De slag in het Teutoburgerwoud (5)

Slingerstenen, gevonden bij Kalkriese: bewijs voor de aanwezigheid van lichtbewapende soldaten in Romeinse dienst

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus, het vierde bood de problematische informatie van Cassius Dio en eindigde met de constatering dat de Romeinen door een smalle corridor moesten trekken.]

Zoals gezegd was de Romeinse weg over de smalle strook droog land tussen de heuvels van het Wiehengebirge en de moerassen niet gemakkelijk, maar veel keuze hadden de Romeinen niet. De opstand die “een eind verderop” uitbrak, vond namelijk vrijwel zeker plaats bij de vier jaar eerder onderworpen Chauken aan de monding van de Eems. Vanaf de plaats waar Varus vertrok, vermoedelijk bij Minden, kon hij alleen oprukken over de genoemde smalle strook. Nogmaals de vertaling van Gé de Vries:

Ze hadden veel wagens en lastdieren bij zich, net zoals in vredestijd, verder waren er veel vrouwen en kinderen bij plus nog een groot aantal slaven, zodat ze gedwongen waren in groepen verspreid op te trekken. Intussen werden ze door zware regenval en harde wind nog verder uit elkaar gedreven, de grond rond de rotsen en boomstammen werd glibberig en maakte het uiterst riskant daar te lopen. Steeds vielen er afgebroken boomtoppen naar beneden, wat tot grote verwarring leidde.

En natuurlijk, net toen de Romeinen zo diep in de problemen zaten, omsingelden de barbaren hen plotseling aan alle kanten: ze kwamen dwars door het allerdichtste struikgewas, want ze kenden alle paden op hun duimpje. Ze begonnen al van een afstand hun projectielen af te schieten, en toen niemand iets terugdeed en er al veel gewonden gevallen waren, waagden ze zich steeds dichterbij. Want de Romeinen trokken niet geordend op; het was een chaos van wagens en ongewapende mensen door elkaar met het gevolg dat ze er nergens in slaagden zich te groeperen en daardoor […] grote verliezen leden en zich helemaal niet konden verweren.

Bij Kalkriese zijn delen van harnassen opgegraven en wapens die behoorden tot verschillende legeronderdelen. De variatie bewijst dat er niet alleen legionairs waren, maar ook ruiters en hulptroepers. Het skelet van een trekdier, schrijfgerei, leerbewerkingsgereedschap, een schietlood, chirurgische instrumenten en haarpinnen bewijzen dat de soldaten werden begeleid door huifkarren, klerken, ambachtslieden, landmeters, artsen en vrouwen. Er zijn honderden munten gevonden, waarvan sommige waren voorzien van wat het persoonlijke stempel van Varus lijkt te zijn geweest. Van de goudemissies van keizer Augustus was die van 2 n.Chr. wel aanwezig en die van 13 n.Chr. niet, wat een onweerlegbare terminus post quem opleverde en een vrij sterke terminus ante quem. (Dat iets niet wordt gevonden, wil doorgaans niet zeggen dat het er niet is geweest, maar in dit geval zijn er wel heel veel munten, dus het is wel erg suggestief.) De muntvondsten komen ergens na 7 vrij abrupt ten einde en dat suggereert toch vrij sterk dat het gevecht bij Kalkriese samenhangt met de door Dio en Paterculus beschreven veldslag.

Er is echter een probleem. Er zijn wel een paar munten gevonden die na het jaar 9 zijn geslagen. Critici hebben die gebruikt als argument dat het moet gaan om een gevecht tijdens een latere campagne. Ik denk dat de weerlegging van dit argument vrij sterk is: die zijn verloren toen enkele jaren later de soldaten van een ander Romeins leger, geleid door Germanicus, hier de doden kwam begraven. Het gevonden botmateriaal heeft namelijk, voordat het in  massagraven is bijgezet, enige tijd aan het oppervlakte gelegen en was al deels vergaan toen het werd begraven. De overgrote meerderheid van de munten suggereert een datering van het gevecht in de tweede helft van het eerste decennium.

