Augustinus (2)

Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.
Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.

[Dit is het tweede deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus werd geboren in Thagaste, het huidige Souk Ahras in noordoost Algerije, en had het geluk dat een rijk man wel iets zag in de intelligente jongeman – want intelligent moet je zijn om de Categorieën van Aristoteles door zelfstudie te begrijpen. Augustinus’ patroon zorgde ervoor dat hij een goede opleiding kreeg en de jonge man vestigde zich in Karthago als leraar in de welsprekendheid. Een belangrijke baan: in een halfgeletterde samenleving als het Romeinse Rijk, waarin alle besluitvorming mondeling plaatsvond, was het voor elke bestuurder van wezensbelang dat hij zich goed kon uitdrukken. Scholing in de welsprekendheid was daarom een voorwaarde voor iedereen die iets wilde bereiken. Die scholing hield overigens meer in dan alleen het componeren van een goede toespraak: het was een volledig cultureel programma dat iemand definieerde als beschaafde Griek of Romein.

In deze Karthaagse jaren behoorde Augustinus, zoals gezegd, bij een manichese sekte. De hoofdstukken die Lane Fox eraan wijdt, vond ik erg informatief, al troffen de beschreven rituelen me als zó bizar dat ik moeite had te geloven dat de reconstructie correct was. Een interessant probleem is hier dat we niet weten kunnen welke delen van de manichese teksten letterlijk zijn bedoeld en welke overdrachtelijk moeten worden gelezen. Waar een hedendaagse oudheidkundige een moderne christen kan vragen wat is bedoeld met het op het eerste gehoor kannibalistisch klinkende “dit is mijn lichaam”, is hij hulpeloos bij een manichese tekst.

De manichese sekte kon Augustinus niet blijvend boeien en hij was in feite afvallig toen hij in 384 naar Italië verhuisde, waar hij in de keizerlijke residentie Milaan een positie verwierf als officiële feestredenaar. Hij schurkte nu tegen de Romeinse elite aan en kon zich zelfs in een voorname familie gaan introuwen. De verlovingsringen waren uitgewisseld.

Het is een van de aardige punten in Lane Fox’ boek dat hij Augustinus consequent vergelijkt met twee van zijn tijdgenoten, Synesios van Kyrene en Libanios van Antiochië: twee mannen met dezelfde literaire belangstelling en met vergelijkbare posities in het openbare leven. Een cruciaal verschil is dat zij in staat waren hun rol te spelen, ook als dat onoprechtheid vergde, terwijl Augustinus er moeite mee had dat hij in zijn lofredes een venditor verborum was, een woordenkramer. (De zeven uit de vierde eeuw bekende lofredes op de keizer bieden een beeld van wat van Augustinus werd verwacht en dat is weinig inspirerend.)

Ondanks een succesvolle carrière en het vooruitzicht op nog beter was Augustinus niet gelukkig. Hij merkt ergens op dat hij verkeerde in zo’n situatie “die medici aanduiden als een crisis” en je krijgt inderdaad het idee dat hij te intelligent was om gelukkig te zijn. Het was de Milanese bisschop Ambrosius, een van de meest formidabele personen uit de Late Oudheid, die hem er uiteindelijk van overtuigde dat het christendom de grote vragen des levens beter kon beantwoorden dan het manicheïsme. Lane Fox is op zijn best als hij aangeeft hoe Augustinus’ levensvragen voortkwamen uit zijn manichese achtergrond. Je kunt zijn overgang naar het christendom typeren als een bekering maar ook zien als een logische volgende stap.

Ambrosius zelf verzorgde de catechese van de bekeerlingen en behandelde daarbij, althans volgens Lane Fox, de zes dagen van de schepping. Dit punt blijkt verderop in Augustine belangrijk te zijn. Zoals alle biografen besteedt ook Lane Fox veel aandacht aan het moment – een gesprek in een tuin – waarop Augustinus besloot dat zijn christendom aseksueel zou zijn. Dit was een opmerkelijk besluit, want celibaat was in de Oudheid ongebruikelijk en zelfs manicheeërs (die meenden dat de voortplanting een slechte zaak was omdat zielen zo opgesloten raakten in de materie) wezen seks niet zo strikt af. Ook het christendom had nog een klein millennium weinig te melden over seksualiteit. Augustinus’ keuze heeft hem in de jaren zeventig de reputatie gegeven een seksuele frustraat te zijn geweest die zijn moedercomplex aan het latere christendom zou hebben doorgegeven, maar die interpretatie staat haaks op wat we weten van zowel Augustinus als de seksuele moraal in de Vroege en Volle Middeleeuwen.

Augustinus’ keuze voor het celibaat betekende het einde van zijn verloving en daarmee van zijn carrière. Een man uit de provincie kon zich niet permitteren een machtige aristocratische familie te bruuskeren en toen hij ook nog problemen kreeg met zijn stem, was dat tevens het einde van zijn redenaarschap. Hij keerde terug naar Afrika, naar Thagaste, waar hij een soort klooster stichtte. De leefwijze lijkt hem te zijn bevallen en toen hij later naar de havenstad Hippo (Annaba) verhuisde, stichtte hij een tweede klooster.

Of eigenlijk: zijn derde, want in Italië had hij al eens een maand met een groep vrienden een huis gedeeld. Lane Fox wijst er niet expliciet op, maar het viel me op wat een enorm charisma Augustinus moet hebben gehad. Dat lijkt me althans de enige verklaring waarom zo vaak zo veel mensen met hem een woongemeenschap wilden vormen. Je krijgt ook het idee dat hij het volkomen normaal vond dat mensen hem volgden: eerst naar het manicheïsme, toen naar het christendom. De Augustijnse regel, geschreven in hetzelfde jaar als de Confessiones, documenteert hoe Augustinus het kloosterleven zag.

[Wordt vervolgd]

9 gedachtes over “Augustinus (2)

    1. Het is vrij toevallig dat ik dit publiceer op Augustinus’ sterfdag. Ik had het boek vorige week uit en wilde mijn stuk volgende week online plaatsen, nadat die reeks over de Birmaspoorlijn was afgerond. Maar toen ik de sterfdag/feestdag toevallig zag op de kalender, leek het me passend de planning iets aan te passen.

  1. Was het zo vreemd dat Augustinus voor een celibaat koos? Manicheïsme is van dezelfde richting als de Katharen later en dus moet er binnen hun groep zeker discussie geweest zijn over een vorm van celibaat. Natuurlijk gingen de ‘perfecti’ van de Katharen nog een stap verder maar binnen dit spectrum van ideeën vind ik de keuze van Augustinus niet zo vreemd. De man was een fanaticus en dus niet zo slecht op z’n plek bij de Manicheeërs.

    Maar wat ik wel hoopte te horen was de reden van zijn overstap. Manicheeërs lagen niet zo goed in de samenleving, Christenen wel – een logische keuze als je hogerop wil? Augustinus lijkt me echt zo’n carrièrejager.

  2. M. Brand

    Welke rituelen leken je zo bizar? Gaat het om de rituele maaltijd met pompoen/komkommer? Of de (polemische?) variant waarin andere zaadjes gegeten zouden worden?

    1. Inderdaad, het laatste. Lane Fox realiseert zich dat het verhaal lasterlijk kan zijn maar baseert tegen het einde van zijn boek, als hij ingaat op de correspondentie van Paulinus van Nola, een hele theorie op die aanname. Hypothese op hypothese stapelen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s