Waarom klassieken? (3)

Ptolemaios I Soter (Metropolitan Museum, New York)

Eén van de plaatsen waar de Griekse beschaving na Alexanders veroveringen voet aan de grond kreeg, was het Egyptische Alexandrië, de hoofdstad van het koninkrijk dat generaal Ptolemaios voor zichzelf had opgebouwd. In Babylonië had hij de soms wel twee millennia oude bibliotheken gezien waarin alle menselijke kennis zou worden bewaard. Alexander had het belang ervan meteen onderkend en delen laten kopiëren voor Aristoteles, die altijd al had aangedrongen op het aanleggen van bibliotheken en soortgelijke inventariseringen van bestaande kennis.

Geïnspireerd door de Griekse filosofie en een Babylonisch voorbeeld had Ptolemaios het Mouseion gesticht. Daar konden de werken worden geconsulteerd van de navolgenswaardige auteurs uit het Griekenland van de vijfde en vierde eeuw, alsmede vertalingen van oosterse teksten, zoals de astronomische waarnemingen uit Babylon, de Bijbel, stukken Egyptische mythologie en praktische curiosa als het reisverslag van de Karthaagse ontdekkingsreiziger Hanno. Het concrete belang van vooral de Griekse literatuur was immens: de stabiliteit van de Griekse bestuurskaste in het Ptolemaïsche Rijk werd erdoor gewaarborgd, en dat droeg op haar beurt bij aan de rust in het koninkrijk.

Omdat het de koning niet aan middelen ontbrak, werd zijn plan energiek uitgevoerd. Gezanten bezochten de tempels in het Griekse moederland om daar boekrollen met antieke cultusteksten te kopiëren. Anderen namen uit Athene het staatsexemplaar met de tragedies van Aischylos, Sofokles en Euripides mee. Op het eiland Kos vonden ze de vakbibliotheek van de medische school van Hippokrates en in Kolofon troffen ze een oeroud exemplaar aan met de epen van Homeros. Zelfs de Alexandrijnse havenpolitie was een rol toebedacht in de koninklijke cultuurpolitiek: ze doorzocht schepen op interessante manuscripten. Die werden dan in beslag genomen en gekopieerd, waarna de eigenaar het afschrift kreeg en het origineel verhuisde naar de nieuwe bibliotheek.

Het beleid werd voortgezet door Ptolemaios’ afstammelingen en in de loop der jaren groeide het instituut uit tot de grootste bibliotheek van de mediterrane wereld. Ze zou rond het midden van de derde eeuw v.Chr. al zo’n vierhonderdduizend boekrollen hebben bezeten: het cijfer is onwaarschijnlijk hoog, maar bewijst dat deze culturele instelling indruk maakte.

Er waren meer van zulke bibliotheken – in Antiochië en Pergamon bijvoorbeeld – maar die van Alexandrië is bijzonder omdat we veel weten over de activiteiten van de bibliothecarissen, die we mogen beschouwen als ’s werelds eerste classici. Niet alleen hielden zij zich bezig met de bestudering van oude Griekse teksten, maar ze ontplooiden ook enkele van de activiteiten waarmee classici zich nog altijd bezighouden.

Een eerste voorbeeld is het vaststellen van de precieze tekst, een activiteit die wordt aangeduid als tekstconstitutie. Aangezien papyrus kwetsbaar materiaal is, kwam er vroeg of laat een moment waarop de rol versleten was en moest worden vervangen. Een kopiist en een corrector maakten dan een nieuw exemplaar, waarna het voortbestaan van de tekst voor weer een eeuw was veiliggesteld. Het was niet te vermijden dat er schrijffouten optraden. Bovendien hadden de kopiisten de gewoonte onleesbare passages zo goed en kwaad als dat ging te reconstrueren, vaak door te kijken naar rollen met dezelfde tekst, soms met behulp van gezond maar feilbaar kopiistenverstand.

Soms vermoedden de geleerden dat bepaalde passages vals waren. Een berucht geval is een regel uit de Scheepscatalogus, de lijst van legeronderdelen uit Homeros’ Ilias. Hierin volgt op de mededeling dat Aias twaalf schepen meebracht van het eilandje Salamis de toevoeging dat de grote held streed als bondgenoot van de Atheners. Dat blijkt echter nergens uit de rest van het gedicht, en het lijkt erop dat de tweede regel is toegevoegd door een patriottische kopiist uit Athene. Om zulke suspecte passages aan te geven, bedacht een van de Alexandrijnse bibliothecarissen, Zenodotos, tekens als de asterisk en de obelisk. Ook introduceerde hij tekens om de lange en korte lettergrepen van een gedicht aan te duiden en markeerde hij onduidelijke passages met +. Al deze symbolen correspondeerden met aantekeningen die hij in de kantlijn van de tekst schreef: voorlopers van onze voetnoten.

Vaak was er over een passage teveel te zeggen om te worden genoteerd in de marge. Dan was het noodzakelijk een uitgebreid commentaar te schrijven. Van Zenodotos is bekend dat hij de Ilias en Odyssee uitlegde, Eratosthenes van Kyrene voorzag de Atheense komedies uit de vijfde eeuw van aantekeningen en Aristofanes van Byzantion deed hetzelfde voor de tragedies.

Deze geleerden noemden zichzelf kritikoi, “mensen die in staat waren onderscheid te maken”. Niet alleen maakten ze onderscheid tussen wat echt en vals was en tussen verschillende tekstvarianten, maar ook tussen wat navolging verdiende en wat niet. Daartoe stelden ze catalogi op, waarin ze materiaal ordenden naar schrijver, genre of onderwerp. De geleerde Kallimachos vulde niet minder dan honderdtwintig boekrollen met de biografieën van schrijvers, die hij rangschikte naar kwaliteit. Zo was er een lijst met navolgenswaardige tragici die begon met Aischylos, Sofokles en Euripides, was onder de komediedichters Aristofanes nummer één en voerden Homeros en Hesiodos de lijst met ependichters aan. Al deze auteurs vormden een maatstaf (“canon”) voor het goede Grieks dat de elite in het rijk van Ptolemaios wilde spreken.

De auteurs die tot de canon behoorden heetten engkrithentes, dat wil zeggen toegelaten tot de hoogste rangen. De uitdrukking werd destijds ook gebruikt om mensen aan te duiden die behoorden tot de hoogste vermogensklasse. Toen de Romeinen later kennismaakten met de Alexandrijnse literaire kritiek, vertaalden zij het woord met hun term voor degenen in de hoogste belastingschaal, classici, waarvan ons woord “klassiek” is afgeleid.

[Wordt vervolgd]

Een gedachte over “Waarom klassieken? (3)

Reacties zijn gesloten.