Een meelijwekkend volk

Ook de moord op Bonifatius is opgenomen in “Een meelijwekkend volk”

Niemand is onbeschaafder dan de zogeheten bibliofiel, die niet strijdt om de inhoud van een boek te veroveren en nalaat zijn informatie te voorzien van onderstrepingen, aantekeningen en ezelsoren. Onze cultuur, die zoveel voordeel heeft gehad van de rusteloze speurtocht naar zo accuraat mogelijke inzichten, gaat ten onder aan schoonheid.

Dit spreekt allemaal vanzelf maar ik beken dat ik onlangs dreigde te wankelen in mijn dorst naar kennis. Ontwerper Peter Boersma heeft van Een meelijwekkend volk. Vreemden over Friezen van de oudheid tot de kerstening namelijk een zó mooi boek gemaakt dat ik aarzelde of ik er wel in moest schrijven. Gelukkig waren de teksten van André Looijenga, Anne Popkema en Bouke Slofstra interessant genoeg om cultuur voor te laten gaan. Ik ben er eens goed voor gaan zitten, pen in de hand, om alles aan te strepen wat nuttig kon zijn.

Een meelijwekkend volk gaat over de Friezen, een term waarmee in de Oudheid en Vroege Middeleeuwen de bewoners van het kustgebied werden aangeduid, ruwweg vanaf de Rijnmonding via Noord-Holland en Friesland tot en met Groningen en het Duitse Ostfriesland. En eigenlijk nog een stuk op de istmus van Denemarken ook. De Romeinse en Frankische auteurs hebben destijds vrij veel over die kustbewoners geschreven en Een meelijwekkend volk biedt daarvan zowel Nederlandse als Friese vertalingen; het commentaar is in de eerstgenoemde taal.

Het leest als een trein, de toelichtingen zijn verhelderend en er zijn mooie illustraties. Ook het kaartmateriaal is pico bello. Dat laatste is minder vanzelfsprekend dan het lijkt: je zou een leuk weekendje in Leeuwarden op vakantie kunnen gaan als je een euro had gekregen voor elk boek waarin de uitgever gemakzuchtig een rechtenvrij kaartje uit een eerdere publicatie plaatste en jou als lezer opzadelde met informatie die niet aansloot bij je lectuur.

De samenstellers van Een meelijwekkend volk nemen de behandelde periode ruim, vanaf de eerste teksten tot na Karel de Grote. De voorlaatste tekst is van een tiende-eeuwse Arabischtalige auteur uit Spanje, Ibrahim ibn Ya’cub, en de laatste is de Utrechtse Doopbelofte, met de oudste sporen van de volkstaal uit de Lage Landen. Pliniusberoemde beschrijving van de bewoners van de terpen en het verhaal van de moord op Bonifatius ontbreken niet, en daarnaast zijn er talloze andere, minder bekende passages.

De samenstellers behandelen ook een redelijk grote regio en nemen bijvoorbeeld een beschrijving mee van het Corbulokanaal, hoewel dat toch echt lag tussen de Rijn en de Maas en tegenwoordig behoort tot het erfgoed van Zuid-Holland. Door deze brede aanpak is Een meelijwekkend volk ook een fijn leesboek over de vroegste geschiedenis van Nederland als geheel, al blijft het accent duidelijk liggen bij de Friezen.

Aanvankelijk door de Romeinen beschreven als onverbeterlijke wildemannen, nauwelijks te onderscheiden van de voorwereldlijke monsters waarvan het zou krioelen in de Waddenzee, komen de Friezen er in jongere teksten beter vanaf. Dat komt vooral door veranderende literaire modes: de Romeinen hadden een ander wereldbeeld dan de Franken. Het eerste beeld kon echter makkelijk worden opgegeven doordat er in de doorgave van die culturele noties een breuk zat in de Late Oudheid, toen het kustgebied onbewoond raakte.

De mensen die daar in de eerste eeuwen van onze jaartelling woonden, verlieten hun terpen en wierden ergens in de derde, vierde eeuw. Na verloop van tijd werd de regio opnieuw bevolkt, maar de nieuwe bewoners deelden hun materiële cultuur en taal met die van de Saksen in het Duitse kustgebied. In de Frankische bronnen van die tijd worden deze mensen vernoemd naar het land dat ze bewonen, Frisia, en kregen ze dus de naam van de eerdere bewoners, hoewel ze daarmee eigenlijk niet zoveel te maken hadden. Die spraken bijvoorbeeld een taal die leek op Keltisch, en geen Germaanse taal, zoals het latere Fries. Momenteel maken wetenschappers daarom onderscheid tussen de oude en de nieuwe Friezen.

