Pontius Pilatus (6) Besluit

Kopie van de inscriptie van Pontius Pilatus uit Caesarea.

[Dit is het laatste van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]

Prefect

Ik heb in de vorige vijf blogjes verteld dat de evangelisten, Filon van Alexandrië en Flavius Josephus de voornaamste bronnen zijn voor de loopbaan van Pontius Pilatus. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de man ook een keer, en typeert hem als procurator. Hij was feitelijk prefect. Dat weten we uit bovenstaande inscriptie, gevonden in 1961 in Caesarea Maritima, de residentie van de gouverneur van Judea. Ik heb er al eens over geblogd.

De ene helft van de steen is beschadigd, maar we kunnen de andere helft lezen:

. . . . S TIBERIEUM
. . [Po]NTIUS PILATUS
[praefe]CTUS IUDA[ea]E
[ref]ECI[it]

Dit betekent dat Pontius Pilatus, de prefect van Judea, iets heeft hersteld dat Tiberieum heette. Wat dat zou moeten zijn geweest, is vooralsnog onbekend, maar het is aannemelijk dat het een tempel was ter ere van keizer Tiberius.

Lees verder “Pontius Pilatus (6) Besluit”

Manicheeërs in China

Schijf met manichese motieven (Wereldmuseum, Leiden)

Het manicheïsme is een verdwenen godsdienst uit de Late Oudheid. De stichter was de Mesopotamische profeet Mani (216-274 na Chr.), die onderwees dat het universum was verdeeld in twee strijdige kampen, de kwade materiële wereld (“de Duisternis”)  en de goede wereld van de geest (“het Licht”). Dit dualisme deelde het manicheïsme met het Perzische zoroastrisme. Daarnaast accepteerde het elementen uit het neoplatonisme, het rabbijnse jodendom, de gnosis, de hellenistische godsdiensten van Mesopotamië en het vroege christendom. Mani beschouwde zich als de Pleitbezorger (Parakleet) die in het Johannes-evangelie wordt aangekondigd.noot Johannes 14.16. Mani kende ook de Indische godsdiensten en er zijn in de manichese geschriften ook boeddhistische elementen aan te wijzen.

Van Mani naar China

Het manicheïsme ontstond in het nog jonge Sassanidische Rijk, geregeerd door een dynastie die als voorvader een belangrijke priester van Anahita had. De eerste koningen waren geen scherpslijpers en kunnen Mani’s opvattingen, die een synthese vormden van alle binnen het rijk bestaande ideeën, hebben beschouwd als nuttig om eenheid te scheppen.

Lees verder “Manicheeërs in China”

Augustinus over astrologie

Deel van een diptiek van twee astrologische tabletten (Archeologisch museum, Grand)

Van weinig antieke auteurs – misschien wel geen enkele – is het oeuvre zo goed bewaard als dat van de kerkvader Augustinus. Gek genoeg is hij moeilijk te peilen: nu eens denk je dat het een strenge man is geweest die hoge eisen stelde aan de mensheid, dan weer proef je oprechte vriendschap en vergevingsgezindheid. Maar misschien is die tegenstelling wel gewoon menselijk. In elk geval is hij heel intellectueel: hij stelt goede vragen en neemt geen genoegen met gemakkelijke antwoorden. Ook niet met moeilijke antwoorden trouwens. Hij lijkt zijn leven lang zoekend te zijn geweest.

Vandaag citeer ik eens een stukje uit De stad van God, zijn belangrijkste werk. En omdat het een echt klassieke tekst is, heeft menigeen ervan gehoord en heeft niemand het gelezen. Gelukkig is er een tijdje geleden een toegankelijke Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Chris Dijkhuis. Het sterke ervan is dat deze veel toelichting bevat. Ik ben al een tijdje bezig met het lezen, en dat het niet opschiet, komt doordat er steeds andere boeken tussendoor komen.

