De naam kan dus veel ouder zijn dan al die -hem/-um en -werd namen van de immigranten.

  5. Truus Pinkster

    Jona suggereert dat het huidige Saaksum tot de gemeente het Hogeland behoort, of zelfs op het Hogeland ligt.
    Dat is onjuist. Tot november 2018 hoorde het onder de gemeente Winsum, daarna tot de gemeente Westerkwartier (deze indeling is op zeer merkwaardige wijze tot stand gekomen, overigens)
    Veel belangrijker: Saaksum ligt in het MIddag-Humsterland, net als Ezinge, Feerwerd en Garnwerd, een heel oud gebied, ook vroeg bewoond, en aan, zoals ze in Groningen zeggen, ‘diskaant daip’ oftewel: deze zijde van het Reitdiep (dat uiteraard geen (gegraven) diep is maar de ‘verlenging; van de Hunze.
    Wel jammer dat nu juist bepaald niet een van de fraaiste Groninger kerken, en al helemaal niet een van de oudste, hier figureert als voorbeeld van de pracht aan romano-gotische kerken die heel Noord- en gedeeltelijk Oost-Groningen heeft (grotendeels, 12e-13e eeuw).

    1. Het mag dan niet zo’n heel oud kerkje zijn, het ligt er wel zeer fotogeniek bij, niet aan de blik onttrokken door bomen of gebouwen. Dat is tegenwoordig behoorlijk zeldzaam geworden.

      En over het Reitdiep: dat is van oorsprong (13e eeuw) wel een gegraven diep tussen Drentse Aa bij de Stad en de Hunzinge bij Dorkwerd, later (rond 1400) doorgetrokken naar de Hunze bij Wierum, maar de naam Reitdiep heeft zich allengs stroomafwaarts uitgebreid over de benedenloop van de Hunze. En nota bene het Groninger Landschap breidde deze naam in haar onwetendheid ook nog verder stroomopwaarts uit, door haar bezoekerscentrum aan een oude afgesneden Hunzemeander, kilometers stroomopwaarts van waar het Reiddiep in de Hunze uitkomt, naar datzelfde Reitdiep te noemen.

      1. FrankB

        Dan moet je de link naar Saaksum ook herstellen, want die verwijst naar Lutke Saaxum. De tweede ligt in de gemeente Het Hogeland, de eerste in Westerkwartier.

  6. Theo Joppe

    Ik zou maar voorzichtig zijn met dit soort etymologieën van plaatsnamen, zeker als je daar bewegingen van groepen mensen aan wilt koppelen. De plaatsnaam kán een heel andere achtergrond hebben, dat weten we gewoon niet. Helaas zijn lokale historici soms wat te gretig om het onbekende toch te determineren, ter meerdere glorie van de regio. Om het ad absurdum te stellen: wellicht één der laatste Saken?Je weet het maar nooit met de spannende Romeinse demografie.
    En dan: “De implicatie is overigens dat hun buren in Ezinge en Englum niet even Saksisch waren.” Die gevolgtrekking kun je op geen enkele manier maken.
    Wat wél natuurlijk waar is is dat het een plaats van enige betekenis moet zijn geweest, vandaar de afgeleide namen. Maar dat zie je in Groningen en elders zo vaak: het dorpje heet X, dan is er dichtbij een boerderij “klein X”.

  7. habus

    Uit de catalogus van de Landesausstellung ‘Saxones’ in Hannover maak ik op dat de Saksen zichzelf géén Saksen noemden en een verzameling stammen vormden met vergelijkbare cultuurelementen. De naam Saksen werd hen door ‘externen’ gegeven. Een soort verzamelnaam (met duiding?) net als Franken of Alamannen. Saaksum zal dus waarschijnlijk een naam zijn die ánderen (nabijwonende autochtonen?) aan het dorp hebben gegeven. Zou het bij Sassenheim ook zo zijn gegaan?

    Dat wil overigens niet zeggen dat een dorp als Ezinge niet ‘Saksisch’ is geweest: misschien waren er juist niet genoeg locals in de buurt om het dorp naar de migranten te noemen. De nieuwe dorpelingen van Ezinge gaven zichzelf dus een naam: ‘de lieden van Ezzo’.

    Over het zgn. saksische zwaard: dergelijke zwaarden worden ook vaak in (geografisch) Frankische graven aangetroffen en de zgn. Fransesca-bijl ook in Sakische graven. Het is dus een lastig onderscheidend element.

Reacties zijn gesloten.