Kortom, een mooi en boeiend boek, dat ik u echt kan aanraden. Maar ik wil de gelegenheid gebruiken om iets algemeners te zeggen. Het boek en de inzet van de samenstellers en de uitgeverij zijn illustratief voor een bepaalde culturele attitude die ik in Friesland vaker denk te zien. (Ik kom daar de laatste tijd nogal eens in het provinciaal archief Tresoar.) De moderne Friezen hebben een prettig en rustig soort trots. Ze overschreeuwen zichzelf niet en je zult ze er niet horen over de branding van een hijgerig merk Friesland. Ze tonen gewoon hun cultuurgoed en zorgen dat mensen daar toegang toe krijgen. Een doordachte en doorleefde cultuurzorg, precies zoals het moet.

***

Ik rond nog even af met een van de Friese vertalingen van een antieke tekst: een fragment uit een Romeins gedicht van Albinovanus Pedo, een officier die zijn avonturen tijdens een vlootexpeditie op de Waddenzee in exuberante termen beschreef.

De floatekspedysje fan Germanicus

Jit lang hienen se efter har it ljocht fan dei en sinne litten,
jit lang seagen hja – út it beskreaune wrâlddiel ferballe,
mei’t se it oandoarden en gean troch it ferbeane tsjuster –
natoer har swetten en de fierste kust fan de ierde.
Hjirwei seagen se hoe’t Oseaan ûnder syn sleauwe weagen
mânske meunsters draacht en woaste walfisken rûnom
en hûnen fan ’e see, opswolde en de skippen grypte
– kreakjen en brekken steapele op eangst! – en jitte fersille
yn ’t slyk ús kriichsfloat, dy’t flugge stoarm fernield hie.
Fêstsûge op ’t waad leauden se dat har lot ûngelokkich
harren opfrette liet fan de see syn wylde meunsters.
Sa stie der ien te wrakseljen op in hege efterstjûne
om mei stûf stoareagjen troch de bline loft te boarjen
– as wie har de wrâld ûntrôve, neat foel te ûnderskieden –
en wylst it him de siken benaam, luchte er alsa syn herte:
“Wêr bedarje wy? De dei sels is op ’e rin, en wat oerbliuwt
is troch de natoer ôfsletten yn ’t ivichduorjend tsjuster.
Sykje wy soms folken oarekant in frjemde poalstjer
en in frjemde oare wrâld net fan oarloggen oantaast?
De goaden roppe ús werom, ferbiede dat minskene eagen
fan alle ding it uterste sjogge. Wat skeine wy mei riemen
oaremans see en it wijde wetter? Wat meitsje wy leven
op goaden har stille wenstee?”

48 gedachtes over “Een meelijwekkend volk

  1. “Na verloop van tijd werd de regio opnieuw bevolkt, maar de nieuwe bewoners [..] worden [..] vernoemd naar het land dat ze bewonen, [..] hoewel ze daarmee eigenlijk niet zoveel te maken hadden. ”

    Zijn we inmiddels zover? Ik had er al wel eens over gelezen, maar toen waren er ook tegenstemmen die geen breuk in de materiële cultuur of een onderbreking in de bewoning zagen. Het is ook zeker niet bekend bij het grote publiek.
    Vraag blijft waar die ‘oer-Friezen’ dan naartoe zijn? Gewoon naar Zeeland of Drenthe?

    1. Je ziet tegelijkertijd een bevolkingstoename in Drente en Overijssel. Maar ik heb dat niet scherp.

      Dat er geen continuïteit is, is overigens een oudje. De tegenstemmen zijn eigenlijk alleen dat een geheel leeg landschap moeilijk voorstelbaar is. Er zullen wel wat mensen zijn geweest, maar de culturele breuk is bij mijn weten een feit. Al kan ik iets over het hoofd hebben gezien.

      1. Rob Duijf

        Ter aanvulling: archeoloog Frans Diedederik deed onderzoek naar inheems aardewerk uit de late derde en vierde eeuw in de Kop van Noord-Holland, gepubliceerd in het boekje ‘Schervengericht’, 2002.
        Daaruit blijkt ondermeer dat naast het nieuwe Saksische aardewerk ook het kenmerkende Friese aardewerk bleef bestaan. Dat kan er op duiden, dat er leden van de oorspronkelijke Friese bevolking achterbleven.

