Storm op zee

Papyrus 𝔓45

Een van de allerbekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, het onderwerp waarover ik op zondag graag blog, is dat over de storm op zee. Of beter: het Meer van Galilea, een plas zoet water van 166 vierkante kilometer, zo groot als de gemeente Amsterdam. Hier is de versie van de evangelist Marcus.

Toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.” Ze lieten de menigte achter en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.noot Marcus 4.35-36; NBV21.

Dit is meteen interessant. In de eerste vier hoofdstukken van het Marcusevangelie hebben we alleen gelezen over Johannes de Doper en over Jezus’ prediking in Galilea. Jezus verlaat Galilea nu en zal aankomen bij Gadara, en daarmee is hij weg uit het land van Israël. Hij verlaat als het ware zijn vaderland. Het zal geen enkele antieke luisteraar hebben verbaasd dat er een storm opstak: een gangbaar literair motief. Neem Herodotos: als de Perzische koning Kambyses een leger stuurt naar de vreemde wereld der Libiërs, verdwijnt het in een storm; als zijn opvolger Darius een vloot stuurt naar de wereld van de Grieken, zinkt die in een storm; en als Xerxes een brug bouwt van Azië naar Europa, wordt ook die verwoest.

Lees verder “Storm op zee”

Hoe vroeg is het Johannes-evangelie?

(Mar Tadros, Behdidat)

Ik kreeg vragen over een podcast waarin iemand zou hebben verteld dat het Johannes-evangelie ouder was dan aangenomen. En het bleef niet bij één of twee vragen: inmiddels zijn het er negentien. Alle reden om me in de materie te verdiepen.

Een vroeg Johannes-evangelie

Eerst even dit: de Ongelooflijke Podcast is al vijf jaar een vast item van de Evangelische Omroep en daarin behandelen David Boogerd en Stefan Paas, zoals u al vermoedde, vragen over religie. Rond Pasen lieten ze Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten aan het woord, die kwam vertellen dat het Johannes-evangelie niet, zoals gebruikelijk, moet worden gedateerd aan het einde van de eerste eeuw na Chr., maar vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70. Het argument is dat de evangelist spreekt over het Betzata-badhuis in de tegenwoordige tijd.noot Johannes 5.2.

Lees verder “Hoe vroeg is het Johannes-evangelie?”

Het Concilie van Nikaia

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325) in het Rila-klooster in Bulgarije.

In het vorige blogje legde ik uit hoe het denken over de Timaios, waarin Plato schetst hoe de wereld is geschapen, een model vormde voor de discussies over Christus. Die was immers ook geschapen – of toch niet?

Origenes

De christelijke geleerde Origenes (c.185-c.253) betwijfelde niet dat God de Vader hemel en aarde had geschapen. Daarbij stuitte hij op het probleem dat ook speelde bij Plato’s Timaios: een scheppende God zou van mening zijn veranderd en niet volmaakt zijn geweest. Origines loste het op dezelfde wijze op als de symbolische uitleggers van Plato hadden gedaan: hij vatte de schepping op als een gebeurtenis buiten de tijd. Het universum kon dus geen begin in de tijd hebben. De buiten-de-tijd-staande God was ook om een andere reden logisch: God kon immers alleen almachtig zijn als er iets was waarover hij macht kon uitoefenen. Er moest noodzakelijkerwijs voortdurend minimaal één schepsel zijn waarover God heersen kon.

Lees verder “Het Concilie van Nikaia”

Daniël De Waele, Ontluikend christendom

Een religieuze stroming in een uithoek van het Middellandse-Zee-gebied groeit uit tot de dominante religie van een imperium: de opkomst van het christendom is een van grote verhalen uit de Oudheid. Hierbij trekken twee vernieuwingen de aandacht. De eerste is het idee dat wie Christus vereerde, niet ook andere hemelse machten mocht vereren. In een wereld waarin iedereen zelf uitmaakte welke goden (meervoud) hij of zij vereerde, was dit ongebruikelijk. Nog eind vierde eeuw waren er mensen als generaal Bacurius, die in het ene gezelschap gebeden uitsprak voor Christus en in een ander gezelschap voor de oude goden. Dat was niet hypocriet, maar zoals het altijd was gegaan.

