Q (3)

Mattheüs (gevelsteen, Lauriergracht 74, Amsterdam)

[Dit is mijn derde en laatste stukje over de Tweebronnenhypothese. Het eerste was hier.]

Zoals ik in mijn tweede stukje beschreef, zijn de evangeliën van Matteüs en Lukas gebaseerd op twee eerdere teksten: het Marcusevangelie en “Q”. Het is tijd eens in wat detail te kijken naar Q – en als u het héél gedetailleerd wil bekijken, kunt u hier naartoe.

Afgezien van twee korte verhalen over de wijze waarop de duivel Jezus op de proef stelt en over het geloof van een Romeinse officier, bestaat Q uit een korte proloog over Johannes de Doper en vervolgens een grote verzameling uitspraken van Jezus, die werden aangeduid als logia. Het geheel doet een beetje denken aan een spreekwoordencollectie en eindigt met voorspellingen van de Eindtijd, die Jezus’ volgelingen nog zullen meemaken. Dit laatste moet zijn opgeschreven vóór duidelijk werd dat deze profetie niet uit zou uitkomen en is dus vermoedelijk een heel oud deel van de tekst. Voor een vroege datering van Q pleit ook het vriendelijke beeld van de Romeinse officier, dat beter past in de vroege eerste eeuw dan in de late eerste eeuw, en een opmerking van de vroeg-Christelijke schrijver Papias dat Matteüs in de Aramese logia van Jezus heeft opgeschreven.

De in Q genoemde plaatsnamen suggereren bovendien dat het document is samengesteld in Galilea. Zowel de datering als de locatie maken het aantrekkelijk aan te nemen dat de uitspraken in Q werkelijk van Jezus zijn, maar dit is niet met absolute zekerheid vast te stellen. Het enige wat we redelijk zeker weten is dat Q materiaal bevat dat al vroeg werd toegeschreven aan de Galilese wijsheidsleraar.

Dat het onderwijs van een wijsheidsleraar wordt weergegeven in een collectie van korte spreuken, en niet als een systematisch uitgewerkte leer, was destijds niet ongebruikelijk. Zo vat het Mishna-traktaat Aboth de opvattingen van de farizese leraren samen in de vorm van beknopte uit het hoofd te leren maximen. Doordat verbindende teksten ontbreken, zijn documenten als Aboth en Q echter wel wat rommelig. Lukas heeft dit geaccepteerd en presenteert de uitspraken in de volgorde waarin hij ze aantrof, terwijl Matteüs het materiaal heeft herordend en er redevoeringen mee heeft samengesteld, zodat er toch wat structuur is ontstaan. De Bergrede en de scheldredevoering tegen de farizeeën zijn dus in feite composities van Matteüs, opgebouwd uit de woorden die hij aantrof in Q.

De ontdekking van Q heeft belangrijke gevolgen. De historicus kan de evangeliën nooit meer geïsoleerd lezen en zal ze altijd moeten vergelijken. Stelt hij vast dat een verhaal in Matteüs, Marcus en Lukas is overgeleverd, dan zal hij concluderen dat het teruggaat op Marcus en zal hij de versies van Matteüs en Lukas negeren. (De vakterm is eliminatie.) Een voorbeeld is het verhaal van de blinde bedelaar, die volgens Lukas werd genezen vóór Jezus Jericho binnenging en volgens Marcus toen Jezus de stad verliet, terwijl Matteüs het erop houdt dat er twee blinden waren. Marcus’ versie moet de oorspronkelijke zijn (wat overigens niet wil zeggen dat het verhaal waar is – het betekent alleen dat het de oudste versie is).

q3Stelt de historicus vast dat iets alleen is overgeleverd in Matteüs en Lukas, dan concludeert hij dat het afkomstig is uit Q, en weet hij dat deze passages contextloos zijn. De in de toespraken van Matteüs geboden context is onhistorisch. Tot slot kan de historicus vaststellen dat een passage alleen voorkomt bij Matteüs of Lukas. Dat heet Sondergut. Voor dit eigen materiaal – zie het derde plaatje – geldt dat één bron geen bron is. Het onttrekt zich aan beoordeling.

Kortom, dankzij de Tweebronnentheorie kunnen we onderscheid maken tussen vroege en late teksten. Als we iets vinden in Q én in de brieven van Paulus, die zijn geschreven rond 50, hebben we twee onafhankelijke getuigen. Jezus’ verbod op echtscheiding is daarvan een voorbeeld. Omdat er twee vroege bronnen voor zijn, is het aannemelijker dat het authentiek is dan als het zou hebben gestaan in een late tekst.

