Eutropius (8): De feiten presenteren

Janus op een Romeins zilverstuk

Terwijl u dit op leest, ben ik voor mijn werk een dagje in Baalbek. Omdat ik vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Eutropius is op zijn best bij het laatste punt van het lijstje: het presenteren van de feiten. Hij denkt echt aan zijn lezer, bijvoorbeeld door uit te leggen hoe dicht bij Rome enkele steden lagen. Een door de Thracische Bessi bewoonde nederzetting duidt hij aan met de naam die in de tijd van zijn lezers gangbaar was, Hadrianopel, aangezien het niet aannemelijk was dat Valens zou weten waar Uskudama had gelegen. Een grote verdienste van Eutropius is bovendien dat hij de ruim driehonderd plaatsnamen uit zijn tekst, anders dan de persoonsnamen, foutloos weergeeft. De verklaring moet liggen in zijn dagelijkse betrokkenheid bij de keizerlijke correspondentie.

Zijn ambtelijke ervaring zal ook de reden zijn waarom Eutropius goed begrijpt hoe het staatsapparaat functioneerde. Over juridische zaken geeft hij een geloofwaardig oordeel, zoals zijn commentaar dat van de wetten van keizer Constantijn “sommige goed en billijk, de meeste overbodig, enkele nodeloos streng” waren. Als hij uitlegt wat de bevoegdheden waren van een dictator, doe het hij het zó dat keizer Valens het zal hebben begrepen.

Maar wat hebben wij eraan? Er is maar weinig informatie die we alleen via Eutropius hebben. Zo herhalen de eerste acht boeken wat uit oudere, uitgebreidere en betere bronnen bekend is. Alleen het negende en tiende boek van de Korte geschiedenis van Rome bieden details die niet op een andere manier bekend zijn, zoals het gegeven dat de oeroude tempel van Janus in de derde eeuw n.Chr. nog functioneerde. Daar mogen we toch blij mee zijn. In de oudheidkunde, waarin wetenschappers kampen met een enorm gebrek aan data, telt elk beetje informatie, zelfs als het komt uit een uittreksel.

In dit genre is Eutropius noch de meest lezenswaardige noch de vervelendste. De aardigste epitomator is Velleius Paterculus, die in zijn Romeinse geschiedenis blijk geeft van een brede culturele belangstelling en bijvoorbeeld uitweidt over de tragedieschrijvers van Athene. Eutropius kon dat niet doen. Zijn opdracht was het schrijven van een krijgsgeschiedenis en dus was er weinig ruimte voor mooie verhalen. Dat focus maakt echter ook dat de Korte geschiedenis van Rome conceptueel meer een eenheid is dan bijvoorbeeld de Periochae van Livius, een uittreksel waarin rijp en groen door elkaar staan.

Eutropius’ schets is misschien het beste te vergelijken met een tekst die een halve eeuw jonger is: Orosius’ Zeven geschiedenisboeken tegen de heidenen. De aanleiding tot het vervaardigen van dat uittreksel was de inname van Rome door de Visigoten in 410 n.Chr., waarvoor sommigen de christenen de schuld gaven. Orosius snijdt zijn selectie toe op de stelling dat de Romeinen vroeger grotere rampen hadden overleefd, zodat er ook nu geen reden was tot paniek. Beide auteurs kiezen uit het conglomeraat aan overgeleverde informatie wat in hun kraam te pas komt en hebben een optimistische toekomstvisie: volgens Eutropius en Orosius was het Romeinse Rijk onverslaanbaar.

[Morgen meer]

6 gedachtes over “Eutropius (8): De feiten presenteren

  1. FrankB

    “Maar wat hebben wij eraan?”
    Nu doe je hem een tikkeltje te kort. Oudheidkunde draait immers niet alleen om gebeurtenissen, handelingen. Perceptie van de mensen die toen leefden – hoe kijken zij tegen hun wereld aan – is net zo belangrijk. Daarom vind ik het reuze interessant dat Eutropius geen flauw benul had van wat het Rijk te wachten stond. Net zoals ik in 1983 (toen dat Koreaanse verkeersvliegtuig uit de lucht werd geschoten) niet besefte dat de Koude Oorlog nog maar een paar jaar zou duren.

Reacties zijn gesloten.