Lees verder “Augustinus over astrologie”

De snelle arabisering van de Maghreb

Maghrebijnse munt, vroege achtste eeuw (Raqqada, Kairouan)

[Laatste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Er is een wonderlijk verschil tussen landen als Syrië en Egypte enerzijds en de Maghreb anderzijds: in de oostelijke landen bleef, toen de Arabieren kwamen, de laat-Romeinse bevolking nog lange tijd herkenbaar, terwijl ze in de Maghreb snel verdween. Anders geformuleerd: in de Levant (en ook op het Iberische Schiereiland, trouwens) waren nog eeuwenlang niet-Arabisch sprekende, joodse of christelijke groepen aanwezig, maar in de Maghreb was dat fors minder. Waarom?

Steden en nomaden

Het kan samenhangen met de inbedding van de steden in het grotere economische systeem. In het oosten waren de steden oeroud en was de hele sociaal-economische wereld gebaseerd op steden. In Tunesië, Algerije en Marokko waren de Fenicische en Numidische steden weliswaar ontstaan vóór de Romeinen, maar pas groot gemaakt toen de Romeinen begonnen met de systematische kolonisatie van de Hautes Plaines. Ze waren veel minder dominant en met de demografische neergang van de Late Oudheid verschoof het economisch zwaartepunt naar de nomadische Berbers.

Lees verder “De snelle arabisering van de Maghreb”

Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Lees verder “Circumcelliones”

Stil lezen in de Oudheid (2)

Augustinus, lezend (Lateraan, Rome)

[tweede deel van een gastbijdrage van Gert Knepper over het antieke in stilte lezen; het eerste deel was hier.]

Maar hoe verklaart Aleksandr Gavrilov dan die fameuze passage bij Augustinus, sinds Eduard Norden het pièce de résistance van iedere voorstander van de opvatting dat in de Oudheid stil lezen héél zeldzaam was? Gavrilov wijst erop, dat Augustinus nergens met zoveel woorden beweert dat het stil lezen van Ambrosius an sich iets heel ongebruikelijks was. Augustinus tracht vervolgens dan ook niet zozeer Ambrosius leeswijze te verklaren als wel te rechtvaardigen, want waarom haalt die het in z’n hoofd een boek te lezen zonder dat zijn aanwezige volgelingen dat konden horen? Het gaat Augustinus niet om het vermelden van een uniek fenomeen, maar van een onbegrijpelijke manier van doen: Ambrosius hield wat hij las voor zichzelf, in plaats van het te delen met zijn leerlingen.

Gewoon in stilte lezen

Verderop in de Confessionesnoot Belijdenissen 6.3.3. beschrijft Augustinus hoe hij zelf aan het lezen is in silentio, in stilte. Ook daar gaat het hem er niet om zichzelf neer te zetten als iemand met een zeldzame vaardigheid (hij gaat daar verder helemaal niet op in) maar om duidelijk te maken dat zijn eveneens aanwezige vriend Alypius niet hoorde wat Augustinus las.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (2)”

Stil lezen in de Oudheid (1)

Voorbeeld van een lastig te lezen tekst (Neues Museum, Berlijn)

Het was vooral de Duitse classicus Eduard Norden (1868-1941) die in zijn boek Die antike Kunstprosa (1898) de beroemde passage onder de aandacht bracht, waarin Augustinus bisschop Ambrosius in gezelschap stil zag lezen:

Als hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en zijn hart zocht de betekenis, maar zijn stem en zijn tong rustten. Vaak als we er bij waren – want iedereen kon zo maar binnenlopen en het was ook niet de gewoonte je eerst aan te melden – zagen wij hem zo in stilte zitten. En nadat wij dan ook in langdurig stilzwijgen gezeten hadden (wie zou het gewaagd hebben hem in zijn concentratie te storen?) vertrokken we weer.

