
De studenten die in de Late Middeleeuwen aan de Sorbonne filosofie studeerden, kregen een reeks teksten te lezen, waaronder een forse hoeveelheid Aristoteles. Omdat er veel studenten waren, waren er dus ook veel boeken, en zo komt het dat we ruim tachtig kopieën hebben van het traktaatje dat bekendstaat als De overstroming van de Nijl. Tachtig handschriften is heel veel.
Helaas is de Griekse tekst, op een citaat in een fragment op een papyrus uit Oxyrhynchos na, verloren gegaan, maar dat vormt niet het laatste woord. Aan de hand van enkele specifieke vertaalkeuzes is vast te stellen dat de Latijnse vertaling is gemaakt door Willem van Moerbeke (1225-1286), wiens vertaalprincipes bekend zijn: hij wilde niet alleen de inhoud weergeven, maar liefst ook de Griekse zinsopbouw, zelfs als de weergave daarvan slecht Latijn opleverde. Dat betekent dat onbegrijpelijke stukken Latijn weleens begrijpelijker worden als je bedenkt wat er gestaan zou kunnen hebben in het Grieks.
Vraag en antwoorden
De opbouw van het werkje is door-en-door aristotelisch. Aristoteles’ standaardopbouw is dat als hij een vraagstuk aansneed, hij eerst uitlegde wat eerdere geleerden erover hadden gedacht en waarom die zich hadden vergist, om vervolgens zijn eigen oplossing te presenteren. Dat is natuurlijk wat hautain: hij is in deze presentatie als het ware zelf de doeloorzaak van de wetenschappelijke ontwikkeling – alles ontstaat en groeit tot het bij Aristoteles pas werkelijk bloeit. Van de andere kant: Aristoteles’ weergaven van eerdere ideeën zijn cruciaal voor moderne reconstructies van de geschiedenis van de vroege Griekse filosofie.
De auteur van De overstroming van de Nijl volgt de standaardopbouw. Eerst is er de vraag:
Hoe valt het te verklaren dat, terwijl andere rivieren in de winter zwellen en in de zomer veel kleiner worden, de Nijl als enige rivier die in de zee uitmondt, in de zomer over een uitgestrekt gebied overstroomt en zo breed wordt dat alleen de dorpen er bovenuit steken als eilanden?noot
En daarna komen de antwoorden, zoals de theorie van Thales van Milete dat de etesische winden (de zomerse noordwestenwind) het Nijlwater terug zouden blazen. Commentaar van Aristoteles: dan zouden we het ook bij andere rivieren moeten observeren. Hij behandelt de theorie van Anaxagoras dat de Nijl een smeltrivier was, maar zó veel sneeuw als er extra Nijlwater is, is onmogelijk. En er is de theorie van Nikagoras van Cyprus dat de bron van de Nijl op het zuidelijk halfrond ligt –maar dan zou het water over de evenaar komen, waar het zó heet is dat alle water verdampt. En zelfs als de rivier die regio kon doorkruisen, zou de afstand onmeetbaar en dus voor mensen onkenbaar zijn. Dus ook deze hypothese is onhoudbaar. QED.
De Sudd
Als hij alle hypothesen heeft weerlegd, meestal met bewijzen uit het ongerijmde, beschrijft Aristoteles zijn eigen theorie:
Men heeft waargenomen dat het veel en overvloedig regent in Ethiopië in de periode vanaf de opkomst van Sirius tot die van Arcturus, maar in de winter niet. … Daardoor komt de overstroming samen met de etesische winden. Vooral die winden voeren namelijk wolken aan naar die streek, net zoals de voorafgaande zomerwinden. Wanneer de wolken tegen de bergen stoten, stroomt het water naar de moerassen waardoor de Nijl vloeit.noot
Dit is ruwweg correct: het zijn inderdaad regens in oostelijk Afrika die zorgen voor extra water. Maar het gaat niet om de etesische noordwestenwind die waait in de Griekse zomer, het gaat om de noordoostelijke passaat. Aristoteles meent bovendien dat het water uit het Ethiopische Hoogland via moerassen naar de Nijl stroomt, maar lijkt niet te weten dat de Sudd-moerassen liggen aan de Witte Nijl, die een bron heeft in het Victoriameer, terwijl hij zelf de regenrivier Blauwe Nijl beschrijft. Dat gezegd zijnde: hij heeft het grotendeels goed begrepen.
