De slag bij Munda (1)

De heuvelrug bij Munda

Het was de zeventiende maart van het jaar waarin Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde (45 v.Chr.). En met die constatering weet u te zijn beland in een aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Na het blogstukje van eergisteren zal het u niet verbazen dat het de dag was van de slag bij Munda. Het is een van de grootste gevechten uit de Romeinse geschiedenis, groter dan bijvoorbeeld de slag bij Farsalos, maar minder beroemd. Dat heeft alles te maken met de bronnen. Die focussen op het conflict tussen Caesar en Pompeius Senior, dat in Farsalos werd beslist. Antieke bronnen gaan altijd vooral over personen. Voor de latere fasen van de Tweede Burgeroorlog was daarom minder aandacht.

Voor de slag

Onze voornaamste bron is bovendien weinig aantrekkelijk: het ooggetuigenverslag van de auteur van De Spaanse Oorlog. Geen groot auteur. Hij vertelt dat Gnaeus Pompeius Junior zijn troepen had opgesteld op de hoogte waarop ook Munda lag. “Vanaf de stad”, lezen we, “strekte zich een vlakte uit. Deze liep af naar een stroom, die het terrein voor hun nadering uiterst moeilijk maakte; want de grond bij de oever aan onze rechterflank was moerassig en vol modderkolken.” Het komt niet als een verrassing dat de auteur toevoegt dat sommige van Caesars manschappen bang waren, “omdat ze allemaal in een situatie waren beland waarin het onzeker was wat een uur later hun lot zou zijn”.

Lees verder “De slag bij Munda (1)”

Prokopios (2)

Theodora (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het tweede van vijf blogjes over de Byzantijnse geschiedschrijver Prokopios van de hand van Hein van Dolen. Het eerste was hier.]

Belisarius

Van de regeringsperiode van keizer Justinianus, waarover het vorige blogje ging, zijn we goed op de hoogte door de boeken van Prokopios. Deze omstreeks 507 in het Palestijnse Caesarea geboren schrijver was afkomstig uit de christelijke bovenlaag van zijn vaderstad en had daar een gedegen opleiding genoten in de welsprekendheid en het recht. In Constantinopel kwam hij in dienst van de toen nog jonge generaal Belisarius en hij vergezelde zijn meester bij de expedities naar verschillende delen van de toenmalige wereld.

Hij werd diens privésecretaris en juridisch adviseur. Als zodanig vervulde hij enkele verantwoordelijke opdrachten in verband met de vloot en de voedselvoorziening. Met zijn vaardige pen en zijn fenomenale beheersing van het klassieke Grieks leek hij de aangewezen man om de geschiedenis van de militaire successen te beschrijven. Zijn hoofdwerk heeft de titel Oorlogen meegekregen. Het is niet zeker of Prokopios zelf zijn magnum opus zo heeft genoemd, maar in elk geval dekt de vlag de lading niet volkomen. Behalve de veldtochten van Belisarius staan er lange uitweidingen in over de geografie en de geschiedenis van vreemde volkeren en de wederwaardigheden in de hoofdstad, onder meer een ooggetuigenverslag van de pest in 542.

Lees verder “Prokopios (2)”

De christenvervolging van Diocletianus

Diocletianus (Archeologische Musea, Istanbul)

Ik blogde onlangs dat de christenvervolgingen tijden de Crisis van de Derde Eeuw niet waren wat ze leken. Degene die opmerkte dat dat niet gold voor de vervolging ten tijde van de Tetrarchie, heeft een overschot aan gelijk. De twee augusti, Diocletianus en Maximianus, introduceerden een nieuw systeem voor de opvolging en hervormden het bestuur, wat ze legitimeerden door zichzelf te presenteren als de uitverkorenen van Jupiter en Hercules. Deze twee al populaire goden kwamen meer dan ooit centraal te staan in de staatscultus.

Op deze hervorming volgde een christenvervolging, hoewel die er niet rechtstreeks mee samenhing. Het had er meer mee te maken dat een echte Romein werd geacht te offeren aan echt Romeinse goden. De manicheeërs, die een profeet volgden die een generatie eerder had geleefd in het Perzische Rijk, golden bijvoorbeeld als verdacht. In het voorjaar van 302 gelastte Diocletianus, die op dat moment in Alexandrië was, dat ze levend moesten worden verbrand.noot Vergelijking van de wetten van Mozes en de Romeinen 15.3. De christenen waren een jaar later aan de beurt. Het vervolgingsbesluit uit februari 303 moet hen hebben overvallen, want ze mochten hun geloof al ruim veertig jaar openlijk belijden en hadden kerken gebouwd zonder dat iemand daar – althans voor zover bekend – aanstoot aan had genomen. Wie de verslagen leest, kan navoelen hoe onverwacht het kwam.

