Collatio Legum (3): Waar, Waarom, Wanneer

Theodosius II (Bodemuseum, Berlijn)

Vorige keer hebben we de tekst van de Collatio onder de loep genomen. We weten vrijwel zeker dat die is gestructureerd aan de hand van de Tien Geboden. We weten ook zeker dat het doel van de compilatie is om de overeenkomsten te laten zien tussen de Mozaïsche en de Romeinse wetten. De identiteit van de collator is moeilijk vast te stellen, maar het lijkt waarschijnlijk dat hij een christen was.

Waar?

Als we op zoek gaan naar waar de Collatio is geschreven, leiden de sporen alle kanten op. De mogelijke verbanden met de  Codex Theodosianus suggereren een oostelijke plaats van oorsprong, maar de overgeleverde handschriften duiken juist op in Italië, Oostenrijk en recent nog Kroatië. Uiteindelijk lijkt Rome zelf de meest waarschijnlijke kandidaat, al is dat eerder een geleerde gok dan een echte vondst.

Waarom?

Het publiek van de Collatio wordt in één passage benoemd:

Maar als de Twaalf Tafelen bevelen een nachtdief te doden, echter [als hij overdag komt] alleen als hij zich met een wapen durft te verdedigen: weet, o juristen, dat Mozes dit eerder zo had bepaald, zoals de tekst duidelijk laat zien.noot Collatio 7.1.1.

De auteur richt zich expliciet tot iuris consulti – juristen dus. Zijn doel is helder: laten zien dat Mozes en de Romeinse wetgevers in dezelfde geest dachten. Rutgers zag hierin een aanwijzing voor een joodse auteur die Romeinse juristen wilde overtuigen van de waarde van zijn eigen traditie. Maar ook een christelijke collator zou zo’n brug kunnen willen slaan: ook nu nog vormen de Tien Geboden, en zeker de tweede helft ervan, voor veel christenen de basis voor hun leven. Waarom dan niet ook van hun rechtssysteem?

Wanneer?

En dan nog de datering. De manuscripten zijn door paleografie te dateren, maar dat zijn allemaal kopieën van kopieën van kopieën (enzovoort, u begrijpt waar ik heen wil). Voor de tekst zelf zijn we dus aangewezen op het afbakenen van een tijdslot. Met andere woorden: wat is het vroegste en het laatste mogelijke moment? Wetenschappers zoeken dan een terminus a quo (vanaf wanneer) en een terminus ad quem (tot wanneer).

In het geval van de Collatio is de laatste moeilijk. Het eerste (waarschijnlijke) citaat uit de Collatio komt van bisschop Hincmar van Reims, in 860. Dan is er volgens Frakes nog een aanwijzing dat de Collatio is gebruikt tijdens het Derde Synode van Orléans, in 538. Een datering na 529 lijkt sowieso onwaarschijnlijk, omdat er geen enkele verwijzing is naar het Corpus Iuris, de grote rechtscompilatie van keizer Justinianus. Maar: als de Collatio uit het westen komt (zoals de verspreiding lijkt te suggereren), is een datering na 529 ook niet onmogelijk.

De terminus a quo lijkt makkelijker vast te stellen, maar levert toch meer discussie op. Frakes dateert de Collatio tussen 390 en 395, omdat een recent geciteerde wet volgens hem komt uit 390 na Chr. Bovendien zijn er geen verwijzingen naar teksten of gebeurtenissen van na 395, zoals de Codex Theodosianus (438) of de Vulgaat (405).

De Vulgaat was echter niet meteen bij verschijnen gezaghebbend, dus een schrijver in de vijfde eeuw kan prima een andere vertaling hebben benut. En in die wet van 390 staan twee beruchte woorden: item Theodosianus. Is er dan toch een verwijzing naar de Codex Theodosianus? Of, zoals wetenschappers (te) vaak doen met lastige tekstfragmenten: is het een interpolatie?

Een probleem met die wet van 390 is dat die in de Collatio een ander onderschrift heeft dan een vergelijkbare wet in de Codex Theodosianus. In de Collatio is de wet afgekondigd op 13 mei (jaartal onbekend, maar traditioneel dus 390) in de Minervahal (op het Forum Romanum). Volgens de Codex Theodosianus echter op 6 augustus 428 op het Forum van Trajanus. De versie in de Codex is bovendien korter. Als het jaartal 390 klopt, zoals geleerden van Mommsen tot Frakes volhouden, moet het gaan om een heruitgave van een wet van Theodosius I. Maar als de Theodosius van die geciteerde recente constitutio Theodosii nou eens Theodosius II betreft?