Waarnemingen
Wie zouden de “men” zijn die de Ethiopische regens gezien hebben? Het is een verleidelijk idee dat Alexander de Grote wetenschappers naar het zuiden heeft gestuurd. Misschien is dat wel zo, maar het staat vast dat Kallisthenes, Alexanders wetenschappelijk adviseur, zijn beschrijving van de Nijloverstroming baseerde op informatie die hij had gevonden bij Aristoteles.noot Dat betekent dat Aristoteles al informatie van ooggetuigen had ontvangen vóór Alexanders expeditie.
De al genoemde Oxyrhynchos-papyrus, met daarop een tekst van Poseidonios die Aristoteles’ De overstroming van de Nijl citeert, noemt een zekere Thrasyalkes als bron van Aristoteles’ informatie. We weten niet of dit correct is. Feit is dat er altijd Griekse huurlingen dienden in de Egyptische legers – u zou Wahibre-em-Achet kunnen kennen. Zulke mannen kunnen heel goed zelf naar het diepe zuiden hebben gereisd, of informatie uit Nubië hebben vernomen.
[Met dank aan Pieter Beullens, die werkt aan een kritische editie, die hopelijk volgend jaar zal verschijnen. Beullens’ Nederlandse vertaling is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie 73 (2011) 513-534.]
Zelfde tijdvak
De Kariërsjuli 3, 2024
De Perzische en hellenistische stad Kyrenejuli 28, 2022
De niet-Alexander-podcastfebruari 16, 2022

De invalshoek is erg Grieks.
Al vanaf 3000 v.Chr. was er intensief contact – handel, oorlog, expedities – tussen Egypte en Nubië en met Punt; zowel langs de Nijl als over de Rode Zee. De informatie over de oorsprong van de rivier en de mogelijke oorzaken van de wisselingen in de aanvoer van het water kan in die periode van meer dan 2000 jaar verspreid zijn geweest via andere kanalen.
Rode Zee lijkt me de meest voorde hand liggende route.
De Nijl is fascinerend niet alleen door de verbluffende oude Egyptische cultuur aan de oevers maar deze langste (of één na langste) rivier terwereld is ook geografisch zeer bizonder. Een druppel in een Ruandese rivier of van de Mara in Kenia of Tanzania, bekend bij toeristen, kan in de Middellandse Zee terecht komen.
DE bron van de Nijl kan eigenlijk niet aangegeven worden, het is (Witte Nijl) niet het merkwaardig hoog gelegen Victoriameer, maar de verzameling van vele rivieren en riviertjes die daarop uitkomen, met de langste daarvan (en “de bron”, zo je wilt) in Ruanda of Burundi. Het meeste water (van de Witte Nijl) komt niet uit het Victoriameer maar van de Ruwenzori-keten, om dan in de Sudd filnk te verdampen.
Niettemin vormde de constante stroom van de Witte Nijl, samen met de lage stand van de Blauwe Nijl, dat er in het oude Egypte altijd voldoende water was via dit dunne glinsterende lint door de woestijn (ondanks het naar verhouding tot de lengte geringe debiet).
En de welvaart kwam, bekend, door de Blauwe Nijl (en nog wel wat van de Athbara), door de jaarlijkse overstromingen met water en slib, zo’n 75 % van het Nijlwater. Maar ook het Tanameer in het Ethiopische hoogland kan nauwelijks als bron gelden, door de vele stroompjes die daarop draineren.
De overstromingen kwamen vorige eeuw ten einde met de tweede Assoeandam maar vergrootten de mogelijkheden van drainage en landbouw-opbrengst (helaas, het slib blijft achter in het Nasser-meer) maar niettemin is Egypte nu één van de grootste graanimporteurs. En ondertussen wordt de Grand Renaissance dam van Ethiopie, (waarvan het stuwmeer ondertussen wel volgelopen zal zijn) met Soedanese en Egyptische argus-ogen bekeken.