Standbeeld

Ariobarzanes in Yasuj

In de winter van 331/330 baande het leger van Alexander de Grote zich een weg van Babylonië door Elam naar het Zagrosgebergte, dat de grens vormt tussen de riviervlaktes van Irak met en het hoogland van Perzië. Een terreurcampagne tegen een plaatselijke stam, de Ouxiërs, zorgde ervoor dat iedereen op de vlucht was geslagen voordat de Macedoniërs ter plekke waren.

Het nieuws dat een nietsontziende vijand naderde, bereikte ook de Perzische generaal die het gebied bewaakte, Ariobarzanes of, zoals de Iraniërs hem tegenwoordig noemen, Aryo Barzan. Hij begreep langs welke route Alexander wilde oprukken en wist ook waar hij zijn eigen troepen moest plaatsen om de vijand tegen te houden: bij de Perzische Poort, de Tang-e Meryan vlakbij het huidige Yasuj. Daar wist hij Alexander inderdaad tot de aftocht te dwingen, maar de Macedoniërs wisten via een bergpad achter de Perzische linies te komen en rekende alsnog met hun tegenstanders af.

Tot zo’n tien jaar geleden meende men dat de Perzische Poort moest worden gezocht bij het huidige Faliyan. Dit is lang geleden voorgesteld door Sir Aurel Stein, een van de laatste reiziger-archeologen-spionnen die mijn vakgebied voorzagen van een aura van romantiek en avontuur. Beelden van deze pas zijn nog te zien in de BBC-serie In the Footsteps of Alexander en vrijwel alle moderne boeken veronderstellen de juistheid van deze identificatie.

Ze is echter incorrect. Dat is bewezen door Henri Speck, die in de jaren zeventig werkzaam was aan de Amerikaanse Universiteit te Shiraz. Hij realiseerde zich dat de Tang-e Meryan de juiste pas was, maar kon die nooit bezoeken: op de dag waarop hij Yasuj bereikte, brak de Iraanse Revolutie uit. Een politieman adviseerde hem het land te verlaten, en zo de Amerikaan nog aarzelingen had gehad, dan overtuigden de pijnkreten van degenen die in de politiecel werden gemarteld hem wel. Hij fietste zo snel mogelijk naar Irak.

Later schreef hij er een artikel over, dat echter bleef liggen omdat het incompleet was. Uiteindelijk werd het toch gepubliceerd, en dat bracht mij op het idee om met mijn beste vriend naar de kloof te gaan die Speck nooit had gezien (meer). Ik heb Speck later in Oxford opgezocht, heb ook nog eens een professor van de Universiteit van Yasuj gesproken en maakte een pagina op Livius.org over de bevindingen van de twee geleerden (hier). Het is altijd fijn als je de aandacht kunt vestigen op interessant of leuk onderzoek, en dat gebeurde dit keer zeker, want vrijwel alle webpagina’s die later zijn gemaakt, verwijzen via mijn webpagina naar Speck.

De bewoners van Yasuj wisten in 2004 over de historische gebeurtenis die ooit bij hun stad heeft plaatsgevonden. Iedereen meende immers dat de Perzen hun “last stand” hadden beleefd bij Faliyan en het tijdschrift dat Specks resultaten had gepubliceerd, is in Iran niet in de bibliotheken aanwezig.

Onlangs bezocht ik Yasuj opnieuw. De toegangsweg wordt sinds kort gedomineerd door een mooi beeld van Ariobarzenes. Stiekem – of eigenlijk niet zo stiekem, want ik schrijf dit – vlei ik me met de gedachte dat de gemeente Yasuj via Livius.org, die men direct of indirect moet hebben geconsulteerd, iets heeft geleerd over het verleden van de eigen stad.

Toen we in 2004 voor het eerst in de Tang-e Meryan stonden, staken we de Italiaanse sigaren op die we voor de gelegenheid hadden bewaard. Dit keer was ik zó blij dat ik nog die avond in het hotel van Yasuj dit stukje heb geschreven. Ik ben niet tevreden over mijn website, maar het is goed te weten dat wat ik had gedaan, verschil uitmaakt. Soms.