Carlo Rovelli over Anaximandros (2)

Karl Popper

[Tweede deel van Kees Alders’ bespreking van Carlo Rovelli, Anaximander. De geboorte van het wetenschappelijke denken. Het eerste deel is hier.]

Atheïsme

Toegegeven, ik begon wat vooringenomen aan dit boek. De titel, ondertitel en achterflap lezende vreesde ik dat ik te maken zou krijgen met een wat al te plat betoog over de wetenschapper die zich ontworstelt uit de verstikkende greep van religie. Ik was bang voor een idealisering van de zoveelste op het schild gehesen ‘atheïstische held’, aan wiens individuele vindingrijkheid de volledige ontwikkeling van de mensheid wordt toegeschreven.

Die fout maakt Carlo Rovelli gelukkig niet. Het boek eindigt weliswaar met een beschrijving van de plaats van religie in onze samenleving, maar Rovelli laat daarin zien dat hij heel goed op de hoogte is van de verschillende sociologische beschouwingen van dit verschijnsel. Het platte beeld van de wetenschap die altijd op gespannen voet zou staan met religie wordt gelukkig nogal genuanceerd.

Lees verder “Carlo Rovelli over Anaximandros (2)” →

Karneades in Rome (1)

Karneades (Glyptothek, München)

[In de derde eeuw v.Chr. kregen de Academie van Plato en de Peripatetische school van Aristoteles gezelschap van nieuwe filosofische stromingen, zoals het Cynisme, de Cyreense School, het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het was onvermijdelijk dat er ook combinaties zouden komen.]

Toen de Romeinen rond 270 v.Chr. het Italiaanse vasteland in hun macht hadden, kwamen ze als vanzelf in botsing met de andere grote machten rond de Middellandse Zee: eerst het rijk van Karthago en daarna de hellenistische staten in het oosten.

Tijdens al deze oorlogen was er volop diplomatiek verkeer. Vanuit de Griekse stadstaten en koninkrijken reisden talloze gezanten naar Rome. Zij zagen in de nieuwe supermacht een mogelijke bondgenoot in hun eigen conflicten. Zo kwam in 155 v.Chr. vanuit Athene een zekere Karneades naar Italië.

Lees verder “Karneades in Rome (1)” →

Praten over wetenschap

De bovenloop van het Nijmeegse aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis
De bovenloop van het Nijmeegse aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis

Vorige week sprak Ionica Smeets, die u kunt kennen als columniste van De Volkskrant, in Leiden haar inaugurele rede uit als hoogleraar wetenschapscommunicatie. Dat ging niet helemaal onopgemerkt voorbij: De Volkskrant plaatste zaterdag een leuke, veelbesproken samenvatting met zeven lessen. Er was – althans in mijn Twitter-timeline – wat hilariteit over het feit dat die achter een betaalmuur lag maar er is een filmpje:

Om met een persoonlijk bezorgdheid te beginnen: ik was vooral blij dat Smeets opmerkte dat foute voorlichting vaak begint met wetenschappers die overdrijven. Van de oudheidkundige persberichten heb ik het een jaar of wat geleden eens geturfd: twee vijfde bevatte fouten die de wetenschappers moesten hebben herkend. Altijd weer overdrijving, altijd weer onvoldoende onderbouwde claims. Dit geschreeuw is sowieso vreemd maar wordt helemaal curieus als je bedenkt dat het belang van de humaniora is dat je je eigen gelijk leert relativeren. In de humaniora gaat het om de mitsen en de maren.

Lees verder “Praten over wetenschap” →

Jezus, mythen en voorlichting (5)

Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering rond 200 na Chr.

[Nu ik een paar dagen geleden de balans heb opgemaakt van het Jezusmythicisme, geef ik vandaag een evaluatie van de methode, voordat ik dan eindelijk ter zake kan komen: door welke factoren verspreidt het mythicisme zich? De balans was daar.]

Mythicisten, zo hoop ik te hebben aangetoond, denken anders dan oudheidkundigen. Sceptischer. Daar is niets mis mee, mits je consistent bent. Je kunt niet enerzijds sceptisch zeggen dat er onvoldoende bewijs is voor de historiciteit van Jezus en vervolgens anderzijds voor het ontstaan van het christendom een verklaring bieden die niet bestand is tegen diezelfde scepsis. Dat is selectief winkelen.

Lees verder “Jezus, mythen en voorlichting (5)” →