Dit is één van de methoden waarmee oudhistorici proberen de historische Jezus te benaderen. Er zijn er meer, maar voor het moment is het mooi geweest.

12 gedachtes over “Q (3)

  1. Marnix Haesen

    Mag ik een auteur adviseren die over dit onderwerp en veel gerelateerde zaken heel goed en duidelijk schrijft: Bart Ehrman.

    Koop zijn boeken en je krijgt een zeer goed inzicht hoe het Nieuwe Testament ontstaan is, hoe de canon ontstaan is, hoe het kan dat bijna alle manuscripten die we hebben variaties in de tekst vertonen (de meeste klein en onbelangrijk, maar sommige significant). Hij legt goed uit dat de historische Jezus een apocalyptisch profeet was (zoals er toen wel meer waren); hoe soms opzettelijk veranderingen door kopiïsten in de tekst werden aangebracht en waarom en dat dit veranderingen nu in de canon zitten. Hij is een autoriteit op dit gebied!

    1. Roelof

      Bart Ehrman…hm…lijkt me niet écht de aangewezen persoon hier. Hij was vroeger een toegewijd christen en sinds hij zich bekeerd heeft tot het agnosticisme kan hij het niet laten om te schoppen tegen alles waar hij vroeger voor stond, vooral in zijn populair-wetenschappelijke boeken. Dat leidt erg af en zorgt er voor dat hij doorslaat naar de andere kant. Bovendien schrijft hij vrijwel niets wat al eens eerder en beter geschreven is. (Zijn laatste boek ‘How Jesus became God’ leest als een trein maar brengt niets nieuws..) Wel weet hij altijd prima de media te vinden zodat zijn boeken breed gelezen worden, dat is natuurlijk ook een gave.

  2. K. Hielkema

    Spannend, dat verbod van Jezus op echtscheiding, zonder een uitzondering en voor zowel man als vrouw. Bij Mozes lag dat knap anders, althans voor de man. Wie moet de moderne christen nu volgen. Jezus zou je zegge, het hogere niveau…. Maar Mozes past ons beter….. Ach ja, niets nieuws, we geloven alleen dat wat ons uitkomt, de rest passen we aan….

  3. Olav

    Enkele gedachten:

    a. Interessante materie, ik begrijp dat mensen er meer van willen weten. En ik zou hopen dat andere personages in de religiegeschiedenis op evenveel seriezue belangstelling konden rekenen. De historische Siddharta, de historische Mohammed? Laat maar komen die verhalen.

    b. Heer Jona Lendering schrijft over “Q” alsof deze tekst werkelijk is gevonden (en niet slechts afgeleid uit andere bronnen). Dat mag, denk ik, maar ik voel me er toch nog ongemakkelijk bij. Zou het niet beter zijn om hier en daar toch een academische slag om de arm te houden? We weten toch niet werkelijk wat er in gestaan heeft?

    c. Hoe dichter we bij de historische Jezus komen, hoe meer we begrijpen van de teksten, hoe duidelijker wel wordt dat in die officiële teksten nogal aan mythevorming gedaan werd. Je vraagt je af: de schrijvers van al die evangeliën zullen toch niet ècht gedacht hebben dat hij water in wijn liet veranderen, en dat hij weer opstond na overleden te zijn? Ik vermoed dan: ze namen waarschijnlijk aan dat dat gerechtvaardigde verbeteringen van het verhaal waren. Immers, hoe anders kan je benadrukken dat deze prediker die op zo vernederende wijze ten onder ging (aangenomen dat de kruisiging echt gebeurd is), toch echt wel een grote koning was.

    d. Hoe vinden gelovige mensen die ontmythologisering nu? Stel: hij is niet werkelijk opgestaan uit de dood. Voor een flink aantal gelovigen betekent dat dat ze een groot deel van hun theologie aan de straat moeten zetten. Dat zullen ze (mijn inschatting) niet doen. Ze zullen dus gaan ontkennen.

    Bij andere takken van wetenschap is dat nog veel duidelijker, maar ook geschiedkunde moet in wezen wel vijandig zijn aan theologie.

    1. henktjong

      Kijk, dit vind ik een zinnige reactie. Heldere argumenten, duidelijk opgeschreven en de eindconclusie kan ik helemaal onderschrijven. Benieuwd of dat ook de uitkomst van Jona’s nieuwe boek wordt.

