Peltasten

Een lichtbewapende Griekse soldaat, vroege vierde eeuw v.Chr., op een Apulische krater in het Archeologisch Museum van Zagreb. Peltasten droegen overigens kleren.

Professionalisering: misschien is dat wel het beste woord om de Griekse krijgskunst van de vijfde en vierde eeuw te beschrijven. Aanvankelijk beschikte alleen Sparta over beroepssoldaten, al was dat door “Spartaan” gelijk te stellen aan “soldaat” zodat er in feite geen andere beroepen bestonden. Het eigenlijke werk werd gedaan door staatshorigen (de heloten) en andere rechtelozen of halfgerechtigden. In de loop van de vijfde eeuw kregen ook de andere Griekse steden hun beroepslegers. Zo had de stad Argos een keurkorps van duizend man.

Opvallend waren de huurlingen. Niet dat die nieuw waren. Voordat Egypte door de Perzen was onderworpen, hadden de farao’s al Kariërs en Grieken in dienst gehad. Wahibre-em-achet bijvoorbeeld. Wel nieuw was de snelle toename van het aantal huurlingen in Griekenland zélf tijdens en na de Archidamische Oorlog (431-421) en de Dekeleïsche Oorlog (415-404). Onder hen waren ontheemden, anderen waren avonturiers, terwijl er ook mannen tussen waren als Xenofon, die politieke opvattingen hadden die slecht lagen bij hun stadsgenoten.

Beroemde professionals dienden in de Heilige Schare van de stad Thebe, waarover Ploutarchos schrijft:

Gorgidas zou die als eerste hebben samengesteld. Daarvoor koos hij driehonderd mannen uit die door de staat werden getraind en onderhouden. Zij verbleven in een kazerne in de citadel en werden daarom ook als de Stedelijke Schare aangeduid, want een citadel heette in die tijd eigenlijk stad. Er wordt soms verteld dat het regiment uit minnaars en geliefden bestond.[…] Een gevechtseenheid die op erotische liefde was gebaseerd, kon niet uiteengeslagen of doorgebroken worden, omdat minnaars en beminden uit wederzijdse liefde en respect in het gevaar pal stonden voor elkaar. (Ploutarchos, Pelopidas 18.1-3; vert. Hein  van Dolen)

Net als hun Assyrische voorgangers vatten de Griekse generaals van deze tijd oorlog op als onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. In Syracuse stichtte de alleenheerser Dionysios iets dat kan worden getypeerd als een laboratorium en een Xenofon schreef een verhandeling over de rijkunst, een handboek voor de cavaleriecommandant en een vie romancée van Cyrus de Grote, de grondlegger van het Perzische Rijk, die hij presenteerde als de ideale leider. Op deze manier ontstond voor het eerst een Europese militaire vakliteratuur.

Een andere innovatie was de introductie van peltasten, speervechters die zich alleen beschermden met een halvemaanvormig schild van riet en wilgentenen. Omdat ze geen bronzen helm, scheenbeschermers of pantser hadden, waren ze veel sneller dan de zwaarbewapende hoplieten. Daardoor konden ze soms in een gevecht een beslissend voordeel bieden, zoals bleek tijdens de Korinthische oorlog (395-387).

Dit conflict was het logische gevolg van Sparta’s hegemonie na de val van Athene, dat lange tijd zijn leiderschap had gerechtvaardigd door vol te houden dat het de andere Grieken beschermde tegen Perzië. Nu de Spartanen de leiding hadden gekregen, verwachtten de Grieken van hen hetzelfde. De bevrijding van de Griekse steden in Klein-Azië, die tijdens de Dekeleïsche Oorlog door de Perzen waren bezet, gold als morele plicht. Daarom stak koning Agesilaos II in 399 de Egeïsche Zee over, nam daar zo’n vijfduizend huurlingen (waaronder alweer Xenofon) in dienst, en versloeg daarmee onder meer de lokale Perzische gezagdragers. Hierop betaalde Perzische koning Artaxerxes II Mnemon de Thebanen, Atheners, Korinthiërs en Argiven om de Spartanen aan te vallen.