        1. Gherardus Havingha

          Vandaar dan ook die “vreemde” (mix?)-taal die thans nog in die provincie gesproken wordt?

          1. Rob Duijf

            Het Westfries is dialectisch verwant aan het Zaans en het Waterlands (inclusief het Volendams). Ook worden er Ingvaeoonse (Kustgermaanse) taalinvloeden in onderkend, net als in het Fries overigens. De Noord-Hollandse dialecten hebben daarin echter een eigen ontwikkeling doorgemaakt.
            De West-Germaanse kusttalen worden langs de hele Noordzeekust aangetroffen en zijn ook gerelateerd aan de Zuid-Hollandse visserstalen, het Zeeuws, het Westvlaams en het Engels.

    2. Rob Duijf

      Dr. Jos Bazelmans schreef in 2000 het artikel ‘Het laat-romeinse bewoningshiaat in het Nederlandse kustgebied en het voortbestaan van de Friezennaam’, waarin de bevindingen van het wetenschappelijk archeologisch terpenonderzoek in Friesland werden gepubliceerd.

      Op basis van de onderzoeksresultaten van professor Anthonie Heidinga bij ondermeer de opgravingen van de terp in Wijnaldum in 1991-’92 kon worden gesteld dat het terpengebied in de Volksverhuizingstijd (de vierde en de vijfde eeuw) ‘ontvolkt’ raakte . Na ruim honderd jaar kwamen er nieuwe mensen wonen in Friesland. Deze middeleeuwse Friezen waren echter Angelen en Jutlanders.

      Er ging een schok door de wereld van Friese nationalisten die tot dan toe hadden aangenomen dat zij – de Vrije Friezen – afstammen van het volk dat al tweeeneenhalfduizend jaar de Friese terpen bewoonden, die vochten voor hun vrijheid en er nooit door vreemde overheersers onder waren gekregen. Dit romantische idee wordt wel ‘het dogma van het ongerept voortbestaan van de Friese stam’ genoemd…

    3. mnb0

      “Zijn we inmiddels zover?”
      Ontvolking is de voor de hand liggende verklaring voor het gebrek aan archeologische vondsten vergeleken met de periodes ervoor en erna. Maar echt zover zijn zullen we nooit. We kunnen nooit geheel de mogelijkheid uitsluiten dat er nog eens een spectaculaire vondst wordt gedaan die gedateerd wordt op het jaar 400.

      “waar die ‘oer-Friezen’ dan naartoe zijn”
      Een andere hypothese, die Groningen en Drente niet uitsluit, is dat die oer-Friezen met de Angelen, Saksen en Juten mee het Kanaal zijn overgestoken. Daar schijnen wel aanwijzingen voor te zijn.

      1. Rob Duijf

        Nou, nou, ik vind dat u nu toch echt heel snel over het hele terpenonderzoek heen dendert, hoor! Voorzover er nog terpen over waren om te onderzoeken (er zijn er in het verleden namelijk nogal wat afgegraven vanwege de vruchtbare grond) zijn er archeologisch verschillende bewoningsstadia aangetoond, behalve uit de periode die nu ‘het bewoningshiaat’ wordt genoemd. U mag best kritisch zijn, maar u kunt ook overdrijven.

        Er zijn inderdaad aanwijzingen dat (althans een deel) van de oorspronkelijke bewoners uit het terpen- en wierdengebied in Friesland en Groningen met de Angelen, Saksen en Juten naar Brittannië zijn overgestoken. In het Noord-Hollandse blijkt een overgangsperiode te bestaan van het Friese naar het Saksische aardewerk. Het Saksisch aardewerk vertoont verrassende gelijkenis met dat wat in Oost-Engeland wordt aangetroffen. Dat wordt ook beschreven in het boekje ‘Schervengericht’ dat ik al eerder noemde.

        In het Archeologisch Depot van Noord-Holland in Castricum, het ‘Huis van Hilde’, kunt u u daarvan overtuigen.

      2. Rudmer Koopal

        “waar die oer-Friezen dan naar toe zijn” Met (a)DNA zou je de verwantschap aan kunnen tonen van de oer-Friezen met bewoners van de Noord-Hollandse tm Vlaamse kust en Engelse kust en die van de nieuwe Friezen met de Noord-Duitse kust en West-Denemarken.
        In Groot-Brittannië heeft men al soortgelijke onderzoeken gedaan in relatie met Scandinavië en in relatie met West-Europa. Kwestie van wetenschappelijk onderzoek en financiering. Het eerste is in Nederland nog steeds onderontwikkeld of heeft men totaal geen notie van. Mbt tweede, nou laat maar, dat kunt u zelf wel bedenken.

