10 jaar Livius Nieuwsbrief (3)

Ik eindigde mijn vorige stukje met de constatering dat het publiek wél is geïnteresseerd in de Oudheid, maar andere dingen nodig heeft dan nu worden geboden. Concreet: de feiten worden niet voldoende goed gepresenteerd, er is weinig verdieping en de nieuwsstroom over de Oudheid op het wereldwijde web bestaat uit contextloze ditjes en datjes. Het publiek kan zo geen beeld krijgen van wat er nu eigenlijk op het spel staat. Als er dan ook zichtbaar fouten worden gemaakt, valt het draagvlak voor de oudheidkunde en de klassieken weg.

Voorlichting als vak

Zie ik het goed, dan is de kern van het probleem dat de oudheidkundige wetenschapsvoorlichting nog wordt beschouwd als een soort “wetenschap light”. Om te beginnen blijkt dat uit de vorm: niet zelden heeft een publieksartikel of -boek het academische stramien “vraagstelling – eerdere discussie – argumenten – conclusie – literatuurlijst”. De inhoud is daarentegen vaak onacademisch eenvoudig: er wordt niet geschreven voor mensen die het HBO of de universiteit hebben afgemaakt. Anders dan bijvoorbeeld bijbelwetenschappers, die nog wel eens schrijven over hun hermeneutische uitgangspunten, laten oudhistorici, classici en archeologen hun methode onbesproken. Ze leren u dus niet wat wetenschap is, maar kleden haar uit. Zolang men er zo naar kijkt, kan er geen voorlichting ontstaan die is toegesneden op internet, hoogopgeleiden en informatieverzuiling.

Dit is heel anders in bladen als de New Scientist. Die staan veel vrijer ten opzichte van het academische stramien en kunnen daardoor het publiek veel beter bedienen. Tegelijk bevatten zij regelmatig de verdieping die in de oudheidkunde achterwege blijft en sluit de geboden informatie naadloos aan op wat rondgaat op het internet. De redacties van deze bladen beschouwen hun werk dan ook niet als “wetenschap light”, maar als een eigen vak, waarbij niet centraal staat “lijkt het op wetenschap?” maar “dragen we de informatie over aan het publiek?”

Generalistenwerk

Het “wetenschap light”-karakter van de oudheidkundige voorlichting toont zich ook in het specialisme. Als er één ding opvalt aan tien jaar Livius Nieuwsbrief, dan is het dat vrijwel alle artikelen waarnaar ik link, gaan over contextloze details als de opgraving in de tempel van Demeter in Sindos of de ontdekking van een papyrusfragment met een onbekende toespraak van Isokrates. De disciplines – de op zich verstandige zelfbeperkingen die geesteswetenschappers zichzelf opleggen – zijn verabsoluteerd. Ik had echter graag eens willen aankondigen dat er een website was gekomen over het Romeinse Rijk, over het dagelijks leven in Athene, over de Latijnse taalkunde of over de Egyptische godsdienst. Ik heb zulke informatie, althans met enige kwaliteit, zelden gezien.

Wat nodig is, heet met een lelijke jargonterm “objectadequaatheid”: het onderwerp moet in zijn totaliteit worden behandeld. Het voorbeeld dat bij colleges geschiedtheorie vaak wordt gebruikt is een beschrijving van de Tweede Wereldoorlog die volledig bestaat uit correcte beweringen maar waarin de Holocaust ontbreekt: compleet juist als ze is, is zo’n beschrijving toch inadequaat. Op dezelfde wijze is een boek of een website over pakweg de Rijnlimes incompleet als alleen archeologen ernaar kijken. Goede wetenschapsvoorlichting is generalistenwerk, maar zover zijn we nog niet.

Het kernprobleem, zoals ik het zie, is dat de voorlichting momenteel uitgaat van het aanbod – academici leggen uit wat hun specialisme is – maar niet luistert naar de vraag. Ik zou een hoop minder dubbel werk hebben als de voorlichting minimaal ten dele was gericht op kwesties die evident spelen. Het feit dat er geen informatie is over bijvoorbeeld “zwart” Egypte of het ontstaan van het christendom, betekent dat ruimte ontstaat voor afrocentristisme en Jezusmythicisme. In beide gevallen moet worden erkend dat de data beperkt en multi-interpretabel zijn – we mogen hardop twijfelen – en moet gefocust op de wetenschappelijke methode, die excess empirical content heeft. Door dit achterwege te laten, verliezen we draagvlak.

Envoi

Ik heb er al op gewezen dat het internet een enorme hoeveelheid informatie biedt. Iedereen moet noodgedwongen selecteren en het is inmiddels een journalistieke gemeenplaats dat er vooral behoefte is aan mensen die zo’n selectie verantwoord kunnen aanbrengen. De voorlichter zou dan een soort online-gids moeten zijn die het kaf van het koren scheidt.

Ik weet niet of het, nu de opleidingen al dertig jaar te kort zijn, nog mogelijk is dat oudheidkundigen generalistisch genoeg zijn om dit voorlichtersspecialisme te beoefenen, maar ik zal mijn best blijven doen in het nieuwe decennium van de Livius Nieuwsbrief.

3 gedachtes over “10 jaar Livius Nieuwsbrief (3)

  1. mnb0

    “Op dezelfde wijze is een boek of een website over pakweg de Rijnlimes incompleet als alleen archeologen ernaar kijken.”
    Deze vergelijking is niet ver genoeg doorgevoerd. Als ik je goed heb begrepen is er een flinke overlap qua onderzoeksonderwerpen van het archeologisch, classicistisch en oudheidkundig onderzoek. Dus ja, een boek of een website over pakweg de Rijnlimes is inadequaat als alleen archeologen ernaar kijken. De wetenschappelijke methode vereist bovendien dat men controleert of andere takken van wetenschap – in de eerste plaats dus classici en oudheidkundigen – niet iets tegenstrijdigs beweren over de Rijnlimes.
    Een beroemd voorbeeld is de discussie die Lord Kelvin dik honderd jaar geleden had met evolutiebiologen en geologen. Kelvin berekende dat de leeftijd van de Aarde 20 tot 100 miljoen jaar was – veel te kort voor Evolutietheorie. Kelvin zat er naast.

    https://gilkalai.wordpress.com/2013/05/12/answer-lord-kelvin-the-age-of-the-earth-and-the-age-of-the-sun/

    Archeologen, classici en oudheidkundigen doen hun vakgebied ernstig tekort als ze op hun eilandjes blijven zitten.

Reacties zijn gesloten.