De tweede vernieuwing is de opvatting dat er één juiste manier zou bestaan om te denken over de goddelijkheid van Christus. Voor de Romeinen waren de bovennatuurlijke krachten alomtegenwoordig. De vraag op welke wijze iets of iemand goddelijk was, kwam daardoor niet meteen op. Die was meer iets voor filosofen. De andere Romeinen bekreunden zich meer om het volbrengen van de rituelen.

Lees verder “Daniël De Waele, Ontluikend christendom”

Uit de diepten van de hel (bis)

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Chalkedon (451). Let op de duivelse influisteringen van twee ketters rechts.

Ik denk dat ik wel ongeveer weet wat een goed boek is. Ik zou het omschrijven als een boek dat onze cultuur helpt verrijken. Dat is inderdaad een flauwe formulering, aangezien er letterlijk honderden definities bestaan van cultuur, maar omdat die onderling familiegelijkenis vertonen, durf ik erop te vertrouwen dat u wel begrijpt in welke richting ik zoek. Als verrijking beschouw ik het als boeken nieuwe – of niet heel gangbare – ideeën toevoegen aan het conglomeraat van opvattingen dat al de ronde doet.

Anders gezegd, ik zoek boeken die iets vertellen dat we nog niet wisten, zoals Gödel, Escher, Bach dat destijds deed. Of die een helder overzicht bieden waar dat online niet bestaat, zoals Gzella’s geschiedenis van het Aramees (bespreking) of Oudheid als ambitie (bespreking) van Enenkel en Ottenheym. Ik noem nu nonfictie-titels, maar ik verwacht hetzelfde van fictie. Dat is immers slechts een andere manier om ideeën over te dragen.

Om me tot geschiedenisboeken te beperken: daarvan verwacht ik om te beginnen dat de argumentatie op orde is. Een auteur moet niet à la Tom Holland negentiende-eeuwse sjabloons herhalen, maar de stand van zaken in het onderzoek kennen. Verder verwacht ik dat een boek in evenwicht is. Een Simon Schama die in zijn geschiedenis van de joden wél alle antijoodse polemieken van de christenen opsomt maar onvermeld laat dat de joden terugscholden, schrijft gewoon geen goed boek.

Lees verder “Uit de diepten van de hel (bis)”

De echte Nikolaas van Myra (4)

08_soumela_nicaea_nicholas
Nikolaas van Myra doet aan pastorale zorg. Fresco uit het Soumela-klooster bij Trabzon (Turkije)

[Als contrapunt bij het kapitalisme is de heilige Nikolaas van Myra onverminderd relevant. Het eerste deel van dit artikel is hier.]

Als Nikolaas inderdaad leefde ten tijde van Constantijn de Grote, dan is aannemelijk dat hij aanwezig is geweest op het concilie van Nikaia in 325. Het belangrijkste discussiepunt was de organisatie van de kerk, maar er werd ook gesproken over het vraagstuk of God de Zoon wezensgelijk was aan of wezensgelijkend met God de Vader. In gewone mensentaal: is Jezus van Nazareth zelf God, of lijkt hij erop? Het laatste standpunt is eenvoudiger te rijmen met het monotheïsme: Jezus is dan het voornaamste schepsel van God, en niet, zoals in het eerste standpunt, zélf God. Niettemin is dat wel wat het Evangelie van Johannes schrijft, en de bisschoppen kozen daarom uiteindelijk voor dit laatste, welbeschouwd niet begrijpelijke standpunt: er is één God, maar in drie personen.

Lees verder “De echte Nikolaas van Myra (4)”