Het verdronken klooster van Stavoren

Kaart uit 1853/56 van Stavoren, met links “De steenen” en rechts daarvan de begraafplaats.

Stavoren is een van de trotse elf steden van Friesland, of Fryslân zoals men ter plekke zegt, maar het hoge woord moet eruit: het is alleen een stad in de zin dat het middeleeuwse stadsrechten bezit. Tegenwoordig is Stavoren vooral een jachthaven, een aanlegplaats van de veerpont naar Enkhuizen en een tussenstop in de Elfstedentocht. Stavoren is een schaduw van wat het ooit is geweest.

Hanzestad Stavoren

In de Frankische tijd was het de hoofdplaats van Zuidergo en de naam, Oud-Fries voor “bij de palen”, zal betrekking hebben gehad op het grote palenscherm bij de vroegere haven aan de Vlie (de verbinding tussen de Waddenzee en de Almere). Door de golven te breken zorgde dit scherm ervoor dat schepen veilig konden aanmeren.

Lees verder “Het verdronken klooster van Stavoren”

Opnieuw: Pytheas

StableDiffusion reconstrueert Pytheas

Hé, dit is leuk: een nieuw boek over Pytheas van Marseille, de Griekse ontdekkingsreiziger die rond 325 v.Chr. de Atlantische Oceaan en de Noordzee bevoer. Hij bereikte een plek die hij Thule noemt en geeft ook aan op welke breedte dat lag. Het moet gaan om IJsland of  – volgens een theorie van de beroemde poolreiziger Fridtjof Nansen – om de kust van het huidige Noorwegen. Bovendien bereikte Pytheas de plaatsen waar tin en barnsteen vandaan kwamen. Er zijn al eerder boeken over de Griekse ontdekkingsreiziger geschreven, zoals dat van Barry Cunliffe (heel informatief) en dat van Lionel Scott (teleurstellend). En nu is er het zojuist verschenen boek van François Herbaux, Pythéas. Explorateur du Grand Nord. Als u meer wil weten over de man, dan is dit het boek om mee te beginnen.

Het boek van Pytheas, De Oceaan, is verloren gegaan, maar er zijn allerlei citaten. Herbaux noemt er achtendertig. Scott heeft er meer, waaronder twee passages van de Romeinse aardrijkskundige Pomponius Mela, die zouden teruggaan op Pytheas. Daarover is echter bepaald geen consensus en Herbaux is terughoudender. Hij is wel op de hoogte van Scotts werk, maar alle verwijzingen naar Mela in Pythéas. Explorateur du Grand Nord zijn terzijdes. Herbaux lijkt zijn manuscript al grotendeels af gehad te hebben toen het Engelse boek in 2022 verscheen en hij heeft zich beperkt tot enkele verstandige inlassen. Ik denk terecht.

Lees verder “Opnieuw: Pytheas”

De Chauken (1)

Greep van een mes in de vorm van een wagenmenner (Eenum; Gronings Museum, Groningen)

Ik heb weleens vaker geblogd (één, twee) over de beschrijving die de Romeinse auteur Plinius de Oudere gaf van de mensen die woonden op de kunstmatige heuvels langs de Waddenzee. De terpen of wierden verbaasden hem. Hoorde het gebied, onderworpen aan eb en vloed, nu bij het land of bij de zee? Wat waren dat van mensen, die de vrijheid zo lief hadden dat ze zich hadden teruggetrokken in armzalige boerderijen op die heuvels? Waren ze nu niet feitelijk, zo impliceerde hij, de gevangenen van een onbewoonbaar gebied?

Dat viel wel mee. Archeologen hebben het beeld van een armzalig en meelijwekkend volk sterk genuanceerd. Er was zelfs ruimte voor een vorm van politiek leven, gegeven het feit dat er in het noordelijke kustlandschap minimaal vier stamverbanden zijn aan te wijzen. Meestal houden we het erop dat twee groepen Friezen woonden aan weerszijden van de Vlie, dus in het huidige Noord-Holland en Fryslân. Wat oostelijker zouden dan twee groepen Chauken hebben gewoond, gescheiden door de Dollard, in wat nu Groningen en Ostfriesland is. Deze reconstructie is, zoals alle reconstructies van de antieke topografie, minder zeker dan men wel aanneemt, maar we zullen het ermee doen. Ik ga het hebben over de Groningse Chauken.

Lees verder “De Chauken (1)”

De Friese vrijheid

Een blijde (Fries Museum, Leeuwarden)

De drie maanden die ik in 2018 doorbracht in Friesland behoren tot de gelukkigste van mijn leven. Ik heb er een zwak aan overgehouden voor het Fries Museum in Leeuwarden. En omdat ik de Middeleeuwen interessant vind zonder er heel veel van te weten, was ik blij dat er een expositie was over de Friese landen in de Late Middeleeuwen: Vrijheid, Vetes, Vagevuur. Voor het goede begrip: de Friese landen grensden rond 1000 in het zuidwesten aan de Rijn en in het oosten aan – naar keuze – de Dollard, de Jade, de Elbe of de Deense istmus. Het gaat in elk geval om het gebied langs de Waddenzee.

De Karolingen hadden de regio onderworpen en gekerstend, maar ze behield een zekere onafhankelijkheid. Echte onderwerping van het gebied zal voor de Ottoonse, Salische en Staufische vorsten ook weinig prioriteit hebben gehad. Het gebied lag perifeer. Bovendien grensde het aan zee, konden de bewoners zich betrekkelijk eenvoudig verplaatsen en had je er weinig aan de ruiterlegers die destijds het voornaamste instrument waren om gezag af te dwingen. Het zal keizer Sigismund niet heel zwaar zijn gevallen om in 1417 de de facto Friese vrijheid in een oorkonde ook de iure te erkennen. Een iets jongere tekst, het Fivelgoër handschrift, zegt het poëtisch:

De Friezen zijn vrij, zowel de geborenen als de ongeborenen, zolang de wind van de wolken waait en de wereld bestaat.

