Eutropius (9): Vorstenspiegel

Een vierde-eeuwse triomftocht (Boog van Galerius, Thessaloniki)

Terwijl u dit op leest, ben ik in het Nationaal Museum in Beiroet, het mooiste museum in het Midden-Oosten. Omdat ik met zoveel moois echt geen tijd ga vrij maken voor het dagelijkse blogstukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

De regering van keizer Augustus vormt een breuk in Eutropius’ schets. Was het verhaal tot dan toe een betoog over de Romeinse expansie, weg vanuit Centraal-Italië, naar Sicilië en de Povlakte en uiteindelijk naar Spanje en Syrië en Egypte en Germanië, ineens beperkt het verhaal zich tot één plek: het keizerlijk hof. De Korte geschiedenis van Rome is vanaf dit punt een reeks keizerbiografietjes en reduceert een imperium met tientallen miljoenen inwoners tot één man. De onderwerpen die Eutropius in die biografietjes aansnijdt tonen wat een voorname hoveling in de vierde eeuw van zijn vorst verwachtte. De boodschap is dubbelzinnig: aan de ene kant somt Eutropius een hele reeks keizerlijke deugden op, aan de andere kant is er ook een zekere stekeligheid.

De beste heerser was, volgens Eutropius althans, Trajanus, die “de staat op zo’n manier heeft bestuurd dat hij met recht de voorkeur krijgt boven alle andere keizers”, wat Eutropius specificeert met de woorden dat hij “de grenzen van het Romeinse rijk, dat sinds Augustus meer was verdedigd dan roemrijk uitgebreid, in alle richtingen opschoof”. (De toevoeging dat Trajanus in Germanië steden achter de Rijn herbouwde wacht vooralsnog op archeologische bevestiging.)

Eutropius vermeldt keurig alle Romeinse veroveringen en overwinningen en wordt niet moe de keizers te prijzen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Omgekeerd is een slechte keizer te herkennen aan het uitblijven van veroveringen en als het hem zo uitkomt, is Eutropius bereid daarover de waarheid wat bij te buigen. Over keizer Hadrianus, die zich terugtrok uit de door Trajanus veroverde gebieden en dus per definitie niet kon deugen, schrijft Eutropius bijvoorbeeld dat het vrede was gedurende zijn hele regeerperiode, een mededeling die de Joodse medestrijders van de messias Bar Kochba, die de Romeinse troepen vier jaar lang bezighielden en Hadrianus’ persoonlijke aanwezigheid afdwongen, zal hebben verbaasd.

In zijn schetsen van de diverse heersers noemt Eutropius allerlei militaire deugden: een goede keizer is moedig en krijgsvaardig en handhaaft de militaire tucht. Idealiter heeft hij al voor zijn troonsbestijging bestuurservaring opgedaan, maar nog belangrijker is dat hij zich civiel gedraagt, trouw is aan zijn vrienden en hen benoemt op de posities die ze waard zijn, en vooral: dat hij tegen iedereen royaal is. Overige bestuurlijke deugden zijn gematigdheid, rechtvaardigheid, mildheid en bezonnenheid. Literaire belangstelling is meegenomen. Typische ondeugden zijn wreedheid, moordzucht, lust, liederlijkheid, gierigheid, al te grote strengheid, afgunst, weeldezucht, gulzigheid, trouweloosheid, spilzucht en vanzelfsprekend lafheid. Het tekent Eutropius’ prioriteiten dat hij de filosofische onverstoorbaarheid van keizer Marcus Aurelius minder aandacht waard vindt dan diens oorlogen aan de Donau.

Vele duizenden bracht hij ter dood, en nadat hij Pannonië uit de slavernij had bevrijd, hield hij in Rome opnieuw een triomftocht.

Voor een goede legercommandant weet Eutropius een duidelijke beloning: de triomfantelijke intocht in zijn hoofdstad. Er staan er in de Korte geschiedenis van Rome een stuk of zestig vermeld en het is vermoedelijk geen toeval dat Valens juist in de winter waarin Eutropius’ zijn schets inleverde, zelf een triomf vierde over de Tervingi, die hij in de voorafgaande zomer in Moldavië beweerde te hebben verslagen.