We vermoedden dat hij in die korte ogenblikken die hij had om zijn geest op te frissen, vrij van de drukte van andermans zaken, zich niet met iets anders wilde bezighouden; en misschien wilde hij ook voorkomen, dat, als iemand vol gespannen aandacht toeluisterde, hij genoodzaakt zou zijn, onduidelijke gedeelten uit de tekst die hij hardop las, uit te gaan leggen. Of dat hij een uiteenzetting moest gaan geven van een of ander probleem waardoor hij minder boeken kon lezen dan hij wilde. Misschien wilde hij trouwens ook wel zijn stem sparen: hij werd nogal gauw hees.noot Belijdenissen 8.12.29.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (1)”

Lezen in de Oudheid

Een jongen probeert te lezen; in zijn hand heeft hij een aanwijsstokje (Bank van Cyprus)

Bij de boeken die ik momenteel aan het lezen ben, behoort ook De gereedschapskist van de Bijbelschrijvers van Klaas Smelik. Een prima boek, maar u hoeft niet naar de boekhandel te rennen om het te gaan kopen, want het verschijnt rond 17 juni; de auteur was zo vriendelijk me een PDF te sturen. Smelik is overigens ook de auteur van een boek over de Protocollen van de Wijzen van Zion, waarover ik al eerder blogde.

Hardop lezen

In De gereedschapskist legt Smelik de verhaaltechnieken uit van de auteurs van de Hebreeuwse Bijbel, met parallellen uit latere literatuur en dus ook het Nieuwe Testament. Zorgvuldige lezer die hij is, attendeert hij op een detail uit de Handelingen van de apostelen waar ik altijd overheen heb gelezen.

Lees verder “Lezen in de Oudheid”

Het manicheïsme

Illustratie uit een manichees handschrift (Humboldtforum, Berlijn)

Vrijwel zeker kent u de Dode-Zee-rollen: een kleine duizend teksten die documenteren hoe veelkleurig het jodendom was. Iets minder bekend zijn de teksten uit Nag Hammadi, die varianten op het christendom documenteerden die vóór de ontdekking van deze boeken alleen bekend waren uit de polemische geschriften van orthodoxe auteurs. Nog iets minder bekend: bij de verkoolde boekrollen uit Herculaneum waren filosofische traktaten die licht wierpen op het epicurisme. En helemaal onbekend zijn de laatantieke, manichese teksten die zijn gevonden op verschillende plaatsen in Centraal-Azië. Daarover straks meer. Eerst iets over het manicheïsme zelf.

Ideeën

De manicheeërs geloofden dat de kosmos bestond uit twee conflicterende principes: het Rijk van het Licht staat tegenover dat van de Duisternis. Goed versus kwaad dus. Nu zegt dat op zich niet zo veel. De crux is het mensbeeld. De manicheeërs meenden dat mensen bestonden uit een lichtvonk, de ziel of geest, die gevangen was geraakt in de materie, de duisternis. Een gelovige probeerde de gevangen lichtvonk te bevrijden, wat betekende dat de geest krachtiger moest zijn dan het lichaam.

Lees verder “Het manicheïsme”

Adeodatus

Grafmozaïek van een jonge christelijke man (Bardomuseum, Tunis)

Voordat Augustinus, de laatantieke bisschop van de havenstad Hippo in het huidige Algerije, koos voor het celibaat, had hij een relatie met een anoniem gebleven vrouw. Ze zijn nooit getrouwd. Wel hadden ze een zoon, Adeodatus, die maar vijftien of zestien jaar oud is geworden.

Dat hij een buitenechtelijke relatie heeft gehad, is Augustinus weleens verweten. U kunt zich bij de toon van de verwijten misschien iets voorstellen: de heilige kerkvader die anderen een strenge seksuele moraal adviseert maar zelf een kind verwekt bij een concubine. Een concubine waarvan hij de naam niet eens noemt. Wat een verknipt figuur! Ik herinner me uit mijn studietijd – we hebben het over 1985 – een proefschrift waarin de kerkvader een onverwerkt moedercomplex in de schoenen geschoven kreeg. Een psychiatrisch geval.

Lees verder “Adeodatus”