    2. Wat betreft a:
      Helemaal mee eens.
      Wat betreft b:
      Dit is een heel gangbare methode in de bronnenleer. Natuurlijk wil je van elke bron een geschreven versie hebben (want elke geschreven bron verandert een beetje (en soms meer) in een nieuwe kopie. Maar van sommige bronnen hebben we alleen de mededeling van de auteur, dat hij uit die bron geput heeft, en dan moeten we maar aannemen dat de gekopieerde stukken ook goed gekopieerd zijn en niet herschreven.
      Wat betreft c:
      Ik weet dat het voor een modern mens heel moeilijk is zich te verplaatsen in de gedachtenwereld van iemand die (zeg) 1000 jaar geleden leefde. Alle aannamen die bij ons ingebakken zitten kun je er moeilijk uitfilteren om je te verplaatsen in de gedachtenwereld van een verre voorouder. Logica helpt daar niet. Ja, we weten dat in sommige teksten zaken werden aangedikt, soms uit heel praktische overwegingen (een wonder in jouw klooster zorgde voor inkomsten van pelgrims). Maar onderschat nooit het vermogen tot geloof en de simpele acceptatie van ‘wonderlijke’ verhalen.
      Wat betreft d:
      Ja, daar noem je nu een punt. Ik ken gelovigen die ontzettend hangen aan de letterlijkheid van de tekst van de bijbel, en Jona’s stukjes hebben al eenvoudig aangetoond dat die letterlijkheid er gewoon niet voor 100% in kan zitten. Dus heeft het volk Israël wel 40 jaar door de Sinai gezworven? Voor de meeste gelovigen maakt dat niet uit, maar als je aan kunt tonen (is al gebeurd) dat dit verhaal symbolisch is, hebben inderdaad sommigen een probleem. Mijn oma bijvoorbeeld. Maar Je stelt wel heel eenvoudig dat 1) de bijbelteksten ‘mythologisch’ zijn (en zijn ze dat dan ook?) en 2) dat kernzaken zoals de opstanding ook aantoonbaar onjuist zijn. En dat zou je dan eerst maar eens moeten doen alvorens zo’n kernvraag te stellen.

      Ja, in sommige gevallen staat historiciteit haaks op geloof (niet perse theologie), maar er zijn ook gevallen dat geschiedkunde (en archeologie) de teksten juist versterken. Beide dus.

      1. Olav

        Beste Robert, ik reageer even op een paar dingen die mij prikkelen:

        Wat betreft b:
        Dit is een heel gangbare methode in de bronnenleer.

        Ik heb ook geen kritiek op de methode. Die lijkt me, voor zover ik ‘m begrijp, in orde. En ik ben geen geleerde, slechts een geïnteresseerde leek, dus ik heb misschien ook wel wat moeite om mijn bezwaar precies onder woorden te brengen. Het lijkt me gewoon dat je nooit precies zal kunnen weten wat er in een verloren tekst heeft gestaan. Je kan wel infereren en deduceren, maar het resultaat is dan toch hoogstens een benadering van de oorspronkelijke tekst.

        Maar onderschat nooit het vermogen tot geloof en de simpele acceptatie van ‘wonderlijke’ verhalen.

        Dat onderschat ik zeker niet. We hebben ook genoeg voorbeelden uit de moderne tijd waarin wonderlijke verhalen al in korte tijd een eigen leven gingen leiden. Maar ergens moeten die verhalen toch vandaan komen. Bijvoorbeeld dat Jezus water in wijn veranderde zal iemand ooit moeten hebben bedacht. Ik veronderstel dus dat die verteller voor de vraag stond: hoe maak ik dit verhaal nog wat interessanter voor het publiek, hoe maak ik duidelijk dat onze predikant toch echt wel heel bijzonder was.

        Als we konden beschikken over de teletijdmachine van professor Barabas dan zouden we Jona erop uit kunnen sturen om die persoon eens kritisch te ondervragen. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de auteur als hij verneemt dat tweeduizend jaar later er nog steeds mensen zijn die in die dingen geloven alsof ze werkelijk gebeurd zijn. Zou hij schrikken en zeggen dat dat toch niet helemaal de bedoeling was?

        Maar Je stelt wel heel eenvoudig dat 1) de bijbelteksten ‘mythologisch’ zijn (en zijn ze dat dan ook?)

        Ze hebben er toch zeker alle kenmerken van. En voor zover ik weet komen alle wonderen die aan Jezus worden toegeschreven ook voor in andere, oudere verhalen. En in verhalen uit andere delen van de wereld. Er is schijnbaar een soort standaard vocabulair van wonderen en heldendaden dat aan belangrijke personages kan worden toegeschreven.

        Je neemt een figuur die werkelijk leefde en je maakt er door embellishment met wonderen een mythe van. Dat is naar mijn inschatting wat er met de prekende timmerman gebeurd is. Zijn liefhebbende volgelingen zullen daar ook vast grote behoefte aan hebben gehad. Om maar te zwijgen van degenen die er een (politiek) belang bij hadden.

        en 2) dat kernzaken zoals de opstanding ook aantoonbaar onjuist zijn.