Lees verder “De christenvervolging van Diocletianus”

De Elbe

De Elbe bij Zollenspieker

Met een lengte van bijna 1100 kilometer (1.094 om precies te zijn) is de Elbe, de antieke Albis, een van de langste rivieren van Europa. Hij ontspringt in Bohemen ofwel Tsjechië en stroomt vervolgens door oostelijk Duitsland naar de Noordzee. Het rotsachtige Helgoland, waar men al vanaf de Oudheid barnsteen wint, ligt tegenover de Elbemonding.

De onbekende bron

De antieke geografen wisten dat de rivier ontsprong in Bohemen, het land dat zijn naam dankte aan de Boiërs maar in historische tijden werd bewoond door de Marcomannen. De Griekse en Romeinse auteurs waren echter niet zeker van de precieze locatie van de bron. Aan het begin van de tweede eeuw schrijft de Romein Tacitus dat de rivier “ontspringt in het gebied van de Hermonduriërs” (Germania 41.2), terwijl de Grieks-Romeinse aardrijkskundige Ptolemaios van Alexandrië denkt aan het Sudetengebergte (Geografie 2.11.1).

Lees verder “De Elbe”

Herodotos’ originaliteit

Homeros (Glyptothek, München)

[Derde van zeven stukken over de Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos. Het eerste deel was hier.]

Tegenwoordig vormen de Historiën meestal één boek. In de Oudheid waren negen boekrollen nodig om de hele tekst te bevatten. De indeling is sindsdien gehandhaafd: het is nog steeds gebruikelijk Historiën te verdelen in negen boeken. In sommige edities zijn ze vernoemd naar de negen muzen; dat vind ik altijd chique.

De Italiaanse classica Silvana Cagnazzi heeft erop gewezen dat elk boek valt te verdelen in drie of vier eenheden, de logoi (verhalen). Wie één logos voorleest, heeft daarvoor ongeveer vier uur nodig. Het is waarschijnlijk dat we zo herkennen hoe Herodotos de resultaten van zijn onderzoek voor het eerst heeft publiceerde: als lezing. Dit komt overeen met een oud verhaal dat hij zijn werk heeft voorgedragen op de Olympische Spelen. Ook de anekdote dat de jonge Thoukydides in huilen uitbarstte bij een lezing door Herodotos, veronderstelt deze wijze om informatie te delen.

Lees verder “Herodotos’ originaliteit”

De slag bij Kounaxa (2)

Hoplietenveldslag op het Nereïdenmonument uit Xanthos (British Museum, Londen)

[Het is kerstmis en in het verleden gaf ik weleens een longread met krijgsgeschiedenis. Eerder bood ik u het Ardennenoffensief, de Tweede Punische Oorlog, de Trojaanse Oorlog. Vandaag gaan we met Xenofon richting Babylon. Hier is het tweede deel van een vijfdelig stuk. Het eerste deel was hier.]

Aan de overzijde van de Eufraat zagen Cyrus en zijn manschappen de sporen van enorme aantallen soldaten en dieren, die zich hadden teruggetrokken. De grote koning leek te vluchten naar de veiligheid van Babylon. Niemand in Cyrus’ legers hield nog rekening met een aanval, zodat men de volgende dag wat ongeordend verder trok. Dit was minder nonchalant dan het lijkt. Vanaf het moment dat de twee legers het kanaal waren overgestoken, marcheerden ze naar het zuidoosten, met de rivier rechts en het kanaal parallel daaraan links. Beide flanken waren gedekt. Pas na zo’n vijftien kilometer zou bij Sippar de vlakte zich verbreden.

Kounaxa

Dat men ook daar voorttrok alsof geen gevaar viel te duchten, was wellicht minder verstandig, maar zonder problemen naderden de legers het punt dat Cyrus die dag wilde bezetten. Vlak voordat Cyrus’ legers daar waren aangekomen, kwam het bericht dat de vijand in de buurt was. Men was nu op een plek die Kounaxa heette, vrijwel zeker het huidige Nusifiyat in Irak, niet ver ten zuiden van de luchthaven van Bagdad.

Lees verder “De slag bij Kounaxa (2)”

Het einde van Athene (3)

De Hellespont, kijkend vanaf de monding van de Geitenrivieren naar Lampsakos

[Het derde, wat lange deel van een reeks over de Dekeleïsche of Ionische Oorlog, ofwel de ondergang van Athene. Het eerste deel is hier.]

Over wat volgde, bestaan twee verslagen. Het eerste daarvan is geschreven door Xenofon, een tijdgenoot die een vervolg schreef op het onvoltooid gebleven geschiedwerk van Thoukydides. Ik zal hem hierna citeren in de vertaling van Gerard Koolschijn. De andere beschrijving van de slag bij de Geitenrivieren is van Eforos van Kyme. Deze auteur werd enkele jaren na de gebeurtenissen geboren maar kon nog volop overlevenden interviewen. Zijn boek is verloren gegaan, maar een uittreksel is opgenomen in de Bibliotheek van de Wereldgeschiedenis van de Siciliaanse historicus Diodoros.

