De Tetrarchie

De tetrarchen (San Marco, Venetië)

In de reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, zijn we aangekomen bij de zogeheten Tetrarchie. Dat betekent “heerschappij van vier” en was, welbeschouwd, een van de grootste bestuurlijke revoluties uit de geschiedenis. Een Revolution von oben, overigens, want u moet niet denken aan sansculotten op de barricaden die strijden voor vrijheid, gelijkheid & broederschap. Evengoed was het idee om voortaan vier keizers te hebben, een innovatie zonder gelijke.

De Tetrarchie

En zoals de grote Mommsen placht te zeggen: de Romeinen drukten revolutionaire innovaties uit in traditionele vormen. Zoals keizer Augustus de monarchie “ving” in de taal van de republiek, zo maakten de tetrarchen gebruik van oudere keizerlijke vormen. Eén ervan was de titulatuur: je had augusti en caesares, wat je zou kunnen vertalen als opperkeizers en onderkeizers. Het voornaamste verschil was dat de twee augusti wetgevende bevoegdheden hadden en de twee caesares niet. De augusti zouden op een gegeven moment – het zou uiteindelijk in het voorjaar van 305 na Chr. blijken te zijn – aftreden en de macht overdragen aan de caesares, die, nu ze zelf de rang van augusti hadden, nieuwe caesares aanwezen. Stel je voor dat er ineens vier presidenten van de Verenigde Staten zijn, dan weet je hoe revolutionair dit is.

Diocletianus Augustus (Bode Museum, Berlijn)

Er waren allerlei voordelen. Eén, door talentvolle generaals een kans te geven caesares te worden, bonden de augusti hen aan het regime, zodat zij geen aanleiding hadden om in opstand te komen. Dat scheelde alvast een paar burgeroorlogen. Twee, er was altijd een keizer die naar het front kon gaan. De grondlegger van het systeem, Diocletianus (r.284-305), pacificeerde bijvoorbeeld Egypte en zijn caesar Galerius streed tegen de Sassanidische Perzen. In de westelijke provincies herstelde augustus Maximianus (r.285-305) de orde in Gallië en de Maghreb, terwijl zijn caesar Constantius Chlorus (“bleekneus”) streed in Britannia.

Twee rijkshelften

Deze innovatie was tegelijk – daar is Theodor Mommsen weer – verankerd in de inmiddels gegroeide praktijk van meerhoofdig bestuur. Tijdens de Crisis van de Derde Eeuw waren er bijvoorbeeld Gallische keizers en een Rijk van Palmyra geweest, en na de korte regering van keizer Carus was het rijk bestuurd door Numerianus en Carinus. Maar vanaf de Tetrarchie was het (a) institutioneel, (b) uitgebreid met een opvolgingsregeling en (c) gecombineerd met een territoriale afbakening. Die laatste was nog niet uitgekristalliseerd, maar er groeiden een Griekssprekende en een Latijnsprekende rijkshelft.

Maximianus Augustus (Bode Museum, Berlijn)

Misschien mogen we een stap verder gaan en constateren dat de Griekssprekende helft verdeeld was in een echt Grieks deel en een deel waar Aramees of Koptisch de volkstaal was, terwijl de Latijnsprekende helft verdeeld zou kunnen zijn geweest in een deel waar men vooral Latijn sprak en een deel met een Keltisch substraat. Ik weet niet of dit ooit is onderzocht of geopperd. De Blois en Van der Spek maken er geen gewag van.

De tetrarchie zocht een religieuze onderbouwing en stelde het Romeinse Rijk onder twee beschermgoden. In het oosten was dat Zeus ofwel Jupiter. De oostelijke augustus Diocletianus noemde zich dan ook Iovius, “Jupiterman”. In het westen was de beschermgod Hercules, en u begrijpt ook zonder kennis van het Latijn wel wat het wil zeggen dat Maximianus zich Herculius noemde. Uiteraard was dit weer een traditionele vorm: Jupiter was, als grootste en beste Romeinse god, altijd al de beschermer van het imperium geweest, en Hercules had deze functie al voor de Gallische keizers.

Tegelijk was het revolutionair omdat de verering veel dominanter was. Nieuwe militaire eenheden heetten bijvoorbeeld Iovius en Herculius. Die eenheden werden overigens aangeduid met de traditionele naam “legioen”, hoewel ze veel kleiner waren en totaal anders functioneerden. Hierover zal ik later nog eens bloggen. Feit is echter dat de mobiele veldlegers van de vierde eeuw opnieuw een innovatieve voortzetting waren van een allang traditionele vorm.

Galerius Maximianus Caesar (Bode Museum, Berlijn)

De residenties

Als de vier keizers niet met hun legers op veldtocht waren, resideerden ze

in Nicomedia (Diocletianus), Milaan (Maximianus), Sirmium (Galerius) en Trier (Constantius), vier strategisch gelegen plaatsen die geschikt waren om als logistieke centra te dienen en van waaruit de keizers snel hun grenssectoren konden bereiken. Antiochië in Syrië herbergde ook nogal eens een keizerlijk hoofdkwartier vooral tijdens oorlogen tegen de Perzen. Dat was in de derde eeuw al zo.

Aldus De Blois en Van der Spek. De twee laatste zinnen geven opnieuw aan dat residenties buiten Rome niet nieuw waren. De feitelijke innovatie was de institutionalisering van een traditie.