      3. Maar.. die ‘oer-Friezen’ zouden al een tijd vertrokken zijn geweest voordat de nieuwe bewoners vanuit Scandinavië aankwamen. Dus dat pleit weer tegen een ‘mee-migratie’, die overigens ook niet verklaren kan waarom men mee over het Kanaal gaat maar niet blijft waar men al eeuwen woonde, terwijl de nieuwkomers dat wel doen. Ofwel de Friezen zijn vertrokken voordat de Saksen aankomen, ofwel de Friezen zijn er nog maar onherkenbaar tussen de Saksen. Dat pleit wel tegen de waarneming dat er een breuk is, maar ik begrijp uit reacties hier dat die breuk ook niet door iedereen waargenomen wordt.

        1. Rudmer Koopal

          Ik denk dat het ook moeilijk aan te tonen is wat er is gebeurd.Een aantal oer-Friezen zijn gebleven, een aantal zijn naar Engeland mee gegaan en weer anderen zijn van Noord-Holland richting grote rivieren en Vlaamse kust vertrokken. Ik denk dat er meer geassimileerd is dan verondersteld wordt. De Bataven zijn immers ook opgegaan in de Gallo-Romeinse samenleving en in de Franken.
          Het aardewerk en terpenonderzoek vind ik niet overtuigend genoeg. In dit boek https://www.bol.com/nl/p/frisians-and-their-north-sea-neighbours/9200000074694377/ tonen twee auteurs ook aan dat mbt aardewerk er duidelijk sprake is van handel/ uitwisselingl ipv migratie met verwijzing naar diverse wetenschappelijke onderzoeken. Vandaar mijn stille hoop dat verwantschapsonderzoek ahv van (a)DNA meer uitsluitsel kan geven.

        2. Rob Duijf

          Die breuk wordt wel degelijk waargenomen Robert, behalve door mensen die hem niet willen zien. De ‘oer-Friezen’ hebben hun terpen verlaten, honderd jaar vóór de nieuwkomers arriveren. Hun culturele uitingen zijn heel anders, dan wat er daarvoor archeologisch is aangetroffen.

          Anders dan in Noord-Holland, waar een duidelijke overgangsfase wordt waargenomen, zoals ik al eerder aangaf, is deze op de terpen en wierden afwezig. Er is hier echt sprake van een culturele breuk.

          De vraag is inderdaad: waarom zijn ze weggegaan en waar zijn ze dan gebleven?
          Mag je er, na vier eeuwen Romeinse invloed in de nabijheid met de daarbijbehorende handelscontacten, van uitgaan dat ze naar het zuiden zijn getrokken?
          Evenals de Chauken en de Saksen na hun, waren de Friezen als bewoners van de Noordzeekust parttime zeevaarders. Als ze niet onder de koeien zaten, gingen ze op ‘handelsvaart’.

          Uit het bewoningshiaat blijkt ook, dat er geen druk uit het oosten is geweest, omdat de terpen en wierden pas na honderd jaar opnieuw worden bewoond. Kan het zijn dat hun oostelijke buren het Friese territorium piratiseerden?
          We weten dat de Friezen de Romeinen om hulp vroegen, omdat ze veel last hadden van invallen van Chauken.

          Kan er sprake zijn geweest van (tijdelijke) vernatting van het Friese territoir, waardoor men geen vee meer kon houden en het boerenbedrijf hier moest opgeven? Dan zouden ze de hogere gronden in Drenthe en Groningen kunnen hebben opgezocht.

          Mogelijk heeft een deel van de oorspronkelijke Friese bevolking zich op de hogere gronden gevestigd en is een ander deel over zee gemigreerd. Er zijn aanwijzingen dat ze naar Brittannië zijn overgestoken, maar wellicht zijn er in zuidelijke kustgebieden meer plaatsen waar ze zijn neergestreken.
          Een breed DNA-onderzoek zoals Rudmer Koopal voorstelt, zou op een aantal vragen antwoord kunnen geven.

          1. Er zijn ook Friezen en Chamaven weggevoerd en in het Zuidrijnse tewerkgesteld, zoals de Pangyrici Latini melden. Dat is overigens tevens de laatste vermelding van de ‘oude’ Friezen voordat de ‘nieuwe Friezen geruime tijd later het historische toneel betreden.