Het is zelfs mogelijk dat Kalkriese de plaats is waar de Cherusken en hun bondgenoten de aanval voor het eerst openden. Er is een lage palissade gevonden, waarvan archeologen hebben aangenomen dat de Romeinen hiervandaan zijn bestookt met een regen van speren. Ik kom hierop morgen terug.

Ik kom dan ook terug op de verspreiding van de vondsten, die zijn gevonden in een soort dubbele waaier, zich uitstrekkend van Venne in het oosten naar het noordwesten en naar Engter in het zuidwesten. Volgens de eerste opgravers vormde deze verspreiding een aanwijzing voor het verloop van de gevechten. Ze opperden dat een deel van de troepen zijn weg voortzette naar het zuidwesten, terwijl een andere groep verder trok naar het noordwesten. Deze laatste groep moet de voorhoede zijn geweest, die oprukte naar de Hase, een riviertje dat men, zo redeneerde men, naar de Eems wilde volgen om zo de Chauken te bereiken. Na de aanval, die dan bij Kalkriese zou hebben plaatsgevonden, begrepen de Romeinen dat dit niet langer mogelijk was en trok de hoofdmacht vervolgens maar naar het zuidwesten om Haltern te bereiken.

Van deze lezing van de gebeurtenissen is de laatste jaren weinig meer vernomen en – eerlijk is eerlijk – het was misschien ook wat al te speculatief om aan de hand van de verspreiding van de vondsten te komen tot vérgaande conclusies over het verloop van de veldslag. In elk geval trokken de Romeinen verder.

Ze sloegen hun kampement op, op een daarvoor geschikte plek, voor zover mogelijk op een dichtbegroeide heuvel. Ze lieten het grootste deel van hun wagens en verder alles wat ze niet dringend nodig hadden achter en staken het in brand.

Tacitus, die de veldslag zelf niet beschrijft maar wel vertelt hoe Germanicus een paar jaar later de doden kwam begraven, vermeldt op gezag van de al genoemde Plinius dat het kamp eruit zag alsof er weinig troepen konden hebben overnacht. Terug naar Dio:

De dag daarop trokken de Romeinen verder op een wat meer geordende manier zodat ze er zelfs in slaagden open terrein te bereiken, hoewel ze er niet zonder verliezen afkwamen. Maar toen ze vandaar opbraken stuitten ze weer op een woud en moesten zich verdedigen tegen overvallen door de vijand, waarbij ze zeer zware verliezen moesten incasseren. Ze wilden immers proberen zich zo te groeperen dat ze hun ruiters en infanterie tegelijk konden inzetten en zo de vijand onder de voet lopen. Maar het terrein bood daarvoor te weinig ruimte en om de haverklap botsten ze tegen elkaar of stonden er bomen in de weg.

De hoofdmacht, of wat er nog van over was, probeerde verder te trekken. Als de overlevenden inderdaad probeerden zich in veiligheid te brengen in Haltern, kan het open terrein alleen in de omgeving van Osnabrück hebben gelegen en was het “woud” dat de legionairs daarna introkken inderdaad een wildernis, namelijk de meest westelijke uitloper van wat men in de zestiende eeuw opnieuw het Teutoburgerwoud is gaan noemen.

Dio’s opmerking over de ruiters en infanterie die tegen elkaar botsten kan misschien in verband worden gebracht met Paterculus’ woorden dat de cavalerie van Numonius Vala de infanterie in de steek liet. Het is mogelijk dat de ruiters, merkend dat ze geen nuttige bijdrage konden leveren aan de strijd, naar een andere sector reden en dat Paterculus’ zegsman dit aanzag voor een vlucht.

[Wordt morgen vervolgd]

2 gedachtes over “De slag in het Teutoburgerwoud (5)

Reacties zijn gesloten.