Nu is het natuurlijk niet onmogelijk (en ook niet ondenkbaar) dat iemand in de rij van kopiisten de Codex Theodosianus (438) kende en deze woorden als glosse heeft toegevoegd, waarna ze in de tekst zelf gekopieerd zijn. Dat gebeurde vaker. In elk geval is het opvallend dat de Collatio verder nooit uit de Codex Theodosianus citeert.

Bronnen

Het is echter net zo opvallend dat de Collatio wel hetzelfde bronmateriaal heeft als de Codex Theodosianus. In 426 kondigde keizer Valentinianus III deze Citeerwet af (overgenomen door Theodosius II in 428):

Wij bekrachtigen alle geschriften van Papinianus, Paulus, Gaius, Ulpianus en Modestinus, op zo’n wijze dat de autoriteit van Gaius gelijkgesteld wordt aan die van Paulus, Ulpianus en de anderen, en dat uit al zijn werk passages mogen worden voorgelezen. Ook de kennis van hen, wier verhandelingen en meningen door de bovengenoemde juristen in hun eigen werken zijn verwerkt, achten wij geldig – zoals die van Scaevola, Sabinus, Julianus en Marcellus.noot Codex Theodosianus 1.4.3.

En inderdaad, worden in de Collatio precies deze vijf juristen – Papinianus, Paulus, Gaius, Ulpianus en Modestinus – geciteerd. Nu waren Papinianus en Ulpianus topjuristen aan het hof van de Severi, maar Gaius was in zijn tijd slechts een bescheiden docent. Zijn oudere tijdgenoot Julianus daarentegen genoot een zeer goede reputatie, maar zijn autoriteit wordt door deze wet naar beneden gehaald. Is dat een codificatie van bestaande consensus, zoals Hyamson beweerde, of zit er toch meer achter?

Tot slot is het ook opmerkelijk dat de Collatio citeert uit twee eerdere privéverzamelingen: de Codex Gregorianus (291-294) en de Codex Hermogenianus (295-299). Beide worden eveneens door de Codex Theodosianus genoemd als voorbeeld.

Kortom

Het heeft er dus alle schijn van dat de Collatio in dezelfde tijd en dezelfde omgeving tot stand gekomen is als de Codex Theodosianus. Dezelfde bronnen worden gebruikt, en beide hebben zestien hoofdstukken (wel met een andere thematiek). In dat geval moeten we dus eerder denken aan een datering van 426-438 dan aan 390-395. Het laatste woord daarover is zeker nog niet gesproken. Want soms, heel soms hebben we het geluk dat er een nieuw stukje van de puzzel opduikt – bijvoorbeeld in een archief in Zadar.

[Dit was een gastbijdrage van Robert Braskamp. Dank je wel Robert!]

Deel dit:

4 gedachtes over “Collatio Legum (3): Waar, Waarom, Wanneer

  1. Frans Buijs

    Dit laat ook zien dat die vierde/vijfde eeuw niet alleen maar een tijd van “ondergang van het Romeinse Rijk” was. Op juridisch en literair gebied was er nog volop activiteit.

    1. Robert Braskamp

      Zeker weten! Ik ben momenteel Peter Brown aan het lezen, die wijst er continu op dat de mensen die toen leefden nog niet de kennis van achteraf die wij hebben (het Romeinse Rijk verdween uit West-Europa) hadden. Waardoor wij een hele andere blik op deze tijd hebben gekregen dan de mensen die erin leefden.

  2. Adriaan Gaastra

    Benieuwd naar de uitkomsten van uw onderzoek. Ik ken de Collatio legum eigenlijk niet zo goed. Het valt me op dat in de periode meer pogingen ondernomen zijn om specifiek christelijke georiënteerde compilaties te maken van het Romeins recht, zoals de Lex Romana canonice compta. Verder ben ik ook wel nieuwsgierig naar het manuscript uit Zadar, een stad die lang in de invloedsfeer van de abdij van Montecassino lag.

    1. Robert Braskamp

      De betreffende scriptie is terug te vinden via deze link (https://www.academia.edu/68387899/Romeins_recht_en_de_wetten_van_Mozes) al moet ik erbij zeggen dat ik nu, bijna zes jaar later, iets minder stellig ben over mijn conclusies dan toen.
      Dat er in die tijd meer christelijke wetscompilaties komen klopt inderdaad. Daaraan zie je toch vooral de toenemende invloed van christenen in het rechtssysteem.
      Wat betreft het Zadar-fragment: de artikelen waarin Frakes het beschrijft zitten achter een betaalmuur waar ik helaas op dit moment niet doorheen kan, maar wat vooral opmerkelijk is aan het fragment is de ouderdom ervan (ouder dan de Berlijn Codex, tot 2020 het oudst bekende manuscript) en de locatie ervan (een Kroatisch staatsarchief), waarmee het ons bekende verspreidingsgebied van de Collatio aanzienlijk is vergroot

Reacties zijn gesloten.