          2. Jeff

            Beste Rob, over die breuk in de bewoning valt veel te zeggen, maar volgens mij ligt het allemaal veel subtieler.
            Zo tonen de vondsten in Ezinge, Midlaren-De Bloemert en Feddersen Wierde volgens bepaalde inzichten wel degelijk bewoningscontinuïteit aan van de Romeinse ijzertijd tot in de vroege middeleeuwen.
            Zie b.v.:
            Annet Nieuwhof (2013). ‘Anglo-Saxon immigration or continuity? Ezinge and the coastal area of the northern Netherlands in the Migration Period.’. In: Journal of Archaeology in the Low Countries 4-2
            http://jalc.nl/cgi/t/text/text-idxaa82.html?c=jalc;sid=095741f1231d8f86c4f63866855fbf08;rgn=main;idno=m0402a03;view=text

            1. Rob Duijf

              Beste Jeff,

              De Vereniging voor Terpenonderzoek publiceerde in 2014 het rapport ‘En dan in hun geheel. De vondsten in de wierde van Ezinge’, onder redactie van Annet Nieuwhof. Daarin worden de opgravingen die door prof. A.E. van Giffen tussen 1923 en 1934 uitvoerde, nader uitgewerkt.

              In hoofdstuk 2: De geschiedenis van Ezinge in scherven, concludeert mevrouw Nieuwhof:

              ‘In de vroeg-Romeinse tijd bereikte de bevolking zijn maximale omvang. Daarna nam het aantal bewoners weer af. Ondanks de afname bleef Ezinge bewoond in de 4de eeuw n.C., hoewel het terpen- en wierden gebied vanaf de derde eeuw n.C. grotendeels ontvolkt raakte.’ (pag. 124).

              Uit de toevoeging ‘grotendeels’ blijkt dat het ‘bewoningshiaat’ inderdaad genuanceerder ligt, zoals je terecht opmerkt.

              Blijft de vraag waarom het gebied grotendeels ontvolkt raakte en waar de bewoners naar toe zijn getrokken.

    4. Rob Duijf

      Aanstaande zaterdag 10 maart wordt in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis (Gr) de tweejaarlijkse ‘Dag van de Noord-Nederlandse Archeologie’ gehouden. Ook de Vereniging voor Terpenonderzoek presenteert zich. U kunt hier alles te weten komen over de huidige stand van zaken in het onderzoek naar de terpen en wierden in Frieland en Groningen.

      http://www.terpenonderzoek.nl/

      Je ziet het er aan de buitenkant niet van af, maar het depot zit werkelijk bomvol archeologische vondsten uit de drie noordelijke provincies, die u ook even in de hand mag houden.

  2. Prikkelende opening van je recensie, Jona. Realiseer je dat er ook mensen zijn die lezer en bibliofiel in zich verenigen en jouw tegenstelling als ‘vals dilemma’ ervaren. Om je een boek geestelijk eigen te maken, hoef je het niet per se fysiek te verminken. Je kunt de aantekeningen etc. ook op een ander stuk papier (of scherm) maken.
    Ook een estheet – al zal het niet voor alle exemplaren van die soort gelden – kent de “rusteloze speurtocht naar zo accuraat mogelijke inzichten”.

  3. Tonni

    Ik merk in mijn Friese facebook-omgeving dat er nogal wat trotse Friezen moeite hebben met de titel: “Een meelijwekkend volk”.

    1. Rudmer Koopal

      Het is juist een Geuzentitel. Dat op zulke karige gronden en grote hoeveelheden water mensen nog een bestaan wisten op te bouwen. Overleveringskunstenaars!
      En laat je ‘vrienden’ eerst nu maar eens het boek lezen i.p.v. oneigenlijk trots te zijn.

  4. Rudmer Koopal

    “Die spraken bijvoorbeeld een taal die leek op Keltisch, en geen Germaanse taal, zoals het latere Fries”. Volgens mij heeft Olivier van Renswoude eerder overtuigend aangetoond dat het er geen bewijzen zijn dat de Friezen eerst een Keltische taal spraken zie: https://mainzerbeobachter.com/2017/12/01/latijn-germaans-en-keltisch/
    Het nieuwste boek van Michel de Vaan, hier gratis te downloaden, http://www.jbe-platform.com/content/books/9789027264503 sluit de Keltische optie ook uit. Ik heb tot vandaag de dag geen overtuigend tegenbewijs gezien waaruit zou blijken dat de eerste Friezen een Keltische taal spraken.