        Ben je nu serieus?

        Als iemand na een gruwelijke martelsessie weer opstaat dan was hij dus (nog) niet dood. Want was hij wel dood, dan was hij niet meer opgestaan. Ook in de eerste eeuw van onze jaartelling zullen nuchtere lieden dat wel hebben beseft.

        Ja, dat is een aanname van me.

        1. Tsja, daar hebben we toch een fundamenteel verschil van mening. Jij gaat er blijkbaar vanuit dat alle ‘wonderen’ bovennatuurlijk en dus onwaar zijn. En dat (daarom) dus alle vermelde wonderen (vroom of politiek bedoelde) leugens zijn. Willens en wetens toegevoegd. Van sommigen kan ik daarin meegan, zoals het maagdelijk geboren zijn bijvoorbeeld – dat behoorde in het hellenistische Judaea tot de ‘voorwaarden’ van je CV als je serieus genomen wilde worden. Pythagoras was ook maagdelijk geboren meen ik. Maar verder denk ik toch dat je nu wel alles teruggeneraliseert tot een ‘het zal wel een agenda hebben en allemaal onwaar zijn’. Zonder enig bewijs voor die stelling, teken ik hier toch even bij aan.

          En je stelt dat er blijkbaar in de eerste eeuw nuchtere lieden bestonden die dit allemaal best wisten. En dat de evangelisten zouden schrikken dat hun (goedbedoelde) leugens nog na 2 millennia werden geloofd. Dat is (behalve getuigend van een gebrek aan kennis over de mindset van eerste-eeuwers) behoorlijk cynisch. Of je nu gelooft in wonderen of niet (ik hou een slag om de arm), impliceren dat alle wonderen bewuste leugens zijn vind ik toch wel sterk.

          Als historicus, gelovig of niet, zou ik toch graag wat meer bewijs zien. Eigenlijk is jouw stelling dat het ‘bewuste leugens zijn van mensen die het zelf allemaal ook niet per se geloofd hebben’ net zo zeer op aannamen gebaseerd als iemand die stelt dat het allemaal waar is omdat het in de Bijbel staat. 🙂

          1. Olav

            Hou me a.u.b. ten goede; ik heb beslist niet gezegd dat het “leugens” zijn. Je stelt mijn positie in die zin verkeerd voor.

            Eerder ga ik ervan uit dat die wonderen destijds gewoon geaccepteerde literaire motieven waren. En dat daarover een verstandhouding bestond tussen verteller (schrijver) en luisteraar (lezer). Van een goed verhaal werd nu eenmaal verwacht dat er zulke wondertjes in voorkwamen, zoiets. Sommige mensen zullen er in hebben willen geloven, anderen mogelijk niet.

            En zoals ik zelf al zei: ja, dat is een aanname van me.

            Nog een aanname: voor sommige mensen zullen de wonderen van Jezus pas echt geworden zijn toen ze werden opgeschreven. Doe daar maar eens een gedachtenexperiment mee..

            Dat wonderen, bovennatuurlijke toestanden, het hele pantheon van goden en engelen en het hiernamaals inderdaad niet bestaan lijkt me wel meer dan een aanname, nl. gewoon een feit. En ik begrijp heus wel voldoende van epistemologie om te weten dat het niet mogelijk is te bewijzen dat die zaken niet bestaan. Maar dat geldt evenzeer voor Russell’s Theepotje, de Onzichtbare Roze Eenhoorn en het Vliegende Spaghettimonster.

            Aangezien wonderen niet bestaan moet er wel een reden zijn dat ze opduiken in de verhalen, en ik zoek daar dus een menselijke oorzaak voor. Niets meer en niets minder.

            1. Ik vermoed dat “wonderen” niet zozeer een literaire als wel een antiek-medische term zijn. Ook nu zijn er nog onbegrepen genezingen, elk ziekenhuis heeft er elk jaar wel een paar. Wij zeggen dan “we snappen het niet”; destijds interpreteerde men het als een goddelijke ingreep.

              Ik denk dat we antieke wonderverhalen vrij serieus moeten nemen. Er waren, toen zoals nu, charismatische genezers. Zulke verhalen werden ook verteld over Romeinse keizers: Vespasianus kon door handoplegging mensen genezen. (In de categorie natuurwonderen: Marcus Aurelius had een regenmaker in dienst.)

              Wij hoeven daarentegen niet de antieke interpretaties over te nemen. Een ongebruikelijk soort genezing hoeft niet te betekenen dat God intervenieerde. De genezing zelf kan daarentegen een historisch feit zijn.

Reacties zijn gesloten.