Lees verder “De Friese vrijheid”

Pytheas van Marseille, opnieuw

Das schwimmende Moor: dit kan heel wel het Metuonis van Pytheas zijn geweest.

Ik heb het op deze plek weleens gehad over Pytheas van Marseille, de Griekse ontdekkingsreiziger die rond 325 v.Chr. de Atlantische kusten verkende. Minimaal zeilde hij langs Iberië, westelijk Gallië en de Britse eilanden. Verder vermeldde hij een mysterieus land Thule, een ijszee en een eiland waar barnsteen vandaan kwam. Hij wist ook dat de getijden samenhingen met de maan. Fascinerende materie natuurlijk, en Pytheas’ boek moet een hit zijn geweest. Als de dichter Vergilius in zijn Georgica kan schrijven over “het uiterste Thule”, moet dat eiland in elk geval bij zijn Romeinse publiek bekend zijn geweest.

Wat zouden we graag meer over Pytheas’ avontuurlijke reis hebben geweten, maar zijn verslag is verloren gegaan. We moeten de expeditie dus reconstrueren aan de hand van informatie bij jongere auteurs. In totaal gaat het om negenendertig fragmenten, waarvan er zestien zijn te vinden in het aardrijkskundeboek van Strabon en acht in de encyclopedie van Plinius de Oudere.

Lees verder “Pytheas van Marseille, opnieuw”

Een hond in de pot

Hondengraf uit Englum (Wierden-informatiecentrum, Ezinge)

Gistermorgen is de hond van een vriend is overleden. Die vriend woont in een andere stad in een ander land en ik heb het dier nooit gezien, maar ik weet dat het beest met zijn baasje enorme wandelingen maakte naar de haven en het strand, waar het dier dan speelde in de branding. In gedachten kan ik hem zien springen op het schuim, blij blaffend en uitgelaten, zoals honden nu eenmaal zijn.

Honden zijn vrolijk. Het is alsof ze altijd alles wat ze doen het allerleukste vinden wat bestaat. Ik heb weleens mensen ontmoet die bang zijn voor honden, en ik beken dat ik in Griekenland ook liever geen herdershonden ontmoet, en eigenlijk ben ik ook meer een kattenmens, maar dat laat onverlet dat die blije beesten je toch vaak in een goed humeur brengen.

Lees verder “Een hond in de pot”

Een meelijwekkend volk

Ook de moord op Bonifatius is opgenomen in “Een meelijwekkend volk”

Niemand is onbeschaafder dan de zogeheten bibliofiel, die niet strijdt om de inhoud van een boek te veroveren en dus nalaat zijn informatie te voorzien van onderstrepingen, aantekeningen en ezelsoren. Onze cultuur, die zoveel voordeel heeft gehad van de rusteloze speurtocht naar zo accuraat mogelijke inzichten, gaat ten onder aan schoonheid.

Dit spreekt allemaal vanzelf maar ik beken dat ik onlangs dreigde te wankelen in mijn dorst naar kennis. Ontwerper Peter Boersma heeft van Een meelijwekkend volk. Vreemden over Friezen van de oudheid tot de kerstening namelijk een zó mooi boek gemaakt dat ik aarzelde of ik er wel in moest schrijven. Gelukkig waren de teksten van André Looijenga, Anne Popkema en Bouke Slofstra interessant genoeg om cultuur voor te laten gaan. Ik ben er eens goed voor gaan zitten, pen in de hand, om alles aan te strepen wat nuttig kon zijn.

Lees verder “Een meelijwekkend volk”

Oud Groningen

De terp van Ezinge, even ten noorden van Groningen, zoals nagebouwd in Archeon.

Ik blogde zondag en maandag over de Romeinse visie op de bewoners van de Lage Landen. Misschien is het aardig af te ronden met een voorbeeld: de beschrijving van de bewoners van de terpen of wierden langs de Waddenzee. Die heetten in de Oudheid “Chauken“, een woord dat lijkt te zijn afgeleid van *Hauhōz, waarin het element “hoog” herkenbaar is. Hooghemers dus, mensen die woonden op kunstmatige hoogten.

Het volgende ooggetuigenverslag is van Plinius de Oudere, die het land in 47 na Chr. heeft gezien. Het leek hem maar een armzalig gebied en dat was het, vergeleken met zijn van alle gemakken voorziene basis in Xanten, natuurlijk ook. Desondanks waren de Chauken eigenlijk vrij welvarend. Plinius, die niet aan land lijkt te zijn gekomen, kon niet weten dat ze eieren raapten en joegen op vogels en robben. Hij zag niet dat de kwelders dienden als weiden, waar runderen en schapen graasden en waar zelfs, achter lage dijkjes, akkerbouw mogelijk was. Ook al was de bodem zilt, het was mogelijk er gerst, vlas en duivenbonen te verbouwen. De Friezen en Chauken exporteerden kaas, zout, wol, leer en schapen, en vormden tevens een schakel bij de doorvoer van slaven, pelzen en barnsteen. Plinius zag het niet. Hij was gefascineerd door de rand van de aarde – zee of land? – en de tegenstelling tot de Romeinse wereld.

Lees verder “Oud Groningen”