  5. Het onderstrepen van zinnen of tekstgedeelten in boeken ten bewijze van het feit dat je je de inhoud eigen hebt gemaakt is (net zo goed als het maken van ezelsoren) een m.i. onbeschaafd teken van gemakzucht en toont weinig respect voor het object. Maar dat het ‘de bibliofiel’ uitsluitend is te doen om het boek als object en niet om de informatie is natuurlijk onzin. Daarvan kan iedereen zich overtuigen op mijn onvolprezen weblog…

    1. Marcel Meijer Hof

      Ten aanzien van het annoteren in boeken: In oude boekwerken was een brede marge heel gebruikelijk, vaak gecombineerd met ruimte onderaan de pagina. Daardoor ontstond er ruimte om aantekening en verwijzingen te plaatsen voor latere gebruikers. Dat was erg nuttig in een tijd, waarin boeken schaars, naslagwerken zeldzaam en internetten geheel afwezig waren. Het werden zo een soort van voetnoten avant la lettre.
      In plaats van onderstrepen heb ik wel het plaatsen van punten of kleine (dubbele) streepjes gezien aan het begin van de betreffende tekstregel(s). In mijn eigen studieboeken maak ik er ook gebruik van, bij voorkeur met een puntig potlood. Dat heeft de schijn van verwijderbaarheid terwijl je toch klein kunt schrijven :-]

      1. Rob Duijf

        Hiertoe zijn bij volslagen toeval de ‘Post-It’-velletjes (‘geeltjes’) uitgevonden en inmiddels is er een heel assortiment kleefpapiertjes verkrijgbaar, waar je naar hartelust notities op kunt maken en interessante terugbladerpagina’s mee kunt markeren, zonder uw boek te schandaliseren met potlood, laat staan pen of marker, en te beduimeld met ezelsoren.
        Boeken zijn een groot goed, weet u. Er zit geen stekker aan en er hoeft ook geen batterij in. Mits onbeschimmeld ruiken ze ook nog lekker…

      2. De historische boekwetenschappers – doorgaans grote bibliofielen – zijn met weinig dingen zo blij als met marginale aantekeningen van eerder gebruikers.

  6. Gherardus Havingha

    “het Corbulokanaal, hoewel dat toch echt lag tussen de Rijn en de Maas”.

    Dat klopt niet!

  7. Roger Van Bever

    Een enkele keer maak ik aantekeningen of onderstrepingen in een boek waarvan ik weet dat ik het nooit weg zal doen. Ik zal praktisch nooit een tweedehandsboek kopen, waarin onderstreept is met inkt of ballpoint. Potloodstrepen, tenzij het er teveel zijn, vind ik nog net kunnen. De oplossing die Rob Duijf aanhaalt vind ik wel een goede mogelijkheid. Ik heb een katholieke Bijbeleditie van een overleden oom (pater) van mijn vrouw, inderdaad met een brede marge, waarin hij met piepkleine lettertjes, met kroontjespen geschreven, commentaar heeft geschreven. De tekst is er volledig intact door gebleven, dank zij de grote zijlijn. Eerbied voor het boek, zelfs al is het een pocketboek!

  8. Waarom nou een onbeschaafd teken van gemakzucht? Aantekeningen zijn zo oud als de handgeschreven boeken uit de kloosterbibliotheek. Zonder randschrijfsels hadden we niets van olla vogala en hun nestas geweten. Het is alleen wel vervelend voor de lezer na je, zo’n boek vol strepen en aantekeningen. Voor hem of haar wordt het lastig om het boek onbevangen te lezen en een eigen oordeel te vellen, omdat de vorige lezer er zo sterk zijn eigen stempel op drukte. De post-it velletjes laten al vrij snel los, dat schiet ook niet op. Leve het boek met voor- en achterin Heel Veel blanco pagina’s voor de aantekeningen!

    1. Rob Duijf

      De Post-It velletjes laten sneller los, naarmate je ze vaker loshaalt… Blanco pagina’s voor eigen aantekeningen is een optie, alleen zit de lezer na jou met jouw aantekeningen opgescheept. Tenzij die de kwaliteit hebben van ‘Olla vogala…’ En hoe ga je nou die ezel bij de oren vatten?

      1. Dat is waar, Rob. Maar die aantekeningen staan dan los van de tekst en hinderen het lezen niet. En laat die volgende lezer het boek dan maar voorzien van een pruik van post-its…

  9. MH

    Niemand is belachelijker dan de strijder die het na twee bladzijden woeste strijd opgeeft en zijn boek naar de tweedehands brengt.

Reacties zijn gesloten.