Klassieke literatuur (6a): filosofie

Parmenides (Antiquarium, Velia)

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke filosofie.]

Wie de kern van de klassieken wil begrijpen, moet naar de periferie. Dat is geen grap. In Athene of Rome was de klassieke cultuur, met al haar inconsistenties en contradicties, vanzelfsprekend, maar dat was niet zo voor bijvoorbeeld een Griek in het verre Baktrië. Zijn Griekse identiteit stond voortdurend ter discussie, deels doordat hij behoorde tot een minderheid, deels doordat hij vér was van de grote centra van zijn cultuur, deels doordat niet werd voldaan aan de voorwaarden om de Griekse cultuur te laten bloeien. Zonder zee is het lastig te leven als echte Griek.

Onder zulke omstandigheden moet je keuzes maken en die verraden wat je beschouwt als de kern van je cultuur. (De kolonisten die op Mars gaan wonen, zullen ook zulke keuzes moeten maken.) De Baktrische Grieken wilden per se de wijsbegeerte bewaren, die ze herkenden in het boeddhisme en waarvan ze het belang onderstreepten met decoraties in Griekse stijl.

Filosofie was dus extreem belangrijk en de ethische systemen van het hellenisme zijn onverkort de moeite waard. Mensen die voor het eerst kennismaken met bijvoorbeeld Seneca, merken vaak op hoe waar het is wat hij heeft te melden over het menselijk bestaan.

Maar we moeten bij het begin beginnen. De Griekse filosofie is ontstaan in de steden van Klein-Azië, waar mensen de vraag stelden wat de algemene principes waren achter de eeuwig variërende werkelijkheid. Thales van Milete zei dat alles uiteindelijk tot water viel te herleiden en hoewel er meer dan eens op is gewezen dat dit een Babylonisch idee was, gaf hij er wel een heel eigen draai aan.

Anderen zochten andere oer-elementen, terwijl er ook denkers waren als Parmenides, die juist zei dat onze indruk dat alles voortdurend veranderde gewoon verkeerd was. Het zijnde is; het niet-zijnde is niet; en dus moet het zijnde permanent in rust verkeren en onbeweeglijk zijn – als iets groeide zou dat immers betekenen dat uit het niet-zijnde iets zijnds zou ontstaan.  Zo waren er wel meer veranderingen die niet konden plaatsvinden.

Eén oplossing om te verklaren dat alles én voortdurend lijkt te veranderen én het zijnde niet groter of kleiner kan worden, is de atoomtheorie van Demokritos. In feite betoogt hij dat de totale massa van het universum gelijk blijft, ook al verandert de samenstelling. Het lijkt mij dat dit denkbeeld verder staat van de huidige atoomtheorie, waar iedereen het steeds mee verbindt, dan van de Wet van Lavoisier.

Deze filosofen, de zogenaamde “presocratici”, zijn grotendeels verloren gegaan en moeten worden gereconstrueerd uit citaten in het oeuvre van latere auteurs. Die hebben er een handje van hun voorgangers voor hun karretje te spannen, dus het is maar weinig overdreven te zeggen dat de presocratici slecht begrepen zijn. Dat geldt in geringere mate ook voor Sokrates, die we vooral kennen als de voornaamste persoon in de geschriften van Plato, waarin hij de spreekbuis is van de auteur. Ik heb persoonlijk helemaal niks met deze teksten, de “dialogen”, al zijn Plato’s vragen over het algemeen goed. Wat is vriendschap, wat is moed, wat is het goede?

Helaas meende Plato dat hij zijn vragen kon beantwoorden. Daartoe ontwikkelde hij de ideeënleer, waarin de voor ons waarneembare werkelijkheid geldt als een afspiegeling van een hogere werkelijkheid. Net als de atoomtheorie was dit een manier om de eeuwige verandering te combineren met de onveranderlijkheid van het zijnde. Omdat Plato’s vragen beter zijn dan zijn antwoorden, zou ik u adviseren uw lectuur te beginnen bij de selectie die Gerard Koolschijn heeft gemaakt, Plato. Schrijver. Na die kennismaking kunt u altijd nog zien of het iets voor u is.

[U miste misschien Pythagoras, maar daar weten we eigenlijk heel weinig van. Dat hij een bewijs zou hebben gevonden voor de naar hem vernoemde stelling, is pas negen eeuwen na zijn dood door iemand opgeschreven. Meer hier. Het volgende stukje wordt interessanter.]

10 gedachtes over “Klassieke literatuur (6a): filosofie

  1. Erik Hofmans

    ‘Mensen die voor het eerst kennismaken met bijvoorbeeld Seneca, merken vaak op hoe waar het is wat hij heeft te melden over het menselijk bestaan.’
    Dat is niet bepaald mijn ervaring met deze salonfilosoof, dus ik zou wel geïnteresseerd zijn in een nadere onderbouwing van deze stelling.

