Waarom klassieken? (2)

De “Ludovisi Aristoteles” (Museo Altemps, Rome)

Ik gaf in het vorige stukje aan dat de afstammelingen van de Griekse en Macedonische kolonisten die zich hadden gevestigd in het door Alexander de Grote veroverde Nabije Oosten zich graag presenteerden als Griek, omdat dit hun toegang verleende tot de hogere functies. De Griekse cultuur waarmee ze zich presenteerden, diende daardoor statisch te blijven, omdat ze anders niet herkenbaar was.

Er was nog een andere reden waardoor de Griekse cultuur van de vijfde en vierde eeuw dé standaard werd op literair en artistiek gebied. Even belangrijk was dat de bewonderde beschaving inderdaad op een bepaalde manier kon doorgaan voor superieur, en niet doordat ze militair nogal succesvol was geweest. Zo waren de Griekse beeldhouwers er als enigen in geslaagd de menselijke anatomie volmaakt weer te geven in brons of marmer. Hun oudste beelden waren even statisch geweest als de Egyptische en Fenicische sculptuur, en latere waren gekenmerkt door amandelogen, een onbeholpen glimlach en klutsknieën, maar uiteindelijk hadden kunstenaars de anatomische perfectie bereikt. Over de schilderkunst kon een vergelijkbaar verhaal van perfectionering worden verteld.

Ook de wiskunde had al grote hoogten bereikt. Men had bijvoorbeeld bewezen dat het onmogelijk was de Gulden Snede en getallen als √2 of π voor te stellen als breuken van natuurlijke getallen. Zulke conclusies maakten enorme indruk: de filosoof Plato erkende het belang van de wiskunde en zou volgens een middeleeuwse traditie de toegang tot zijn Academie zelfs hebben geweigerd aan mensen zonder wiskundig inzicht. Maar na de vijfde eeuw stokte de ontwikkeling van het vakgebied.

Het zelfbewustzijn dat de Griekse cultuur van de vierde eeuw kenmerkt, blijkt ook uit het oeuvre van Aristoteles. Zijn belangrijkste, origineelste en duurzaamste bijdrage aan de wetenschap is de ontwikkeling van de logica, waarover hij verschillende geschriften publiceerde die bekendstaan onder de verzamelnaam Organon. Ook dit was een prestatie waarvan kon worden gezegd dat ze een eindpunt markeerde: het zou twee millennia duren voor het vakterrein verder werd ontwikkeld, en behoort tot het voornaamste dat de Grieken ons hebben nagelaten.

Maar vóór alles was Aristoteles bioloog. Hij had grote belangstelling voor de groei van levende wezens en zijn algemene ontwikkelingstheorie berustte op een analogie met de natuur. Omdat uit een eikel een eik kan groeien en geen olijfboom, meende hij dat de eindvorm al in de eikel besloten lag. Anders gezegd, de eikel streefde naar een natuurlijk einddoel. Analoog redenerend meende hij dat een steen voorbestemd was te vallen naar zijn natuurlijke bestemming, het middelpunt van de aarde, en dat vuur als het ware verlangde op te stijgen naar de hogere sferen waar het klaarblijkelijk thuishoorde. Alle dingen streefden volgens Aristoteles naar zo’n natuurlijk einddoel. De jargonterm is doeloorzaak.

Deze theorie benutte hij ook bij het beschrijven van cultuuruitingen. Tragedies bereikten zijns inziens het voorbestemde eindpunt van hun ontwikkeling toen het taalgebruik de natuurlijke, gesproken taal het dichtste benaderde. Wanneer Aristoteles een filosofisch vraagstuk behandelde, liet hij zien hoe de opeenvolgende wijsgeren de waarheid steeds dichter benaderden, tot de eindvorm werd bereikt in, ahum, zijn eigen werk.

Hij zal niet verbaasd zijn geweest dat zijn leerling Alexander de wereld veroverde, want de Grieks-Macedonische cultuur leek in de vierde eeuw op menig terrein – krijgskunst, beeldhouwkunst, schilderkunst, wiskunde, logica, toneel, filosofie – het stadium van de perfectie te hebben bereikt. De landverhuizers die zich in Azië en Egypte op hun identiteit bezonnen, zouden naar Aristoteles’ maatstaven wel gek zijn geweest als ze zich hadden georiënteerd op een andere cultuur dan de Griekse.

[Wordt vervolgd]

Een gedachte over “Waarom klassieken? (2)

  1. FrankB

    “Maar na de vijfde eeuw stokte de ontwikkeling van het vakgebied.”
    Dit is een beetje misleidend. Euclides schreef zijn beroemde werk rond 300 BCE en toen moest Archimedes nog geboren worden. De laatste verbeterde bv. de uitputtingstechniek om oppervlaktes te bepalen, enigszins vergelijkbaar met het integraalrekenen van Newton en Leibnitz. En veel later maakte de goede oude Ptolemaeus (die van geocentrisme) ook nog wel enige belangwekkende vorderingen in de wiskunde, om maar de bekendste te noemen.
    Het interessante is juist dat met Alexander de Grote de filosofie werd losgekoppeld van de natuurwetenschappen en de wiskunde. Aristoteles van Stageira was de laatste die alle kennis probeerde te integreren tot een Verenigde Theorie. Uiteraard claim ik geen causatie; ik heb geen idee wat het verband zou kunnen zijn. Misschien was het wel toeval.

Reacties zijn gesloten.