1 Henoch voor beginners

De avonturen van de achttiende-eeuwse Schotse ontdekkingsreiziger James Bruce behoren tot de grote verhalen van de mensheid. Hij wilde weten waar de Nijl vandaan kwam. Hij ging dus op reis naar Alexandrië in het Ottomaanse Rijk, bezocht Jeddah in Arabië, stak over naar Afrika, won het vertrouwen van keizer Tekle Haymanot II van Ethiopië, verbleef twee jaar aan zijn hof, reisde in 1770 door naar de bron van de Blauwe Nijl, volgde die stroomafwaarts tot Khartoum, werd gearresteerd door de sultan van Sennar, ontsnapte, werd nog eens overvallen, en bereikte Aswan in het veilige Ottomaanse Rijk. Waarop hij terugkeerde naar de woestijn om de boeken terug te halen die hij bij de overval was verloren.

Edities en vertalingen

Zo kregen de West-Europese geleerden drie exemplaren van het Ethiopische Boek Henoch ofwel 1 Henoch. Een intellectuele schat, waarmee de Europese geleerden vervolgens niets deden. Pas in 1800 keek de Franse oriëntalist Silvestre de Sacy ernaar om. Hij zou enkele delen uit het Ge’ez hebben vertaald en hebben gepubliceerd in dit deel van het Magasin Encyclopédique, maar ik heb het niet gevonden. (Wat niet wegneemt dat het een feest is in dat soort oude wetenschappelijke tijdschriften te bladeren. De brede kennisliefde spat van elke bladzijde.) Pas in 1851 was er een wetenschappelijke editie. Duits, uiteraard.

Lees verder “1 Henoch voor beginners”

De Jezus van Fik Meijer (2)

Fik Meijer negeert de Henochitische literatuur volkomen (Cappella Palatina, Palermo)

[Het vervolg van mijn bespreking van Fik Meijers Jezus en de vijfde evangelist. Het eerste deel is hier.]

De oudheidkundige disciplines zijn gevarieerd, maar hebben één kenmerk dat ze verbindt en uniek maakt onder de wetenschappen: een gierend gebrek aan data. Oudheidkundigen kunnen geen experimenten doen, geen waarnemingen uitvoeren. Ze hebben alleen geschreven teksten, archeologische vondsten en etnografisch vergelijkingsmateriaal. Dit extreme datagebrek dwingt oudheidkundigen alle, en dan ook echt álle, informatie te verkennen, maar Meijer leest naast de teksten uit het Nieuwe Testament eigenlijk alleen Josephus. Dat verheldert het een en ander, maar is onvoldoende om Meijer zijn doel te laten bereiken: het tot leven brengen van de historische Jezus.

Lees verder “De Jezus van Fik Meijer (2)”

Pseudepigrapha

De joodse Bijbel dateert, in de huidige vorm, uit de tweede eeuw na Chr. Toen werd de canon van geïnspireerde geschriften opgesteld. Daarvóór waren er joden die ook andere geschriften beschouwden als door God geïnspireerd, maar in de tweede eeuw groeide er steeds meer consensus. Als geïnspireerd gold voortaan min of meer de lijst die de farizeeën al hadden erkend; de sadduceeën hadden een dunnere Bijbel gehad, terwijl de sekte van de Dode Zee-rollen juist meer gewijde literatuur had bezeten.

De geschriften die uiteindelijk niet op de lijst van erkende teksten kwamen, staan bekend als “pseudepigrafisch”. Ik heb nooit uitgezocht waar het woord vandaan kwam, maar sluit niet uit dat “epigrafisch” hier moet worden gelezen als “op de lijst ingeschreven” en dat “pseudo” aangeeft dat een tekst erop lijkt. De personages in deze teksten zijn inderdaad oude bekenden: Noach, Abraham, Izaäk, Jacob, de twaalf zonen van Jacob, Mozes, Elia, Ezechiël, Ezra. Er is nog een subcategorie: de apocriefe boeken. Dit zijn pseudepigrafische geschriften die door sommige christelijke kerken wel worden erkend als geïnspireerd: zo beschouwen veel kerkgenootschappen – zoals de rooms-katholieke kerk, de Grieks-orthodoxe kerk en de oosterse kerken – de twee boeken der Makkabeeën als canoniek, hoewel joden en protestanten dat niet doen.

Lees verder “Pseudepigrapha”