Het oudste Babylon

Stèle met een afbeelding van een moeder met kind (Pergamonmuseum, Berlijn)

U kent de stad als Babylon, maar dat is Grieks. Het geeft de naam Babillu weer, een naam uit een onbekende taal. Later, toen de bewoners van Mesopotamië Semitische talen als Akkadisch waren gaan spreken, dus na pakweg 2400 v.Chr., herkenden ze er twee van hun eigen woorden in: Bab en ili, “poort der goden”. We zouden meer over de oudste fase van de stad weten, maar de resten liggen onder het grondwaterpeil van de Eufraat en opgraving is vrijwel onmogelijk. Uit schriftelijke bronnen blijkt echter dat de stad belangrijker begon te worden na de val van het rijk van de Derde Dynastie van Ur, toen de Amorieten het gebied binnenvielen en de macht overnamen in Babili.

Het oude Babylonische Rijk

Mesopotamië assimileerde nieuwkomers eigenlijk altijd en de Amorieten waren geen uitzondering. Ze kregen weliswaar de macht maar “mesopotamiseerden”. In het eerste kwart van het tweede millennium v.Chr. verenigde Babylon, onder leiding van een van oorsprong Amoritische dynastie, het Tweestromenland. De bekendste koning van dit Oud-Babylonische Rijk is Hammurabi. Hij leefde in de eerste helft van de achttiende eeuw. Er speelt hier een fascinerende chronologische kwestie, waarover ik hier blogde. Als u geïnteresseerd bent in de pervertering van het oudheidkundig debat, is dit stukje iets voor.

Lees verder “Het oudste Babylon”

Aššur

Aššur met de trekken van de zonnegod Šamaš (links) en een van zijn vereerders (rechts) (Pergamonmuseum, Berlijn)

Ik had me voorgenomen om, in de aanloop naar de langverwachte expositie over de Assyrische hoofdstad Nineveh in het Rijksmuseum van Oudheden, elke week een blogje te wijden aan een museumstuk dat iets vertelt over Assyrië. Vandaag: de god Aššur, die u hierboven ziet afgebeeld op een geglazuurde tichel uit het Pergamonmuseum in Berlijn.

Aššur heeft niet zoveel met Nineveh te maken, maar des te meer met Assyrië. Het is de stadsgod van de eerste hoofdstad van het koninkrijk, Aššur. Hoewel de residentie nog enkele keren zou worden verplaatst – Nineveh was de laatste hoofdstad in een reeks – bleef Aššur staan aan het hoofd van het Assyrische pantheon. Het wonderlijke is echter dat deze godheid, die vele eeuwen vereerd is geweest, altijd wat kleurloos is gebleven.

Lees verder “Aššur”

Babylonische astronomie

Tablet met een lijst van verduisteringen tussen 518 en 465 v.Chr.

In voorhistorische tijden had de Babylonische oppergod god Marduk het monster Tiamat verslagen. Hij had haar huid als een uitspansel gebruikt om de hemel te doen ontstaan en had de andere lichaamsdelen benut om de aarde, de bergen en wat dies meer te maken. Ook had Marduk de zon, de maan en de sterren geschapen, hun banen langs de hemel getrokken en de ritmes vastgesteld die de eindeloze tijd overzichtelijk maken. Alles zou zich vroeg of laat herhalen.

Zodoende konden mensen weten wat hun te wachten stond, mits ze goed registreerden wat er aan de hemel te lezen was en wat er daadwerkelijk gebeurde. En dus klommen de astronomen van Babylon elke nacht naar de top van de tempeltoren Etemenanki (“het huis van het fundament van de hemel op aarde”, de Bijbelse “Toren van Babel”) middenin de stad om te zien wat er gebeurde. Het resultaat is de enorme collectie kleitabletten in het British Museum die bekendstaat als de Astronomische Dagboeken. Nacht na nacht werd bijgehouden wat er te zien was geweest, dag na dag schreef men op wat er was gebeurd.

Lees verder “Babylonische astronomie”