Ondanks deze subsidie probeerden de Atheners de kosten laag te houden door hun generaal Ifikrates met een groep peltasten uit te sturen tegen de Arkadiërs, bondgenoten van Sparta. Met hun snelle aanvallen dwongen ze hun tegenstanders hun huizen te verdedigen en hun krachten te spreiden. Voor traditioneel denkende Grieken als de Spartanen klopte het niet dat lichtbewapenden bepaalden wat zwaarbewapende hoplieten deden. Hun vriend Xenofon geeft het dédain treffend weer:

De troepen van Ifikrates bleven overal in Arkadië invallen doen, plunderen en vestingen aanvallen. Want de Arkadische hoplieten rukten absoluut nooit tegen hen uit, zo’n angst hadden ze voor de peltasten gekregen. Daarentegen waren de peltasten voor de Spartanen weer zo bang dat ze de hoplieten niet binnen speerafstand naderden, want zelfs toen ze hen op zo’n afstand volgden, waren sommigen van hen al eens door de jongere Spartanen gegrepen en gedood. Hoe de Spartanen hen ook minachtten, hun minachting voor hun eigen bondgenoten was nog groter, want de mannen van Mantineia waren eens, toen ze uitrukten tegen peltasten die een uitval deden uit de muur die naar Lechaion leidde, onder hun speerworpen geweken en sommigen van hen waren op de vlucht gesneuveld. Daarom gingen de Spartanen zelfs zover spottend te zeggen dat hun bondgenoten bang waren voor de peltasten zoals kinderen voor spoken.(Hellenika 4.4.16-17; vert. Gerard Koolschijn.)

In 390 moesten de Spartanen erkennen dat hun spot misplaatst was geweest. Een groep Atheense peltasten zag een groep Spartaanse hoplieten en realiseerde zich dat ze die veilig konden aanvallen. Zolang de Spartanen op mars waren, waren ze kwetsbaar aan de zijde waar ze hun schild niet droegen, en konden ze met speerworpen worden aangevallen. Zo snel de hoplieten een tegenaanval wilden uitvoeren, maakten de peltasten zich uit de voeten, sneller dan hun achtervolgers. De resultaten waren desastreus: bijna de helft van de Spartaanse hoplieten kwam om het leven.

De tegenmaatregel was dat een generaal zijn zwaarbewapende hoplieten liet beschermen door cavalarie en peltasten. Dus zagen in de vierde eeuw de Griekse legers, die ooit uit vooral hoplieten hadden bestaan, er gevarieerder uit. Dat bracht met zich mee dat veldslagen complexer werden. Voor het eerst ontstond iets dat we kunnen aanduiden als tactiek, de wijze waarop diverse onderdelen op het slagveld hun acties coördineren.

[Wordt overmorgen vervolgd]

35 gedachtes over “Peltasten

  1. Hoe moet ik die fladder aan het achterhoofd duiden: is het een muts? En een soort stola in de arm. Toch niet zo heel ongekleed.
    Dat been is leuk: oeps! Te dik, even wat slanker schilderen. Met als gevolg dat het nu lijkt of het twee benen zijn.

    1. FrankB

      Dat van die twee (in totaal zouden het er dus drie worden) zie ik niet. Ik zie wel dat het linkerbeen veel te hoog aan de torso bevestigd is.

    2. eduard

      Ik vermoed dat hij een pilos helm draagt, een puntige helm met daarop een paardeharen sierkam, maar dat de kunstenaar er niet aan had gedacht dat die niet binnen het kader op de vaas zou passen, en hem daarom maar op zijn achterhoofd plakte. Dus eigenlijk net zoiets als dat been.

      1. eduard

        De stola is de cape van de peltast, die hij blijkbaar aan zijn schild kon hangen als extra bescherming, zoals hoplieten soms wel eens een lederen schort aan hun bronzen schild bevestigen. Ik heb wel eens een afbeelding gezien uit een boekje uit de renaissance met instructies voor de zwaardvechter, waarbij de schermer ook zijn cape om zijn linkerarm wikkelde en een deel omlaag liet hangen om de slagen van zijn tegenstander te dempen.

          1. eduard

            De vaas komt uit de 4de eeuw. Tegen die tijd waren de peltasten al vaak zwaarder bewapend, en de helmkam maakt duidelijk dat het geen muts is.

  2. FrankB

    “Een gevechtseenheid die op erotische liefde was gebaseerd.”
    Misschien een ideetje om het moreel van onze moderne legers wat op te peppen?

    “Zo snel de hoplieten een tegenaanval wilden uitvoeren, maakten de peltasten zich uit de voeten, sneller dan hun achtervolgers.”
    Sommige dingen veranderen nooit. De Finnen gebruikten dezelfde tactiek, met rampzalige gevolgen voor het Rode Leger, in de Winteroorlog van 1939-40.

  3. Otto Cox

    Zijn er, bijvoorbeeld door re-enactors, wel eens proeven gedaan om het snelheidsverschil tussen een hopliet en een peltast te bepalen? Hoe lang bijvoorbeeld kon een geoefend hopliet een sprintje trekken? 100m? 50m? Of kwam een hopliet helemaal niet aan een sprintje toe?

  4. Henk Smout

    De opmerking onder de afbeelding “Peltasten droegen overigens kleren” is geen overbodige luxe.
    Ik zag decennia geleden nog eens een plaatje van zo’n bloterik met onderschrift “Grieks soldaat in volle wapenrusting”. Een oom kon toen ook zijn lachen niet inhouden.