De sleutel tot keizerlijk succes was, althans volgens Eutropius, samenwerking met de Senaat. Het is geen toeval dat hij het eerbiedwaardige college – dat in de tijd van keizer Valens bestond uit een verzameling puissant rijke mannen met veel bestuurlijke ervaring – meteen aan het begin van de Korte geschiedenis van Rome al vermeldt. Een keizer deed er goed aan de Senaat in ere te houden en misschien was de grootste deugd van Trajanus wel dat hij nooit een senator kwaad had gedaan. De Senaat kon een goede keizer namelijk de ultieme beloning toekennen: goddelijke verering na zijn dood, zoals ook keizer Augustus ten deel was gevallen. Eutropius vermeldt niet minder dan tweeëntwintig gelukkigen, maar laat er ook enkele onvermeld, zoals Valerianus en Gallienus, van wie hij insinueert dat ze laf waren geweest. Het eerbewijs zou later keizer Valens, die in 378 sneuvelde in een hernieuwde strijd tegen de Tervingi, eveneens ten deel vallen.

Samenvattend is wel duidelijk dat Eutropius van een vorst verwachtte dat hij dapper zou strijden, beschikte over enkele voorspelbare deugden en goed zou samenwerken met de senatoren. Toch is er ook een andere boodschap. Van vijftig van de drieënzeventig genoemde keizers – sommige goed, sommige slecht en de meeste daartussenin – vermeldt Eutropius dat ze gewelddadig om het leven waren gekomen, hoewel de dood van een heerser eigenlijk niet zo belangrijk is voor een krijgsgeschiedenis van het Romeinse Rijk. Blijkbaar paste het toch bij Eutropius’ opzet om Valens te laten weten dat hij een gevaarlijke baan had. En er was een alternatief: aftreden.

Daarover schrijft Eutropius opvallend positief, al krijgt hij maar twee keer de gelegenheid. De eerste keer betreft Diocletianus, die

zijn dagen heel mooi doorbracht in een buitenhuis niet ver van Spalatum, alwaar hij een hoge leeftijd bereikte.

Het stond, zo verzekert Eutropius, Diocletianus’ vergoddelijking niet in de weg. Iets dergelijks geldt voor Vetranio, die ten tijde van keizer Constantius de keizerlijke waardigheidstekens aflegde. Eutropius zwaait de afgetreden heerser lof toe: hij was alom geliefd, vertoonde aangenaam civiel gedrag en was – dit gold als groot compliment – iemand van de oude stempel. Het is niet helemaal ondenkbaar dat Valens zich in dit portret heeft herkend, vooral omdat Eutropius ook opmerkt dat Vetranio was gespeend van de vrije kunsten en zich daar pas als keizer op toelegde, wat tijdgenoten ook van Valens zeiden.

We kunnen er natuurlijk ook teveel in willen lezen. In elk geval had Eutropius bedenkingen bij de almacht van de Romeinse keizer. Hij formuleert die kritiek indirect als hij uitlegt waarom de Romeinen het koningschap vervingen door het consulaat:

De gedachte hierachter was deze: als een van beiden slechte dingen wilde doen kon de ander, die dezelfde macht had, hem tegenhouden. Tevens werd besloten dat zij niet langer dan een jaar hun macht zouden bekleden, om te voorkomen dat langdurige macht hun naar het hoofd zou stijgen. Zodoende zouden ze zich steeds normaal gedragen, vanuit het besef dat ze na een jaar weer privépersonen zouden zijn.

In een schets van de Romeinse krijgsgeschiedenis is deze passage overbodig, maar Eutropius wilde het zijn vorst laten weten. Heeft hij, na de niet buitengewoon voorspoedig verlopen campagne tegen de Tervingi, zo bedekt mogelijk geprobeerd zijn keizer te overreden de macht neer te leggen, opdat een capabeler generaal naar het oosten zou gaan? Is Eutropius om die reden weggepromoveerd? We zullen het nooit weten.

[Morgen de laatste aflevering]

2 gedachtes over “Eutropius (9): Vorstenspiegel

Reacties zijn gesloten.