De slag in het Teutoburgerwoud (4)

Kalkriese, vandaag de dag; rechts werd, op de dag dat we deze foto maakten, nog onderzoek gedaan

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus. We weten echter meer.]

In zijn selectie van de gebeurtenissen concentreert Velleius Paterculus zich op de verraderlijkheid van een onmenselijke vijand “die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden”, op de moed van de soldaten en op het feit dat sommige officieren het hoofd niet koel hielden. Het resultaat is meer een pleitrede dan geschiedschrijving, temeer daar het is gebaseerd op de verslagen van ooggetuigen die, zoals te verwachten viel, alleen konden vertellen wat ze hadden gezien in hun eigen sector van het slagveld.

Cassius Dio, die twee eeuwen later schreef, biedt wel een echt overzicht. Zijn bron, een auteur die de verslagen van enkele ooggetuigen met kennis van zaken tot een geheel wist te smeden, is vermoedelijk Plinius de Oudere, een cavalerie-officier die zich een generatie na de gebeurtenissen in het Rijnland bevond, overlevenden van de ramp hielp bevrijden en een Geschiedenis van de Germaanse oorlogen schreef. Hoewel Dio een nauwgezet auteur is, lijkt hij bepaalde informatie niet goed te hebben begrepen en maakt hij soms vergissingen als hij aanvullende informatie biedt. Dat is ook gebeurd in zijn verslag van het gevecht. De vertaling is van Gé de Vries.

Het begon ermee dat er hier en daar wat opstandjes uitbraken, opzettelijk een eind verderop om Varus zover te krijgen dat hij tegen hen zou optrekken en zo des te eenvoudiger door Arminius en de andere samenzweerders zou kunnen worden overrompeld tijdens zijn opmars door wat hij voor bevriend gebied hield. […] Ze vergezelden hem een eind toen hij op weg ging en vroegen toen zich te mogen verontschuldigen, zogenaamd omdat ze hun medestanders bij elkaar wilden roepen om hem daarna snel te hulp te kunnen komen. Daarna namen ze het commando op zich van hun strijders die daar ergens in de buurt klaarlagen en hielpen in ieder dorp alle daar gelegerde Romeinse soldaten […] om zeep. Daarna overvielen ze Varus, die zich in een bosgebied bevond waar al bijna geen doorkomen meer aan was, en daar lieten ze zien dat ze vijanden, geen onderdanen, van de Romeinen, waren, en brachten grote ellende over de Romeinen.

Het was een bergachtig terrein met veel uitstekende rotspunten en kloven waar heel hoge bomen dicht op elkaar stonden. Dus nog voor ze door de vijanden werden aangevallen hadden de Romeinen hun handen vol aan het omhakken van bomen en het aanleggen van paden en bruggen waar dat nodig was.

Een van de plaatsen waar de Germanen de Romeinen in september 9 versloegen is door archeologen teruggevonden. Het probleem is dat bij Kalkriese, zoals de plek heet, helemaal geen bergen zijn, geen rotspunten, geen kloven. Uit pollenonderzoek blijkt bovendien dat het gebied destijds in gebruik was voor akkerbouw en veeteelt, zodat er ook geen heel hoge bomen waren. Dit is een van de redenen waarom sommige archeologen aarzelen om Kalkriese, waar zeker wel is gevochten, te identificeren met het slagveld waar Varus ten onder is gegaan.

Er zijn meer redenen, waarover straks meer, maar in elk geval deze tegenwerping houdt geen steek. Dio is op het verkeerde been gezet door het Latijn van zijn bron en zijn gebrekkige kennis van de topografie van Germanië, waarvan hij, zoals alle geletterde Grieken in zijn tijd, meende te weten dat er alleen uitgestrekte wouden waren en woeste gebergten.

De Latijnse naam van de plek van de hinderlaag was saltus Teutoburgiensis, waarvan het tweede element een verbastering is van Germaanse woorden die zoiets als “volksburcht” betekenen. Saltus betekent “kloof” of “woud”, maar moet hier worden vertaald als “engte”. De Romeinen marcheerden namelijk over een smalle strook begaanbaar land tussen het Wiehengebirge en de uitgestrekte veenmoerassen ten noorden daarvan. De corridor was niet meer dan enkele tientallen meters breed. Dio, die nooit een veengebied heeft gezien, kon niet anders dan saltus verkeerd vertalen en van een engte een woud maken, dat hij vervolgens decoreerde met wat hij vond dat er in een woud hoorde te zijn. (Op soortgelijke wijze liet Dio bergen verrijzen in wat in feite een moeras was: er behoorden in Germanië nu eenmaal bergen te zijn.) De verbazing van de archeologen, toen ze constateerden dat het pollenonderzoek niet duidde op het landschap dat ze hadden verwacht, verraadt dat ze Dio te letterlijk hebben genomen.

[Wordt om elf uur vervolgd]