  5. Wat moet ik mij bij een ‘speerafstand’ voorstellen? De lengte van een speer? Dat lijkt inderdaad wel wat al te dichtbij. Of de lengte van een speerworp? In dat geval waren die peltasten toch niet zo snel als de hoplieten (althans niet de eerste 100 meter).

  6. eduard

    “Voor het eerst ontstond iets wat we aanduiden als tactiek …”. Ik betwijfel of dat pas toen, en alleen in Griekenland, is uitgevonden. En wat betreft de samenwerking tussen verschillende elkaar ondersteunende tactische specialisten, dat kenden de Feniciërs al, die zelf geen soldaten hadden, alleen onneembare havensteden en oorlogsschepen, en voor hun oorlogen op het land allerlei vreemdelingen ronselden die allen hun eigen tactische tradities hadden. Kortom, het was de zakelijke zienswijze van de Feniciërs, en vervolgens van andere handelssteden als Athene, die voor professionalisering zorgden, omdat niet langer de eer maar minimale investering en maximaal rendement het richtsnoer werd. Liever goedkope, ongrijpbare peltasten, dan dure, onvermijdelijk zware verliezen lijdende hoplieten.

  7. Een prima tekening, maar tot hoe veer kon men die speer werpen? En hoe zat het met reservesperen? Uit welk materiaal bestond die speer? Speren zijn al heel oud heb ik gehoord. Hadden die mannen geen schoenen aan of iets wat daar op zou kunnen lijken? Interessante blog weer!.

  8. eduard

    De eerste peltasten worden steeds met rijglaarzen afgebeeld. De naaktheid van deze krijger moeten we zoals gezegd niet al te letterlijk nemen, het was een artistieke conventie. De twee punten boven het schild stellen twee andere werpsperen voor die in de hand geklemd werden die ook de greep van het schild vasthield. De Romeinse lichte pilum, waarvan men denkt dat die op een afstand van ruim 30 m werd geworpen, is nog steeds groter dan de werpspeer van de peltast, dus die kon waarschijnlijk op een wat grotere afstand worden geworpen.

  9. De afbeelding op de vaas lijkt meer op een ‘wat klungelige afbeelding te zijn van een zgn. Agriaanse peltast door het Macedonische leger gebruikt als elite huurlingen.

    Zie: https://www.wikiwand.com/en/Agrianes

    Zij zouden naast hun twee reservesperen ook soms een zwaard gedragen hebben en een lichte helm. Op de vaas merk ik niets van een zwaard maar op ‘the artist’s impression’ op bovengenoemde site lijkt het uiteinde van een zwaardschede uit te steken. Die stola is op de vaas nogal ruim weergegeven, maar kon als extra afweer bij het schild gebruikt worden. De helm met de erachter fladderende sierkam is waarschijnlijk op het achterhoofd weergegeven vanwege het feit dat, zoals Eduard zegt, de vaas niet hoog genoeg was om de helm op de kop te weer te geven.

    1. Henk Smout

      Pas later kwam de herinnering bij mij terug dat een aantal jaren geleden ik las of hoorde over intimiderende en gewelddadige naaktsoldaten van rebellen in Afrika, het oosten van Kongo als ik het wel heb.

  10. jan kroeze

    Ja plaatjes met allemaal vechtende mannen, op ’t 1e gezicht geen vrouw met een speer of bijl te bekennen. Er is altijd verschil geweest tussen mannen en vrouwen en dat zal zo blijven ook. Het is 1 van de verschillen tussen mensen onderling.

  11. eduard

    Vergeet de Amazones niet! De Amazonomachy is een populair thema in de Griekse kunst, en ze worden bij voorkeur als Skythen, Perzen of Thracische peltasten afgebeeld.

    Zie https://nl.pinterest.com/pin/300967187570718728/

    Ze waren gebaseerd op de vrouwen van de (Skythische) nomaden, die tot verbazing van de Grieken ook paard reden en boog konden schieten. De vrouwen moeten namelijk hun mannetje kunnen staan wanneer de mannen weg zijn om het vee te hoeden.

  12. Jet van Gelder

    Ha Jona,
    Voor mijn lessen ben ik bezig met een module over auxilia in het Romeinse leger (die burgerrecht konden krijgen); leerlingen moeten reflecteren op de verschillen met onze tijd (als je nu dienst neemt in het leger van een vijandige krijgsmacht, raak je juist je Nederlanderschap kwijt). maar hoe zat dat met Griekse huurlingen? What was in it for them? En behielden zij hun burgerschap?
    Daar weet ik eigenlijk niks van! Jet

    1. Het enige voorbeeld uit de klassieke periode dat me te binnen schiet is Xenofon, die nooit is teruggekeerd naar Athene. Het zou me niet verbazen als het van stad tot stad verschilde.

Reacties zijn gesloten.