Constantius Caesar (Bode Museum, Berlijn)

In elk van deze steden bouwden de tetrarchen dezelfde gebouwen: een basilica ofwel ontvangstzaal, een woonpaleis, een werkpaleis, een badhuis en een hippodroom. De ingebruikname van deze vier residenties versterkte de schepping van evenveel ambtelijke apparaten. Toen die er eenmaal waren, dicteerde ambtelijke rationaliteit de ruimtelijke afbakening van hun invloedssferen: zo rond 315 waren er vier goed gedefinieerde machtsgebieden, de prefecturen.

Het hofprotocol van de Tetrarchie

Ik rond af met de constatering dat er een uitgebreid hofprotocol ontstond. De keizer kreeg een vrijwel goddelijke status. De Blois en Van der Spek:

Overigens was de ontwikkeling naar een meer verheven, in religieuze noties gefundeerd keizerschap al lang aan de gang. Onder Domitianus werd het al even geprobeerd en vanaf de tijd van Commodus (r.180-192) probeerden de keizers telkens om langs deze weg hun macht beter te vestigen. Zij propageerden zich als gunsteling van een favoriete godheid.

Mommsen opnieuw: de tetrarchen presenteerden een innovatie in een traditionele vorm. Het revolutionaire zat in het uiterlijk vertoon. Laatantieke auteurs vermelden dat de vier keizers allerlei sieraden droegen en zich hulden in purperen mantels van Chinese zijde.noot Aurelius Victor, De keizers 39.2; Eutropius, Samenvatting 9.26. Beeldhouwers en muntmeesters kregen opdracht hun producten te maken in een stoere, bonkige stijl, die heel anders is dan de veel natuurlijkere reliëfs op de sarcofagen uit deze tijd. Het keizerschap werd dus in een bijna abstracte vorm verbeeld. De bekendste uiting van deze vorm van portretkunst is een beeld uit Egyptisch porfier dat nu is te zien in Venetië – zie het plaatje helemaal bovenaan.

Morgen meer.

 [Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

Deel dit:

7 gedachtes over “De Tetrarchie

  1. Rob Duijf

    ‘Stel je voor dat er ineens vier presidenten van de Verenigde Staten zijn, dan weet je hoe revolutionair dit is.’

    De Verenigde Staten mogen dan in naam verenigd zijn, de politieke polarisatie is dermate groot dat er twee Amerika’s zijn: een blauw en een rood, ieder met hun eigen president…

  2. Tommy

    De tetrarchie, concies, summier en bondig! Eén van de meest heldere uiteenzettingen over het onderwerp die ik al las! En dat de porfieren sculptuur heden ten dage in Venetië staat, is natuurlijk terug te voeren op de spoliatie (spolium=roofbuit) van de kruisvaarders; geroofd uit Constantinopel…

  3. Roger Van Bever

    Helder en zeer inzichtelijke blog over de tetrarchie!

    … terwijl de Latijnsprekende helft verdeeld zou kunnen zijn geweest in een deel waar men vooral Latijn sprak en een deel met een Keltisch substraat. Ik weet niet of dit ooit is onderzocht of geopperd. De Blois en Van der Spek maken er geen gewag van…

    Daar is wel degelijk veel over geöpperd, maar ook vrij veel onderzoek naar verricht, waaruit blijkt dat er in de eerste eeuwen een Keltische invloed (en ook van een aantal andere autochtone talen) bestond in het (Gallisch Latijn) en dat de Romeinen hun Latijn niet oplegden. De Galliërs in het Noorden namen een aantal Germaanse woorden over. Uiteindelijk is er toch maar weinig Keltisch overgenomen en wellicht iets meer Germaans in het Noorden van Gallië. Maar in Gallië is het proces van acculturatie tamelijk snel toegenomen (door de handel, en omdat Rome uiteindelijk toch de dominante partij was). De maatschappelijk hogere klassen hebben sneller het latijn omarmd dan de lagere.
    https://www.axl.cefan.ulaval.ca/francophonie/HIST_FR_s1_Expansion-romaine.htm#4_Les_grandes_invasions_germaniques_et_le_morcellement_du_latin_

    Of er heel veel onderzoek naar verricht is, durf ik zo niet te zeggen.
    Wel hebben aan het eind van de 19e eeuw een opbloei van de etymologie van het Frans gekend. Gaston Paris is een van de grootheden op dat gebied: https://www.wikiwand.com/fr/Gaston_Paris
    Tegenwoordig zijn Henriëtte Walter en Alain Rey grote namen.
    Te vermelden is dat volgens Gaston Paris er maar een handjevol Keltische woorden in het hedendaagse Frans zijn overgebleven.

  4. “constateren dat de Griekssprekende helft verdeeld was in een echt Grieks deel en een deel waar Aramees of Koptisch de volkstaal was, terwijl de Latijnsprekende helft verdeeld zou kunnen zijn geweest in een deel waar men vooral Latijn sprak en een deel met een Keltisch substraat.”

    Eens met Roger, maar ik wil verder ook stellen dat dit wel heel erg vereenvoudigd is. In het Westen sprak men buiten Latijn een flink aantal andere talen, en niet alleen Keltisch. Zo is Punisch in delen van Noord-Afrika belangrijk gebleven.

  5. “Nieuwe militaire eenheden heetten bijvoorbeeld Iovius en Herculius. ”

    Slechts twee: de Herculiani en de Ioviani, later weer gedeeld in resp. seniores en iuniores. Er waren ook Batavi en Sabini, dus al te veel waarde zou ik hier niet aan geven.

Reacties zijn gesloten.