De twee verslagen lijken elkaar bij de beschrijving van de slag tegen te spreken, maar stemmen overeen over de aanloop. Xenofon zegt het als volgt:

Lees verder “Het einde van Athene (3)”

De vergeetachtige ooggetuige

Amida en de Tigris

Ooit las ik ergens, ik ben vergeten waar, over een docent aan een rechtenopleiding die zijn studenten duidelijk wilde maken dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar waren. Terwijl hij zijn college gaf, liet hij een kennis binnenstormen die hem tegen de vlakte werkte en zich vervolgens uit de voeten maakte, waarna de docent, weer opgekrabbeld, de onthutste studenten vroeg wat was gebeurd. Had de dader een blauw of een zwart pak aan, had hij gestoken of geslagen, dat soort vragen. De studenten bleken zich dat allemaal niet meer te herinneren, hoewel het recht voor hun ogen was gebeurd.

De verkleurde herinnering

Ooggetuigen zijn notoir onbetrouwbaar. Om te beginnen passen mensen hun herinneringen aan. We hebben daarvan een prachtig voorbeeld uit de oude wereld, namelijk het gesprek dat keizer Constantijn de Grote kort voor zijn overlijden in 337 na Chr. had met Eusebios, die later ’s keizers biografie zou schrijven. De heerser haalde herinneringen op aan het visioen dat hij ooit had gehad. Hij bezwoer zijn gast dat het echt was gebeurd. Na het middaguur, zo verzekerde hij, hadden hij en zijn soldaten een lichtend kruis aan de hemel gezien. Aanvankelijk had hij in het ongewisse verkeerd over de betekenis. Later had Christus hem in een droom geadviseerd een standaard te maken in de vorm van dit teken. Na dat nachtje slapen had Constantijn dus geweten dat het visioen christelijk van aard was.

Lees verder “De vergeetachtige ooggetuige”

Bronkritiek

Kleio, de beschermgodin van de historische wetenschappen (Archeologisch Museum, Cherchell)

Oudheidkundigen, en dan vooral de wat meer op teksten gerichten onder hen, maken onderscheid tussen bronkritiek en tekstkritiek. Over het laatste heb ik al vaker geschreven: het is de bepaling van wat eeuwen geleden iemand op papyrus of perkament heeft gezet. De kritiek betreft de overlevering in de meestal middeleeuwse handschriften, meervoud, waarvan we de tekst niet zomaar kunnen aanvaarden maar eerst moeten toetsen. Daarbij passen filologen de Lachmannmethode toe. In de praktijk betreft het vooral Griekse en Romeinse teksten. Egyptische en spijkerschriftteksten zijn namelijk meestal op slechts een kleitablet of één papyrus zijn overgeleverd, zodat er weinig valt te vergelijken.

Bronkritiek

Bronkritiek is de vooral voor oudhistorici belangrijke volgende stap: is de informatie in een bron te herleiden tot een eerdere auteur? Dit is belangrijk, want die eerdere auteur stond dichter bij de beschreven gebeurtenissen en heeft vermoedelijk scherper zicht. Als de evangeliën van Marcus en Lukas elkaar tegenspreken, gaat de voorkeur uit naar Marcus, omdat hij de bron is van Lukas; Lukas geldt dan als “elimineerbaar”.

Lees verder “Bronkritiek”

De val van Karthago (3)

De havens van Karthago

[Na eerdere reeksen over de Eerste en de Tweede Punische Oorlog zijn hier vier stukken over de ondergang van Karthago. Het eerste deel was hier.]

Intussen bouwden de Romeinen een kamp dat zich uitstrekte over de gehele landengte ten westen van de stad. Hiermee werd Karthago definitief afgesneden van het platteland. Nu waren er nog altijd Karthaagse kapiteins die probeerden met graanschepen de haven binnen te varen, en daarom gelastte Scipio de aanleg van een dam voor de havenmonding.

De Karthaagse tegenzet bestond uit het graven van een nieuw kanaal tussen de handelshaven en de zee – het is nog steeds te zien – en de bouw van vijftig oorlogsbodems. De bedoeling was dat ze hiermee de Romeinse genietroepen zouden aanvallen, maar doordat ze eerst in het zicht van de onthutste legionairs een proefvaart maakten, was het verrassingseffect verdwenen en drie dagen later vernietigde de Romeinse vloot de vijftig nieuwe schepen. De Karthagers hadden nu geen enkele hoop meer te verhinderen dat de blokkade zou worden voltooid. Vroeg of laat zou de stad vallen. Hasdrubal, die inmiddels de macht volledig in handen had gekregen, gelastte daarom dat alleen soldaten nog te eten mochten krijgen.

Lees verder “De val van Karthago (3)”