Enuma elisj

Soms ontdek je een boek dat je al jaren had moeten kennen maar om een of andere reden niet bent tegengekomen. De Nederlandse vertaling van het Babylonische Scheppingsverhaal Enuma elisj is zo’n boek: terwijl ik het gedicht ken en tegelijk met vertaalster Selma Schepel gestudeerd moet hebben, kende ik dit in 2002 verschenen boek niet tot ik het aantrof in een antiquariaat.

Het verdiende beter dan de ramsj, want dit is een fijn boek. Deels doordat de antieke tekst interessant en belangrijk is, deels doordat Schepel verstandige redactionele keuzes heeft gemaakt. De enige keuze die, met de kennis van nu, verkeerd uitpakt, is dat ze de slisklank die bekendstaat als sjin, weergeeft als /sj/, zoals in de titel. Daarmee is een woord online, waar de internationale transcriptiesystemen overheersen, niet makkelijk terug te vinden, maar ik weet niet of dat in 2002 al voldoende duidelijk was. Maar verder is Schepels boek echt de moeite waard.

Eerst iets over de tekst. Minimaal een keer per jaar, tijdens het Akitu-festival, reciteerden de Babyloniërs Enuma elisj (“Toen daarboven”: de eerste woorden van een titelloos gedicht). Daarna wisten de toehoorders weer hoe de eerste goden waren ontstaan, hoe zij door allerlei voorwereldlijke monsters waren bedreigd, hoe de oppergod Marduk door de godenvergadering was aangewezen als kampioen in de strijd tegen de gruwelijke Tiamat, welke wapens hij had gehad, hoe hij de orde had gecreëerd, hoe hij de wereld tot stand had gebracht en hoe de mensheid was geschapen.

Het gedicht moet omstreeks 1100 v.Chr. zijn ontstaan, maar bevat veel ouder materiaal. Marduk was een betrekkelijk jonge god, niet genoemd in de oudste fasen van de geschiedenis van het Tweestromenland, en om hem toch een beetje aanzien te geven, kleedden de Babyloniërs hem in de verhalen die ze eerder over andere goden hadden verteld. In feite werd Enuma elisj zo een herordening van de bestaande mythen volgens een nieuw theologisch systeem. (De Griekse dichter Hesiodos zou zo’n drie, vier eeuwen later precies hetzelfde doen.)

De centrale scène is de drakenkamp: Marduk verslaat zijn aartsvijand Tiamat.

Tiamat en Marduk naderden elkaar,
Raakten verstrikt in de strijd, stootten af en aan.
De Heer spreidde zijn net uit, sloot haar in,
Liet de wind die zijn dekking was, los in haar gezicht.
Tiamat opende haar mond om hem op te slokken,
Liet zo de boze wind binnen, kon haar lippen niet sluiten.
De woedende winden vulden haar maag,
Haar binnenste werd opgeblazen, en zij opende haar mond.
Hij schoot er een pijl in, doorboorde haar buik,
Reet haar ingewanden uit elkaar, sneed haar hart uit,
Bond haar vast en doofde haar levenslicht.

Dit type verhaal, een drakendoderssprookje waarvan er dertien in een dozijn gaan, had overal in het Midden-Oosten dezelfde betekenis: de zegevierende god stond voor de orde en het goede, het verslagen monster representeerde de chaos en het kwaad. Uit Ugarit kennen we zo de mythe van Ba’al die strijdt tegen de Zee. De Griekse Zeus streed tegen Tyfon. Het Bijbelboek Job veronderstelt hoe JHWH streed tegen het monster Leviathan. Later zou van de aartsengel Michaël worden verteld hoe hij een draak versloeg.

Schepel heeft er goed aan gedaan dit soort parallellen uitgebreid uit te leggen. Het oude Nabije Oosten is immers bij veel lezers, ook de wat hoger opgeleide, slecht bekend en de invloed die de oosterse verhalen hebben gehad op de westerse traditie is nog minder bekend. Het kan geen kwaad dit laatste eens te documenteren, al moet me van het hart dat Schepel, zoals wel meer spijkerschriftdeskundigen, soms wat ver gaat in het constateren van parallellen. Toch heeft ze wel gelijk dat ze dit aan het boek toevoegde, want in combinatie met haar uitleg over de oud-oosterse religieuze schriftcultuur biedt ze zo een fijne introductie tot een onderschat cultuurgebied.

Terug naar het epos: nadat Marduk Tiamat heeft gedood, schept hij de aarde en de mens, en geeft aan wat deze te doen heeft.

Bloed wil ik samenvoegen en botten rangschikken,
Een menselijk wezen wil ik op laten rijzen.
Voorwaar, “mens” is zijn naam!
Ik wil een menselijk wezen creëren, de mens,
Die de taak van de goden gaat overnemen,
zodat zij rust krijgen.
Ik zal het leven der goden heerlijk maken.

De mens neemt dus de taken over die de goden ooit moesten verrichten: de mens is een geboren dienaar. Misschien moeten we hier niet teveel in lezen, maar Schepel heeft gelijk dat de auteur hier in feite een antwoord geeft op de vraag waartoe wij hier op aarde zijn: om de goden te dienen. Omdat de mensen echter zijn ontstaan uit een gedood monster, zit de rebellie de mens letterlijk in het bloed. Enuma elisj lijkt zo tevens een antwoord te geven op de vraag waar het kwaad vandaan komt.

Aardig is dat Schepel ook ruim aandacht besteedt aan het Atrahasis-epos, een veel ouder gedicht over de oergeschiedenis. Hierin zijn zeven hoofdgoden, die worden gediend door de lage goden. Zij komen in opstand omdat het werk hun te zwaar is, maar worden verslagen, en de werkzaamheden komen in handen van de mensen. De mensheid blijkt de opgedragen taken echter nogal vrolijk uit te voeren, zodat de goden de wereld uiteindelijk blank zetten om van de herrie af te zijn. Dit is de structuur die we ook aantreffen in de Bijbel, waar vóór het Zondvloedverhaal ook een verhaal over opstandelingen is opgenomen, en in de Grieks-Romeinse traditie, waar de grote vloed volgt op de mislukte opstand der Giganten.

Enuma elisj laat deze verhalen wat ze zijn en concentreert zich op iets wat tijdens het Akitu-feest belangrijker was: de beschrijving van de cultusplaatsen, zoals de Esagila, de Marduktempel van Babylon. Het gedicht eindigt met een godenmaal en de vijftig namen van Marduk.

Kortom, een boeiende en invloedrijke tekst, met verpletterend veel uitleg vertaald. Een boek dat werkelijk beter verdiende dan de ramsj.

2 gedachtes over “Enuma elisj

  1. mnb0

    “een onderschat cultuurgebied.”
    Je hebt ongetwijfeld gelijk, maar voor de Tolkien fans zijn alle punten gesneden koek dankzij The Silmarillion!

Reacties zijn gesloten.