3500 jaar Sint-Joris (2)

Sint-Joris (Historisch Museum, Sofia)

In het eerste deel toonde ik hoe de legende van Sint-Joris via de legende van Sint-Theodorus teruggaat op het verhaal over Perseus. Maar het is ouder.

De groene man

Nog niet zo heel lang geleden waren er in het Midden-Oosten cultusplaatsen die werden gedeeld door christenen en moslims en soms ook door druzen en joden. Dat is niet zo vreemd. De grenzen tussen godsdiensten zijn niet overal en altijd scherp. In Libanon bestond lange tijd de gewoonte dat moslims, vóór de pelgrimage naar Mekka, de zegen kwamen vragen van de dorpspriester. Want waarom ook niet? Het had eeuwenlang reizigers beschermd, dus zo’n gebruik schaf je niet af. Moslims lieten zich ook weleens dopen, niet om christelijk te worden, maar omdat het doopsel kwade geesten op afstand hield. Ook dat was eeuwenlang goed gegaan, ook dat schafte je niet af. En in elk dorp waren de kinderen islamitisch ten tijde van het Suikerfeest en christelijk met Pasen. Je geloof is waar snoep valt te halen.

Lees verder “3500 jaar Sint-Joris (2)”

Ziggurat

Ur, ziggurat

Het handboek waarover ik elke week een keer blog, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, bevat een tekening van de ziggurat ofwel tempeltoren waarvan u hierboven een foto ziet. Ziggurats zijn het Mesopotamische equivalent van de Egyptische piramiden: grote kunstmatige vierkante bergen van steen. Ze zijn ook ruwweg even oud: ergens in het vroege derde millennium werd begonnen met de constructie van deze monumenten. Anders dan een piramide, die een vorstengraf is, is een ziggurat een tempel; en terwijl de bouw van de piramiden al na twee eeuwen over zijn hoogtepunt was (letterlijk) en rond 1640 v.Chr. helemaal ophield, gingen de Sumeriërs, Elamieten, Akkadiërs, Babyloniërs, Assyriërs de volken op de Iraanse hoogvlakte door met de bouw van tempeltorens tot in de Seleukidische tijd. De foto hierboven toont een hellenistisch monument.

Het woord ziggurat is afgeleid van ziqqurratu, Akkadisch voor “oprijzend gebouw”. Sommige van deze monumenten rezen inderdaad hoog. De tempeltoren die bekend staat als Etemenanki (“Huis van het fundament van de hemel op aarde”) in Babylon was 92 meter hoog. Nog groter was het heiligdom van de god Anu te Uruk, gebouwd in de derde of tweede eeuw v. Chr. De best bewaarde tempeltoren staat in Choga Zanbil in Elam, het huidige Khuzestan in Iran.

Lees verder “Ziggurat”

Enuma elisj

Soms ontdek je een boek dat je al jaren had moeten kennen maar om een of andere reden niet bent tegengekomen. De Nederlandse vertaling van het Babylonische Scheppingsverhaal Enuma elisj is zo’n boek: terwijl ik het gedicht ken en tegelijk met vertaalster Selma Schepel gestudeerd moet hebben, kende ik dit in 2002 verschenen boek niet tot ik het aantrof in een antiquariaat.

Het verdiende beter dan de ramsj, want dit is een fijn boek. Deels doordat de antieke tekst interessant en belangrijk is, deels doordat Schepel verstandige redactionele keuzes heeft gemaakt. De enige keuze die, met de kennis van nu, verkeerd uitpakt, is dat ze de slisklank die bekendstaat als sjin, weergeeft als /sj/, zoals in de titel. Daarmee is een woord online, waar de internationale transcriptiesystemen overheersen, niet makkelijk terug te vinden, maar ik weet niet of dat in 2002 al voldoende duidelijk was. Maar verder is Schepels boek echt de moeite waard.

Lees verder “Enuma elisj”

Sumerisch Scheppingsverhaal

Scheppingsverhaal uit Girsu (Louvre, Parijs)
Scheppingsverhaal uit Girsu (Louvre, Parijs)

Dit is een kleitablet uit het Louvre, afkomstig uit Girsu, een stad in het zuidoosten van Irak. Het is in het Sumerisch geschreven, ergens in het derde kwart van het derde millennium v.Chr. Hier is de vertaling:

Hemel kleedde zich als een jonge held.
Hemel en Aarde wisselden woorden uit.
Destijds bestonden de god Enki en zijn stad Eridu
nog niet en de god Enlil leefde nog niet.
De schoonheid van de velden was stof.
De bloei was stof.
De dagen waren nog niet licht.
De nieuwe manen vertoonden zich nog niet aan de hemel.

Lees verder “Sumerisch Scheppingsverhaal”