      1. Erik Hofmans

        Nou nee. In de eerste plaats herkauwde Seneca (net als Cicero overigens) eindeloos ideeën die al veel eerder door Griekse filosofen waren ontwikkeld. In de tweede plaats negeerde hij daarbij (al dan niet impliciet) de – toegegeven, minder verheven – problemen van het grootste deel van de Romeinse bevolking. In de derde plaats leefde Seneca allerminst naar zijn leer: dankzij zijn collaboratie met Nero stierf hij als een van de rijkste mannen van Rome. En ten slotte maakt hij van zijn gedwongen zelfmoord een genante vertoning. Overigens betwijfel ik of de ideeën van Stoa, zoals verwoord door Seneca, inmiddels gemeengoed zijn geworden.

  2. Het vervelende* van het lezen van stukken alhier is dat je meestal na drie regels al aan het zoeken slaat. Nu schreeuwden Demokritos’ bevindingen en de atoomtheorie opmerking om verder graven en diep cerebraal gekraak. Zijn Newton en Lavoisier nog goed te volgen, dat nieuwerwetse Einstein en quantum gedoe blijft lastig. Ref: https://physics.stackexchange.com/questions/2838/total-energy-of-the-universe

    * Nee hoor, het is heerlijk meervoudig leerzaam.

    1. mnb0

      Speciale relativiteit valt wel mee Tijddilatatie (tweelingparadox), lengtecontractie (hoe krijgen we een staaf door een raam zonder hem te draaien als de staaf langer is dan de diagonaal van dat raam – nou, heel hard gooien) en natuurlijk de lichtsnelheid in vacuum als ultieme snelheidslimiet vormen de kern.
      Wat quantummechanica betreft kan ik u geruststellen.

  3. Knotwilg

    Het zal wellicht niet het doel zijn van je blog om diepgaand over wiskunde te schrijven maar de “stelling van Thales”, die meer algemeen bekend staat als het “intercept theorem”, wordt meestal bewezen aan de hand van oppervlakten. Hoe dan ook heeft men de notie nodig dat de reële getallen de “sluiting” vormen van de rationale getallen, een notie die pas later in het curriculum bewezen wordt.

    Hetzelfde geldt voor de stelling van Pythagoras, die heel elegant kan bewezen worden aan de hand van oppervlakten, maar het bewijs dat de oppervlakte van een vierkant inderdaad zijde maal zijde is, blijft achterwege. De meeste mensen hebben zo’n rigoureuze benadering niet nodig (men kan immers gewoon aannemen dat dit zo is en het strookt met de intuïtie) maar een wiskundige wil liefst zo weinig mogelijk aannemen: op de duur gaat het bewijs immers hard lijken op “je ziet dat toch”.

    Pas met de Fransman Lebesgue kwam er een overtuigende aanpak om maten zoals oppervlakten in het algemeen te berekenen. Dat onze intuïtie ons gauw in de steek laat bij complexere figuren in meer dimensies, blijkt onder meer uit de Banach-Tarski-paradox.

    Spijkers op laag water, wellicht, en de Oude Grieken hadden hun handen al vol met de meer elementaire wiskunde, waarvoor we hen (en de Babyloniërs) erg dankbaar mogen zijn.

    1. mnb0

      “Spijkers op laag water, wellicht”
      Niet echt. Er zijn ook tegenwoordig nog veel te veel filosofen die tevreden zijn met “men kan immers gewoon aannemen dat dit zo is en het strookt met de intuitie”. Het is een grote verdienste dat dat stel slimme Grieken niet zo snel tevreden was.

  4. mnb0

    “In feite betoogt hij dat de totale massa van het universum gelijk blijft, ook al verandert de samenstelling. Het lijkt mij dat dit denkbeeld verder staat van de huidige atoomtheorie …,”
    Nee hoor. Democritus kon onmogelijk beseffen dat massa en energie elkaars equivalent zijn. Moderne natuurkundigen nemen nog steeds aan dat de totale massa/energie van het universum gelijk blijft – wellicht zelfs nul.
    Wat enorm is veranderd – beter: uitgebreid – is ons begrip van wat een atoom – in het algemeen een elementair deeltje – nou eigenlijk is. Maar dat begrip is nog niet eens honderd jaar oud.
    Je vergist je door een tegenstelling te suggereren tussen de Wet van Lavoisier en de moderne atoomtheorie (het standaardmodel van de deeltjesfysica). De eerste volgt uit de tweede en is er dus onderdeel van.
    Misschien herinner je je uit de natuurkundeles de wet dat twee voorwerpen niet gelijktijdig op dezelfde plaats kunnen zijn. Democritus gebruikte dit om een hypothese op te stellen tav het snijden van bv. een stuk fruit met een mes. Die hypothese is vandaag de dag nog net zo correct als destijds.

  5. mnb0

    “Thales van Milete zei dat alles uiteindelijk tot water viel te herleiden en hoewel er meer dan eens op is gewezen dat dit een Babylonisch idee was, gaf hij er wel een heel eigen draai aan.”
    En ja hoor. Voorzienigheid, toeval of wat dan ook deed mij een andere video vinden van Richard Feynman die hier enigszins mee te maken heeft.

    “In (modern – MNb) physics we need the Babylonian method and not the Euclidean/Greek method.”
    Vanaf 4:30.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s